ECLI:NL:GHARL:2026:659

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
21-000734-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verduistering en oplichting door financieel beheerder van kwetsbare man

De verdachte werd beschuldigd van verduistering van aanzienlijke geldbedragen van een hoogbejaarde en kwetsbare man waarvoor zij financieel beheerder was, oplichting van een zorgverzekeraar door het indienen van vervalste declaraties, meermalen gepleegde valsheid in geschrift en het bezit van cocaïne.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het stelde vast dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan verduistering van ruim €106.000 over een periode van vijf jaar, oplichting van de zorgverzekeraar voor ruim €8.700, en het bezit van cocaïne. De dochter van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering omdat zij niet rechtstreeks schade had geleden, maar de schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd ten behoeve van het slachtoffer, welk bedrag via erfopvolging aan de erfgenaam toekomt.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de lange duur van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte deed afstand van inbeslaggenomen goederen, zodat hierover geen beslissing werd genomen.

De schadevergoedingsmaatregel werd vastgesteld op €106.259,13 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 oktober 2019, met toepassing van vervangende gijzeling. De vorderingen van de benadeelde partij werden niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bepaalde dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf (6 maanden voorwaardelijk) en taakstraf van 120 uren wegens verduistering, oplichting, valsheid in geschrift en bezit van cocaïne.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000734-23
Uitspraakdatum: 4 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 31 januari 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-134498-20 en 81-294661-20, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 21 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 16-134498-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis;
  • veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 81-294661-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde en tot een taakstraf van 60 uren te vervangen door 30 uren hechtenis;
  • niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [nabestaande van aangever] ;
  • oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [nabestaande van aangever] voor een bedrag van € 112.124,13, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van vervangende gijzeling.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. M.P.K. Ruperti, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. F.A. ten Berge, hebben aangevoerd.
Vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 31 januari 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, de volgende beslissingen genomen:
  • bewezenverklaring van alle feiten;
  • veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
  • onttrekking aan het verkeer van alle inbeslaggenomen goederen;
  • niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaande van aangever] en [bedrijf] ;
  • oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [nabestaande van aangever] voor een bedrag van € 106.259,13 vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van vervangende gijzeling.
Het hof komt deels tot een andere bewezenverklaring en legt aan verdachte een andere straf op dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 16-134498-20:
1.
zij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 07 oktober 2019 te [plaats] en/of [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen (met een totale hoeveelheid van ongeveer 142.626,- euro), in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten (telkens) als financiële zaaksbeheerder met notariële volmacht, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2.
zij, op of omstreeks 12 mei 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 0,16 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Zaak met parketnummer 81-294661-20 (gevoegd):
1.
zij in of omstreeks de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017 te [plaats] en/of te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zichzelf en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door het aanwenden van listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, een zorgverzekeraar, te weten [bedrijf] , heeft bewogen tot de bancaire afgifte van een of meer geldbedragen (van in totaal tenminste €8.790,35) en tot het tenietdoen van inschulden, immers heeft zij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens valselijk declaraties en/of facturen van verleende zorg opgemaakt en/of ingediend van:
tandarts [naam] , te weten:
- de declaraties op naam van [naam 4] , gecodeerd met DOC-004-03, en [naam 1] , gecodeerd met DOC-004-07 en DOC-004-08
en/of
[bedrijf 1] , te weten:
- de facturen op naam van [naam 1] , gecodeerd met DOC-002-22, [naam 4] , gecodeerd met DOC-002-24 en DOC-002-25, [naam 2] , gecodeerd met DOC-002-27 en DOC-002-28, en [naam 3] , gecodeerd met DOC-002-26 en DOC-002-29
en/of
[bedrijf 2] , te weten:
- de facturen op naam van de ouders van [naam 2] , gecodeerd met DOC-002-02 en DOC-002-08, de ouders van [naam 3] , gecodeerd met DOC-002-004 en DOC-002-009, [naam 4] , gecodeerd met DOC-002-03, DOC-002-07, DOC-002-10, DOC-002-12, DOC-002-15 en DOC-002-18,
waardoor voornoemde zorgverzekeraar telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften en tot het teniet doen van inschulden;
2.
