ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4209
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid bestuurder voor onbetaalde loon- en omzetbelasting ondanks betwisting bewijsvermoeden
Belanghebbende is als bestuurder van A BV aansprakelijk gesteld voor onbetaalde loon- en omzetbelasting, inclusief rente en kosten, over de jaren 1998 en 1999. De BV heeft geen melding van betalingsonmacht gedaan, waardoor op grond van artikel 36, vierde lid, IW 1990 het bewijsvermoeden geldt dat de niet-betaling aan de bestuurder is te wijten.
Belanghebbende voerde aan dat dit bewijsvermoeden strijdig is met Europees recht en dat de naheffingsaanslagen onterecht hoog zijn vastgesteld, met name vanwege de kwalificatie van betalingen aan zogenaamde intermediairs als loon zonder inhouding van loonheffing. Het hof oordeelt dat de regeling van artikel 36 IW Pro 1990 niet in strijd is met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel en dat belanghebbende het tegenbewijs niet heeft geleverd.
Verder stelt het hof vast dat de BV in strijd met de fiscale verplichtingen heeft gehandeld door onjuiste of niet gedane aangiften en het niet inhouden van loonheffing op betalingen aan intermediairs die als dienstbetrekking worden aangemerkt. De stelling van belanghebbende dat hij niet verantwoordelijk is voor het niet betalen van de aanslagen wordt verworpen, hoewel hij niet aansprakelijk is voor het niet verstrekken van een lening om betaling mogelijk te maken.
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarbij geen proceskosten worden toegewezen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurder en verklaart het hoger beroep ongegrond.