ECLI:NL:GHARN:2011:BR4574
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrekbaarheid van heffingsrente en invorderingsrente in inkomstenbelasting
Belanghebbende was in geschil met de Belastingdienst over de aftrekbaarheid van betaalde heffingsrente en invorderingsrente in verband met aanslagen inkomstenbelasting over meerdere jaren. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, kwam de zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem.
Het hof stelde vast dat belanghebbende aanzienlijke rente had ontvangen op een banktegoed dat groter was dan de belastingschulden waarvoor uitstel van betaling was verleend. Belanghebbende had de aanslagen en de rente in 1998 betaald en wilde de betaalde heffings- en invorderingsrente als aftrekbare kosten in mindering brengen op zijn inkomen uit vermogen.
Het hof oordeelde dat de invorderingsrente als kosten voor het behoud van inkomsten uit vermogen kon worden aangemerkt en dus aftrekbaar was, omdat belanghebbende bewust de belastingschulden onbetaald liet om rente te ontvangen. De heffingsrente daarentegen, die betrekking had op een periode vóór het formeel vaststaan van de belastingschuld, kon niet als aftrekbare kosten worden beschouwd. Het hof verwierp ook het beroep op redelijke wetstoepassing en het eigendomsrecht onder het EVRM.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard, en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 735.402. Tevens werd belanghebbende het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat invorderingsrente aftrekbaar is, heffingsrente niet, en vermindert het belastbaar inkomen dienovereenkomstig.