zij in of omstreeks de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017 te [plaats] en/of te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer facturen en/of declaratieformulieren, te weten
DOC-004-03 : een declaratie d.d. 25-09-2014 van tandarts [naam] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 763,43 en/of
DOC-004-07 : een declaratie d.d. 22-09-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 807,43 en/of
DOC-004-08 : een declaratie d.d. 25-10-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 222,09 en/of
DOC-002-22 : een factuur d.d. 02-01-2017 van de [bedrijf 1] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 1110,-- en/of
DOC-002-24 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 360,-- en/of
DOC-002-25 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 315,-- en/of
DOC-002-27 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 315,-- en/of
DOC-002-28 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 360,-- en/of
DOC-002-26 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 360,-- en/of
DOC-002-29 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 315,-- en/of
DOC-002-02 : een factuur d.d. 31-7-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 529,50 en/of
DOC-002-03 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 741,30 en/of
DOC-002-04 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 529,50 en/of
DOC-002-07 : een factuur d.d. 31-07-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 755,30 en/of
DOC-002-08 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 215,80 en/of
DOC-002-09 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 215,80 en/of
DOC-002-10 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 215,80 en/of
DOC-002-12 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en/of
DOC-002-15 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en/of
DOC-002-18 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80,
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die facturen en declaratieformulieren vermeld dat de op deze facturen en declaratieformulieren genoemde verzekerde(n) en/of perso(o)n(en) een behandeling hadden ondergaan en zorgkosten hadden gemaakt bij tandarts [naam] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken
en/of
zij in of omstreeks de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017 te [plaats] en/of te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, immers heeft zij, verdachte, valse facturen en declaratieformulieren, te weten DOC-004-03 : een declaratie d.d. 25-09-2014 van tandarts [naam] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 763,43 en/of
DOC-004-07 : een declaratie d.d. 22-09-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 807,43 en/of
DOC-004-08 : een declaratie d.d. 25-10-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 222,09 en/of
DOC-002-22 : een factuur d.d. 02-01-2017 van de [bedrijf 1] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 1110,-- en/of
DOC-002-24 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 360,-- en/of
DOC-002-25 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 315,-- en/of
DOC-002-27 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 315,-- en/of
DOC-002-28 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 360,-- en/of
DOC-002-26 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 360,-- en/of
DOC-002-29 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 315,-- en/of
DOC-002-02 : een factuur d.d. 31-7-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 529,50 en/of
DOC-002-03 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 741,30 en/of
DOC-002-04 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 529,50 en/of
DOC-002-07 : een factuur d.d. 31-07-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 755,30 en/of
DOC-002-08 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 215,80 en/of
DOC-002-09 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 215,80 en/of
DOC-002-10 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 215,80 en/of
DOC-002-12 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en/of
DOC-002-15 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en/of
DOC-002-18 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80,
telkens verzonden en/of laten inzenden aan een zorgverzekeraar, bestaande die valsheid hieruit dat op die facturen en/of declaratieformulieren, telkens valselijk was vermeld dat de op deze facturen en/of declaratieformulieren genoemde verzekerde(n) en/of perso(o)n(en) een behandeling hadden ondergaan en zorgkosten hadden gemaakt bij tandarts [naam] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Nu verdachte alle feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend terwijl de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Zaak met parketnummer 16-134498-20
Feit 1
1. de door verdachte op de zitting van het hof van 21 januari 2026 afgelegde (bekennende) verklaring;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 oktober 2019, opgenomen op pagina 12 e.v. van deel 1 van het dossier van Politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2020242418 van 29 juli 2020, inhoudende de verklaring van [aangever] ;
Feit 2
1. de door verdachte op de zitting van het hof van 21 januari 2026 afgelegde (bekennende) verklaring;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 18 mei 2020, opgenomen op pagina 133 e.v. van deel 1 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
3. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 12 mei 2020, opgenomen op pagina 146 van deel 1 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 8 juni 2020, opgenomen op pagina 160 e.v. van deel 1 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .
