Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
C/10/398696/HA ZA 12-296
arrest van 17 februari 2015
Interconfessionele Stichting Gezondheidszorg Rivierenland,
[bedrijf],
[bedrijf],
[bedrijf],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“9. wijzen het anders of meer gevorderde af.”
- in de zaak met rolnummer 11-2184:
- in de zaak met rolnummer 12-296:
Stb.200). Op grond van art. IV lid 2 en lid 4 van deze wet is in deze zaak het oude recht van toepassing. Verwijzingen naar artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zullen, tenzij anders vermeld, betrekking hebben op het oude recht.
Het scheidsgerecht beslist als goede mannen naar billijkheid, tenzij partijen het bij overeenkomst opdracht hebben gegeven te beslissen naar de regelen des rechts.” In het kort geding vonnis (blz. 3) is vermeld dat partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling de arbiter hebben meegedeeld
“dat zij zijn overeengekomen dat de arbiter zijn taak zal dienen te vervullen naar de regelen des rechts”. Op blz. 4 van dat kort geding vonnis is vermeld:
“Nu partijen dienaangaande overeenstemming hebben bereikt zal het Scheidsgerecht deze zaak beslissen naar de regelen des rechts.”De vaststellingsovereenkomst is gesloten
nadathet kort geding vonnis is gewezen. Indien de bedoeling van partijen was geweest, zoals ZRT stelt, dat het scheidsgerecht ook in de arbitrale bodemprocedure zou oordelen naar de regelen des rechts, had het op haar weg gelegen dit expliciet in de vaststellingsovereenkomst op te nemen. In de vaststellingsovereenkomst is een dergelijke bepaling echter niet opgenomen. Mede in het licht hiervan heeft het scheidsgerecht de geciteerde passages uit het kort geding vonnis aldus mogen opvatten dat de door partijen bereikte overeenstemming slechts betrekking had op het arbitraal kort geding. Wanneer partijen zijn overeengekomen dat, in afwijking van de hoofdregel van art. 45 lid 1 NAI Pro-reglement, het scheidsgerecht dient te beslissen naar de regelen des rechts, dienen zij dat het scheidsgerecht (voldoende duidelijk) mede te delen. Voor een onderzoeksplicht van het scheidsgerecht als door ZRT bepleit (memorie van grieven, nr. 107) ziet het hof dan ook geen grond. Grief 9 faalt derhalve.
- dat de tussentijdse ontbinding per 31 januari 2007 een deugdelijke ingebrekestelling ontbeert;
- dat de door ZRT gestelde gebreken geen tussentijdse ontbinding kunnen rechtvaardigen;
- dat de opdrachtgever op de voet van paragraaf 14 lid 7 UAV 1989 bevoegd is de aannemer op te dragen het werk in onvoltooide staat te beëindigen;
- dat in het geval geen sprake kon zijn van een rechtsgeldige tussentijdse ontbinding, deze ontbinding wordt geconverteerd in een opzegging op de voet van paragraaf 14 lid 7 UAV 1989 en de rechtsgevolgen intreden als omschreven in paragraaf 14 lid 10 UAV 1989;
- dat de afwikkeling van de opdracht derhalve dient te geschieden op basis van opzegging door ZRT van de opdracht op de voet van genoemde bepalingen, nu van een afwijkende regeling niet is gebleken;
- dat een en ander tot gevolg heeft dat [geïntimeerde] recht heeft op de aanneemsom onder aftrek van de door haar bespaarde kosten.
“of anders toewijzen dan gevorderd”in art. 1065 lid 5 Rv Pro, vermag het hof niet in te zien. Grief 5 faalt derhalve, evenals grief 4, voor zover daarmee geklaagd wordt dat meer is toegewezen dan gevorderd. Voor zover grief 4 erover klaagt dat het scheidsgerecht anders heeft toegewezen dan gevorderd, faalt deze eveneens omdat deze klacht niet is uitgewerkt zodat daaruit niet valt op te maken welk onderdeel van het dictum ZRT hiermee op het oog heeft.
- ZRT wijst in de eerste plaats op r.o. 5.8, waar de rechtbank de gedachtegang in het arbitraal vonnis aldus samenvat dat geen sprake was van een rechtsgeldige ontbinding en dat er om die reden voor het scheidsgerecht geen reden meer was om de stellingen van ZRT over door [geïntimeerde] niet of niet goed uitgevoerde werkzaamheden (meer en detail) na te lopen. Het hof ziet niet in dat hieruit blijkt van vooringenomenheid van het scheidsgerecht, reeds omdat het oordeel van het scheidsgerecht in de eerste plaats gebaseerd was op de vaststelling dat een behoorlijke ingebrekestelling ontbrak.
- De rechtbank heeft in (de tweede) r.o. 5.8 één punt genoemd waar “wellicht” sprake is geweest van aanvulling van feiten door het scheidsgerecht, nl. waar het scheidsgerecht had overwogen dat volgens de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuis Apothekers de ziekenhuisapotheker sinds 2002 verantwoordelijk is voor de veilige ingebruikname van het systeem van de medische gassen (arbitraal vonnis, p. 39, onderaan). Het hof is van oordeel dat de hier bedoelde vaststelling in het arbitraal vonnis kennelijk slechts een overweging ten overvloede vormt. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat ook als dit punt in het partijdebat niet aan de orde zou zijn geweest, zulks in elk geval niet van zodanig gewicht is dat daaraan consequenties dienen te worden verbonden.
- De rechtbank stelt in r.o. 5.9.3 vast dat de advocaat van [geïntimeerde] en de voorzitter van het scheidsgerecht wellicht minder afstandelijk met elkaar omgingen dan bij de rechtbank gebruikelijk is. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze overweging echter niet het scheidsgerecht in dit opzicht vooringenomen was.
- De rechtbank is van oordeel dat het scheidsgerecht “wellicht” onvoldoende streng heeft gereageerd op het niet meteen sturen van een kopie aan de wederpartij van brieven. Op grond van hetgeen ZRT in dit verband heeft gesteld (inleidende dagvaarding in de zaak met rolnr. 11-2184, nr. 140 e.v.) onderschrijft het hof dat oordeel, maar daaruit volgt niet – ook niet in samenhang met de andere door ZRT opgeworpen punten – dat het scheidsgerecht vooringenomen of partijdig is geweest.
- In de omstandigheid dat het scheidsgerecht niet op elk van de vele brieven van ZRT heeft gereageerd, ziet het hof evenmin als de rechtbank een aanwijzing voor vooringenomenheid. Niet gebleken is dat ZRT onvoldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunten (schriftelijk en bij de drie mondelinge behandelingen) aan het scheidsgerecht kenbaar te maken. Het scheidsgerecht was niet gehouden om op elke brief afzonderlijk te reageren.
“Dit uitgangspunt brengt mee, dat aan de rechtbank niet voorligt of de beslissingen van het scheidsgerecht juist zijn en dat voorts slechts in zeer beperkte mate ruimte bestaat om in te gaan op de door partijen in de arbitrale procedure ontwikkelde stellingen. De rechtbank dient zich te beperken tot de vraag of sprake is van één van de expliciet in de wet (art. 1065 Rv Pro) genoemde gronden voor vernietiging.”Volgens de toelichting op de grief kan uit deze overweging worden afgeleid dat de rechtbank een te enge uitleg geeft aan de wettelijke vernietigingsgronden. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank volgens ZRT miskend dat het in strijd is met de opdracht van het scheidsgerecht om partijen ongelijk te behandelen en partijdig te zijn, hetgeen de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1 sub c Rv Pro oplevert.