ECLI:NL:GHARL:2026:850

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
23/2542
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 8 Uitvoeringsregeling BPMArt. 110 VWEUArt. 19a lid 3 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardevermindering en overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van €7.751 na een controle waarbij geen waardevermindering wegens schade werd erkend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde verminderd moest worden wegens meer dan normale gebruiksschade en schadeverleden, en dat een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moest worden toegekend.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de auto op het moment van aangifte daadwerkelijk schade had die in mindering kon worden gebracht, mede omdat de auto niet was getoond voor controle en het taxatierapport niet toereikend was. Ook slaagde belanghebbende er niet in aannemelijk te maken dat sprake was van een waardevermindering wegens schadeverleden conform de maatstaven van de Hoge Raad en het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro.

Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met bijna acht maanden was overschreden, waarvoor een immateriële schadevergoeding van €1.000 werd toegekend. Voor de overschrijding in de hogerberoepsfase werd een vergoeding van €500 toegekend. De naheffingsaanslag werd verminderd tot €7.643. Daarnaast werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten, en de Staat tot vergoeding van immateriële schade in hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag BPM verminderd tot €7.643 en immateriële schadevergoedingen toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2542
uitspraakdatum: 10 februari 2026
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 11 juli 2023, nummer ARN 22/384, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 7.751.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een uitdraai van een e-mailbericht ingebracht.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Mercedes-Benz A-klasse A35 (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 1.312 aan BPM voldaan. Bij de aangifte op 4 maart 2020 is een taxatierapport van 27 februari 2020 gevoegd waarin de herstelkosten – blijkens een opname door de taxateur op 8 januari 2020 – zijn gecalculeerd op € 39.881. Blijkens het rapport zijn deze herstelkosten voor een bedrag van € 39.631 als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde die is gebaseerd op een koerslijst.
2.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd de auto op 10 maart 2020 te tonen bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De auto is niet getoond. DRZ heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ verricht. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport is geen bedrag vanwege schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 7.751. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 54.734
BPM (CO2-uitstoot 167 gr/km)
16.082
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
70.816
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray marge)
37.896
Schade
-/- 0
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
37.896
Afschrijving
46,49%
Historische BPM (CO2-uitstoot 169 gr/km)
€ 16.938
Afschrijving (46,49%)
-/- 7.875
= Verschuldigde BPM
9.063
Extra leeftijdskorting
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 1.312
Naheffingsaanslag
€ 7.751
2.3.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
( i) dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met € 39.631 wegens meer dan normale gebruiksschade;
(ii) dat de handelsinkoopwaarde met € 3.068 moet worden verminderd wegens het schadeverleden van de auto;
(iii) dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10, lid 2, Wet BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto is verschuldigd, en niet aan de hand van de (lagere) BPM die voor de referentieauto is verschuldigd;
(iv) dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase heeft toegekend; en
( v) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
Volgens de Inspecteur dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard en de naheffingsaanslag, overeenkomstig het standpunt (iii) van belanghebbende, te worden verminderd tot € 7.643.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag.