Zaak met parketnummer 81-294661-20
Feiten 1 en 2
1. de door verdachte op de zitting van het hof van 21 januari 2026 afgelegde (bekennende) verklaring;
2. een schriftelijk bescheid, te weten de aangifte namens [bedrijf] , opgenomen op pagina 98 e.v. van het dossier van Inspectie SZW met nummer 6640-2018-2153 van 20 juli 2019, inhoudende de verklaring van [naam] .

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-134498-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 81-294661-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 16-134498-20:
1.
zij op tijdstippen in de periode van 13 maart 2014 tot en met 07 oktober 2019 te [plaats] en/of [plaats] , gemeente [gemeente] , telkens opzettelijk geldbedragen tot een totaalbedrag van € 106.259,13, telkens toebehorende aan [aangever] , en welke gelden verdachte telkens anders dan door misdrijf onder zich had, te weten telkens als financiële zaaksbeheerder met notariële volmacht, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend;
2.
zij op 12 mei 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,16 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Zaak met parketnummer 81-294661-20 (gevoegd):
1.
zij in de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , meermalen, met het oogmerk om zichzelf en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door het aanwenden van listige kunstgrepen, een zorgverzekeraar, te weten [bedrijf] , heeft bewogen tot de bancaire afgifte van geldbedragen van in totaal tenminste €8.790,35 immers heeft zij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens valselijk declaraties en facturen van verleende zorg opgemaakt en ingediend van:
tandarts [naam] , te weten:
- de declaraties op naam van [naam 4] , gecodeerd met DOC-004-03, en [naam 1] , gecodeerd met DOC-004-07 en DOC-004-08
en
[bedrijf 1] , te weten:
- de facturen op naam van [naam 1] , gecodeerd met DOC-002-22, [naam 4] , gecodeerd met DOC-002-24 en DOC-002-25, [naam 2] , gecodeerd met DOC-002-27 en DOC-002-28, en [naam 3] , gecodeerd met DOC-002-26 en DOC-002-29
en
[bedrijf 2] , te weten:
- de facturen op naam van de ouders van [naam 2] , gecodeerd met DOC-002-02 en DOC-002-08, de ouders van [naam 3] , gecodeerd met DOC-002-004 en DOC-002-009, [naam 4] , gecodeerd met DOC-002-03, DOC-002-07, DOC-002-10, DOC-002-12, DOC-002-15 en DOC-002-18,
waardoor voornoemde zorgverzekeraar telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften
2.
zij in de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , meermalen, facturen en/of declaratieformulieren, te weten
DOC-004-03 : een declaratie d.d. 25-09-2014 van tandarts [naam] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 763,43 en
DOC-004-07 : een declaratie d.d. 22-09-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 807,43 en
DOC-004-08 : een declaratie d.d. 25-10-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 222,09 en
DOC-002-22 : een factuur d.d. 02-01-2017 van de [bedrijf 1] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 1110,00 en
DOC-002-24 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 360,00 en
DOC-002-25 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 315,00 en
DOC-002-27 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 315,00 en
DOC-002-28 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 360,- en
DOC-002-26 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 360,00 en
DOC-002-29 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 315,00 en
DOC-002-02 : een factuur d.d. 31-7-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 529,50 en
DOC-002-03 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 741,30 en
DOC-002-04 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 529,50 en
DOC-002-07 : een factuur d.d. 31-07-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 755,30 en
DOC-002-08 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 215,80 en
DOC-002-09 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 215,80 en
DOC-002-10 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 215,80 en
DOC-002-12 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en
DOC-002-15 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en
DOC-002-18 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80,
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die facturen en declaratieformulieren vermeld dat de op deze facturen en declaratieformulieren genoemde verzekerde(n) en/of perso(o)n(en) een behandeling hadden ondergaan en zorgkosten hadden gemaakt bij tandarts [naam] en [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken
en
zij in de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017 te [plaats] en/of te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, meermalen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, immers heeft zij, verdachte, valse facturen en declaratieformulieren, te weten
