Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 14 juni 2016
[appellante],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux komt onder meer voor de naam:
Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [X], gehuwd met [appellante].
Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand[het Beheer van Relaties-bestand van de Belastingdienst, hof]
komt één hit voor, waarbij [X] de partner is van [appellante]. Dit is [X], geboren op (…), met sofinummer (….), gehuwd met [appellante], geboren op (…), met sofinummer (…).
Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van [X] is: Hendrik.
en dat alle Gegevens zijn vernietigd, inclusief de identiteit van de titularis van deze Rekening.”
“Mevrouw [appellante]-[appellante] deelde mee dat zij telefonisch contact heeft opgenomen in 2000 met de KBL waarna een overboeking heeft plaatsgevonden van het restant van de saldi van de bankrekening. Ik kan mij niet voorstellen dat een bank een telefonisch verzoek tot overboeking van enig saldo van een “telefonisch onbekende” inwilligt. Graag ontvang ik uitgebreide uitleg hoe de sluiting alsmede de (opdracht tot) overboeking heeft plaatsgevonden. (…)”.
(de “Rekening”) blijkt dat met name de identiteit van de rekeninghouder is vernietigd.
grief 1betoogt [appellante], onder verwijzing naar enkele uitspraken, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de Staat een gerechtvaardigd belang heeft bij het verkrijgen van de verzochte informatie. [appellante] wijst erop dat geen sprake mag zijn van een “fishing expedition” (vergelijk de conclusie AG bij HR 18/9/09, ECLI:NL:PHR:2009:BI5906). Volgens [appellante] moet de Belastingdienst per kalenderjaar aantonen waarom de verzochte informatie en bescheiden van belang zijn en is informatie over een bepaald jaar alleen dan relevant, indien over dat jaar nog belasting kan worden nagevorderd. [appellante] wijst erop dat de verplichtingen ex artikel 47 Awr Pro e.v. aanvullende verplichtingen zijn en dat de inspecteur dus pas gebruik moet maken van zijn bevoegdheden op grond van deze artikelen, als de aangifte daartoe aanleiding geeft. Naar de mening van [appellante] is het verzoek om informatie vanaf 31 januari 1994 daarom onredelijk en disproportioneel en bovendien in strijd met de wet voor zover het verzoek verband houdt met belastingheffing ten aanzien van jaren waarvoor geen aangiften zijn ingediend. Met
grief 2voert [appellante] aan dat dit kort geding prematuur is omdat zij al met de Belastingdienst had afgesproken dat zij stukken zou gaan opvragen bij de KBL, hetgeen zij ook heeft gedaan. In elk geval heeft zij thans al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om aan haar informatieplicht te voldoen. Dit is van belang, omdat de beoordeling in een kort geding ex nunc moet plaatsvinden. [appellante] stelt voorts dat zij pas na het overlijden van haar man in mei 1999 op de hoogte is geraakt van het bestaan van de KBL-rekening met nummer [***]. Volgens [appellante] beschikte zij niet uit eigen bezit over stukken betreffende die rekening en was zij geheel aangewezen op de stukken die zij na het overlijden van haar man heeft aangetroffen dan wel op de stukken die door haar kunnen worden opgevraagd. Onder verwijzing naar haar correspondentie met de KBL betoogt zij voorts dat zij heeft voldaan aan al hetgeen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar gevergd kan worden om informatie los te krijgen bij die bank, en dat het niet aan haar te wijten is dat dit niet is gelukt. Haar aanbod om aan de Belastingdienst een volmacht te verstrekken om in haar naam bij de KBL de gewenste informatie zelf op te (doen) vragen is door de Belastingdienst van de hand gewezen. [appellante] wijst erop dat volgens de Hoge Raad (HR 21 mei 1976, NJ 1977, 73 Oosterhuis/Unigro) een schuldenaar niet kan worden veroordeeld tot nakoming van een verbintenis waarvan nakoming ten tijde van de veroordeling onmogelijk is geworden en dat dit ook geldt indien de schuldenaar zichzelf in die toestand heeft gebracht. Voorts merkt [appellante] op dat in een publicatie van de Rijksoverheid op internet particulieren wordt aangeraden hun administratie in elk geval 5 jaar te bewaren en dat mag worden aangenomen dat ten aanzien van buitenlands vermogen een bewaaradvies van 12 jaar geldt. Volgens [appellante] moet een burger op de juistheid van overheidsinformatie op internet kunnen vertrouwen. Met een beroep op artikel 6:89 BW Pro en de eisen van redelijkheid en billijkheid stelt [appellante] tot slot dat de Staat veel eerder een kort geding had kunnen aanspannen.
incidentele griefwil de Staat bereiken dat de dwangsom per dag wordt verhoogd naar € 5.000,-, en dat daarbij geen, althans een hoger maximum wordt bepaald. Deze grief slaagt ten dele. Hierboven heeft het hof reeds overwogen dat [appellante] zich ook na de betekening van het bestreden vonnis onvoldoende heeft ingespannen om de gevraagde informatie te verschaffen. Het hof ziet daarin aanleiding de dwangsom voor de toekomst te verhogen naar € 2.500,- met een maximum van € 500.000,- zodat ook na de betekening van dit arrest een prikkel zal blijven bestaan voor [appellante] om aan de veroordeling te voldoen. Wel ziet het hof in de opvallend coöperatievere houding van [appellante] in de afgelopen periode aanleiding de hogere dwangsom en het hogere maximum pas te laten gelden na een termijn van twee maanden na betekening van dit arrest.