4.Beoordeling van het geschil

Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.1.
Het belastbare feit voor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) was tot en met 2021 het tijdstip waarop de registratie - dat wil zeggen inschrijving en tenaamstelling – werd voltooid. Vanaf 2022 is het belastbare feit reeds bij de inschrijving voltooid.
4.2.
Belanghebbende beroept zich evenwel op het goedkeurende beleid zoals neergelegd in het Besluit van 27 september 2021, Stcrt. 2021, 43482. Daarin heeft de staatssecretaris in onderdeel 6.6 goedgekeurd dat de belastingplichtige de verschuldigde BPM mag bepalen aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend. Blijkens artikel II van dit Besluit werkt de goedkeuring slechts terug tot en met 26 maart 2021, maar beide partijen zijn eensluidend van mening dat op basis van later beleid deze goedkeuring ook betrekking heeft op aangiften die zijn ingediend voor 26 maart 2021, [1] zodat het Hof daarvan uitgaat. Dit betekent dat belanghebbende de verschuldigde BPM moet bepalen naar de verwachte staat waarin de auto verkeert op het tijdstip dat de aangifte BPM wordt ingediend.
4.3.
In het onderhavige geval heeft belanghebbende op 4 maart 2020 aangifte BPM gedaan. Het bij de aangifte overgelegde taxatierapport vermeldt dat de auto is getaxeerd naar de staat waarin deze verkeerde bij opname door de taxateur op 8 januari 2020. In dit taxatierapport is vermeld dat de auto schade heeft.
4.4.
Naar aanleiding van de aangifte is aan belanghebbende schriftelijk verzocht om de auto op 10 maart 2020 bij DRZ te tonen voor een controle van de aangegeven waarde. In de brief is belanghebbende erop gewezen dat hij op grond van artikel 10, lid 8, Wet BPM en artikel 8, lid 8, Uitvoeringsregeling BPM verplicht is om de auto voor controle te tonen. Belanghebbende heeft de auto niet getoond.
4.5.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat op basis van zijn taxatierapport schade in aanmerking moet worden genomen. Redengevend voor dit bewijsoordeel is ten eerste dat belanghebbendes taxateur de auto op 8 januari 2020 - bijna twee maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de aangifte is ingediend - fysiek heeft opgenomen, waardoor gelet op het tijdsverloop onduidelijk is of deze opname is verricht naar de verwachte staat van de auto ten tijde van de aangifte begin maart 2020. Ten tweede heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat de in het taxatierapport in aanmerking genomen schade aan het motorblok pas na januari 2020 is ontstaan, en dat zijn taxateur deze schade tijdens de fysieke opname op 8 januari 2020 dus niet zelf heeft waargenomen. Ten derde heeft de Inspecteur, door het niet voldoen aan de toonplicht door belanghebbende, de auto niet kunnen schouwen, zodat onduidelijk is in welke staat de auto verkeerde begin maart 2020. Gelet op de op belanghebbende rustende bewijslast werkt voornoemde twijfel over de door belanghebbende gestelde schade, ten nadele van belanghebbende. Met de door belanghebbende bij het hogerberoepschrift ingebrachte foto’s en bankoverschrijving, alsmede de ter zitting van het Hof overgelegde e-mail van 19 februari 2020 en de factuur van 13 februari 2020 van Baan Twente is voornoemde twijfel niet weggenomen.
4.6.
Gelet op het vorenstaande is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd en faalt zijn betoog dat sprake is van waardevermindering wegens schade.
Schadeverleden
4.7.
Het in aanmerking nemen van een (extra) waardevermindering wegens een (ernstig) schadeverleden van een auto kan door een belastingplichtige in een concreet geval op twee manieren worden bewerkstelligd, te weten (i) via de weg van de in artikel 10, leden 8 en 9, van de Wet BPM vervatte taxatiemethode of (ii) via de weg van het in artikel 110 VWEU Pro vervatte discriminatieverbod. [2]
4.8.
Wat betreft de toepassing van de taxatiemethode en de daarbij geldende bewijsregels verwijst het Hof naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310.
4.9.
Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad ligt het op de weg van belanghebbende te stellen en – zoals hier – bij betwisting aannemelijk te maken dat de Inspecteur de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende stelt dat die waarde met € 3.068 te hoog is vastgesteld omdat in die waardebepaling ten onrechte geen rekening is gehouden met een waardevermindering wegens ernstig schadeverleden. Nu de Inspecteur dit gemotiveerd betwist, dient belanghebbende aannemelijk te maken – kort gezegd – dat sprake is van een auto met een schadeverleden waarvan een blijvende waardevermindering uitgaat en, zo daarvan sprake is, hoeveel die waardevermindering beloopt.
4.10.
Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot de auto sprake is van een waardevermindering wegens het schadeverleden. Het taxatierapport dat door belanghebbende bij de aangifte is gebruikt, is daartoe niet toereikend, aangezien in dat rapport geen rekening is gehouden met een waardevermindering wegens schadeverleden.
4.11.
De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode zijn aanspraak op een waardevermindering wegens schadeverleden kan verzilveren, laat onverlet dat hij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan bpm hoger is dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende. [3]
4.12.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien hij in deze procedure geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De NIVRE-richtlijn – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door hem in hoger beroep bepleite vermindering wegens schadeverleden.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn bij Rechtbank
4.13.
Blijkens het proces-verbaal heeft belanghebbende ter zitting van de Rechtbank verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft ten onrechte niet beslist op dit verzoek.
4.14.
De Inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 28 oktober 2020. De Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 29 november 2021. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 11 juli 2023. De redelijke termijn van twee jaar is daarom met bijna acht maanden overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op € 1.000. De redelijke termijn voor de bezwaarfase (van een half jaar|) is met acht maanden overschreden, zodat de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade van € 1.000. Ook moeten aan belanghebbende de proceskosten en het griffierecht worden vergoed. [4]
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn bij Hof
4.15.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Dit betoog slaagt.
4.16.
Het hoger beroepschrift is ontvangen op 17 augustus 2023. Met onderhavige uitspraak is de redelijke termijn met minder dan een half jaar overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op € 500. [5] De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Slotsom
Gelet op het overwogene in 3.3 en 4.14 wordt het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 181 en € 274.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.332 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666) € 1.868 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934) en € 1.868 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934). Voor het in hoger beroep gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt geen aanvullend punt toegekend. [6]
5.4.
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.6) ziet het Hof aanleiding artikel 2, lid 3, Bpb toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. De verschillende zaken zelf zijn daarbij niet inhoudelijk behandeld. In aanmerking genomen deze bijzondere omstandigheden, zou het vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Bpb voor de comparitiefase waarin twee zittingen zijn gehouden en verschillende stukken zijn gewisseld naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127). Daarom kent het Hof voor de comparitiefase per (samenhangende) zaak een vergoeding van € 400 toe.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 7.643;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tot een bedrag van € 1.000;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor bezwaar, beroep en hoger beroep tot een totaalbedrag van € 5.468;
  • draagt de Inspecteur op de door belanghebbende betaalde griffierechten van € 181 en € 274 te vergoeden; en
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(K. de Jong-Braaksma) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. KG:013:2022:5.
2.Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
3.Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
4.HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.
5.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift op 10 november 2023 is ingediend.
6.Vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, waarin de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond heeft verklaard en tevens een vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend. De staatssecretaris is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie tot een bedrag van € 3.628, te weten vier punten (cassatieberoepschrift en repliek) x € 907 x gewichtsfactor 1. Daarbij is de Staat niet veroordeeld in de proceskosten voor het ingediende schadeverzoek.