DOC-004-03 : een declaratie d.d. 25-09-2014 van tandarts [naam] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 763,43 en
DOC-004-07 : een declaratie d.d. 22-09-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 807,43 en
DOC-004-08 : een declaratie d.d. 25-10-2015 van tandarts [naam] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 222,09 en
DOC-002-22 : een factuur d.d. 02-01-2017 van de [bedrijf 1] aan [naam 1] voor een bedrag ad € 1110,00 en
DOC-002-24 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 360,00 en
DOC-002-25 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 315,00 en
DOC-002-27 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 315,00 en
DOC-002-28 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 2] voor een bedrag ad € 360,00 en
DOC-002-26 : een factuur d.d. 30-11-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 360,00 en
DOC-002-29 : een factuur d.d. 23-12-2014 van de [bedrijf 1] aan [naam 3] voor een bedrag ad € 315,00 en
DOC-002-02 : een factuur d.d. 31-7-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 529,50 en
DOC-002-03 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 741,30 en
DOC-002-04 : een factuur d.d. 31-07-2015 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 529,50 en
DOC-002-07 : een factuur d.d. 31-07-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 755,30 en
DOC-002-08 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 2] voor een bedrag ad € 215,80 en
DOC-002-09 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan de ouders van [naam 3] voor een bedrag ad € 215,80 en
DOC-002-10 : een factuur d.d. 31-08-2016 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 215,80 en
DOC-002-12 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en
DOC-002-15 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80 en
DOC-002-18 : een factuur d.d. 31-12-2017 van [bedrijf 2] aan [naam 4] voor een bedrag ad € 219,80,
telkens verzonden naar een zorgverzekeraar, bestaande die valsheid hieruit dat op die facturen en/of declaratieformulieren, telkens valselijk was vermeld dat de op deze facturen en declaratieformulieren genoemde verzekerde(n) en/of perso(o)n(en) een behandeling hadden ondergaan en zorgkosten hadden gemaakt bij tandarts [naam] en [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 16-134498-20 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
verduistering, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 16-134498-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 81-294661-20 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
oplichting, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 81-294661-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
en
opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van aanzienlijke geldbedragen, meermalen gepleegd over een lange periode, waarbij het slachtoffer een hoogbejaarde en kwetsbare man was voor wie verdachte de financiële administratie beheerde. Het slachtoffer heeft zijn financiën in goed vertrouwen aan verdachte toevertrouwd. Verdachte heeft in die hoedanigheid structureel gelden aan het vermogen van het slachtoffer onttrokken voor eigen gebruik. Verdachte heeft aangegeven dat zij druk heeft ervaren door haar toenmalige levensomstandigheden, maar dat rechtvaardigt haar handelen niet. Het handelen van verdachte heeft ertoe geleid dat het slachtoffer aan het einde van zijn leven werd geconfronteerd met ernstige financiële problemen en onbetaalde rekeningen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Het bezit van harddrugs draagt bij aan de instandhouding van de illegale drugsmarkt en brengt risico’s mee voor de volksgezondheid. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift en oplichting van een zorgverzekeraar. Door het indienen van vervalste declaraties is de zorgverzekeraar voor een aanzienlijk bedrag benadeeld en is het vertrouwen dat aan het zorgstelsel ten grondslag ligt, geschaad. Verdachte heeft met dit handelen financieel voordeel voor zichzelf beoogd.
Het hof stelt vast dat sprake is van feiten die zich uitstrekken over een lange periode en die in onderlinge samenhang bezien een ernstig karakter hebben. Daarbij betrekt het hof de afhankelijkheidsrelatie waarin het slachtoffer van de verduistering verkeerde en diens hoge leeftijd en kwetsbaarheid.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op het strafblad van verdachte van 18 december 2025, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verder heeft het hof de strafbepaling de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor feiten als het onderhavige in aanmerking genomen. Bij fraude met een benadelingsbedrag van € 125.000,00 tot € 250.000,00 wordt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden gehanteerd. Dit oriëntatiepunt neemt het hof als vertrekpunt.
