In deze zaak vordert eiseres, producent van acrylbakjes, dat CTAV wordt verboden verdere inbreuk te maken op haar auteursrecht. Een kort geding vonnis uit 1989 bevestigde het verbod met dwangsommen tegen CTAV wegens inbreuk. Dit verbod werd later door de bodemrechter en het hof bekrachtigd. CTAV verkocht echter toch soortgelijke bakjes, waarop eiseres aanspraak maakte op verbeurde dwangsommen.
CTAV vordert vervolgens bij de President van de Rechtbank Amsterdam een verbod tegen eiseres om verdere executiemaatregelen te treffen. De President wijst dit gedeeltelijk toe, waarna beide partijen hoger beroep instellen. Het hof bekrachtigt het vonnis, waarbij het verbod met dwangsom blijft gelden zolang de bodemrechter het niet heeft opgeheven of vervangen.
De Hoge Raad oordeelt dat het verbod met dwangsom uit het kort geding zijn werking behoudt na de bodemprocedure, tenzij de bodemrechter het verbod geheel vervangt of opheft. Ook bevestigt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het verbod geldt per gebruikelijke handelsverpakking, een feitelijke beoordeling die in cassatie niet wordt getoetst.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en laat iedere partij haar eigen kosten dragen. Hiermee wordt de rechtszekerheid omtrent de werking van verbodsbepalingen met dwangsom in auteursrechtelijke geschillen bevestigd.