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals op de zitting van het hof naar voren is gebracht. Daarbij is in aanmerking genomen dat verdachte bezig is haar bestaan opnieuw op te bouwen en verantwoordelijkheid wil nemen voor haar handelen.
Het hof overweegt dat bij het bepalen van de op te leggen straf het zwaartepunt ligt op de onder 1 bewezenverklaarde verduistering. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de lange pleegperiode, de omvang van de benadeling en het misbruik maken van de kwetsbare positie van het slachtoffer, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een straf zonder vrijheidsbeneming.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, in combinatie met een taakstraf van 120 uren, passend en geboden. Met het voorwaardelijke deel van de straf en de daaraan verbonden proeftijd wordt beoogd herhaling te voorkomen en verdachte ruimte te bieden haar leven verder te stabiliseren.

Geen beslissing omtrent beslag

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte afstand gedaan van alle inbeslaggenomen voorwerpen. Daarom zijn daarover geen afzonderlijke beslissing meer vereist en zal het hof dan ook geen beslissingen nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande van aangever]

De rechtbank heeft in haar vonnis het volgende overwogen.
[nabestaande van aangever] heeft zich als nabestaande van de aangever als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 151.485,75. Dit bedrag bestaat uit
€ 148.491,00 aan materiële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit en € 2.994,75 aan proceskosten.
Op grond van artikel 361 jo Pro 51f van het Wetboek van Strafvordering moet de nabestaande niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zijzelf niet rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde. De door mevrouw krachtens erfopvolging onder algemene titel verkregen vordering van aangever kan niet als rechtstreekse schade van de erfgenaam worden aangemerkt. Omdat aangever niet ten gevolge van het bewezenverklaarde strafbare feit is overleden, kan mevrouw als enig erfgenaam van aangever zich niet als benadeelde partij voegen (ECLI:NL:HR:2010:BL9105 en ECLI:NL:HR:2014:917, ECLI:NL:GHAMS:2016:3600).
Op grond van artikel 36f van het Wetboek van strafrecht kan wel aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd voor de schade van aangever waarvoor zij naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Deze aansprakelijkheid is door aangevers overlijden niet verloren gegaan en volgens de Hoge Raad kan de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd ten behoeve van aangever. Door erfopvolging is de vordering overgegaan op zijn dochter.
Verdachte is aansprakelijk voor de schade die aangever als gevolg van de verduistering heeft geleden. Deze verduistering heeft de rechtbank vastgesteld op (ten minste)
€ 106.259.13. Dit bedrag zal als schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd ten behoeve van de aangever als benadeelde partij en komt na diens overlijden toe aan diens erfgenaam.
Het hof kan zich verenigen met voorgaande overwegingen van de rechtbank en neemt deze over. In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit het dossier volgt dat mevrouw [nabestaande van aangever] de erfenis van aangever zuiver heeft aanvaard.
Het hof zal de benadeelde partij daarom wederom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Het hof zal aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot een bedrag van € 106.259,13, ten behoeve van de aangever, welk bedrag door erfopvolging toekomt aan diens erfgenaam. Het hof merkt daarbij op dat de door mevrouw [nabestaande van aangever] gemaakte kosten na het alarmerende bericht over de financiële situatie van aangever geen deel uitmaken van deze maatregel, nu deze kosten haar eigen rechtstreekse schade betreffen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2019 en bepalen dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste 360 dagen, met dien verstande dat toepassing van gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal het hof bepalen dat ieder de eigen kosten draagt.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 225, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-134498-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 81-294661-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-134498-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 81-294661-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande van aangever]

Verklaart de benadeelde partij [nabestaande van aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-134498-20 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 106.259,13 (honderdzesduizend tweehonderdnegenenvijftig euro en dertien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 oktober 2019.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. L.J. Hofstra en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 februari 2026.