Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij centraal die in hoger beroep was overleden. De benadeelde partij had zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een vordering tot immateriële schadevergoeding van €2.500,- ingediend. Na haar overlijden werd de vordering door het hof toegewezen aan haar erfgenaam, hetgeen in cassatie ter discussie stond.
De Hoge Raad oordeelde dat het strafprocesrecht niet voorziet in de mogelijkheid dat de erfgenaam zich als benadeelde partij in het strafproces voegt en de positie van de overleden benadeelde partij overneemt. Op grond van artikel 361, vierde lid, Sv dient de rechter te beslissen op de vordering van de overleden benadeelde partij zelf, ook als deze in hoger beroep is overleden.
Het hof had de vordering ten onrechte als een vordering van de erfgenaam aangemerkt en daarop beslist. De Hoge Raad vernietigde dit onderdeel van het arrest en wees de vordering toe aan de overleden benadeelde partij. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. Hiermee wordt bevestigd dat de vordering tot schadevergoeding onder algemene titel overgaat op de erfgenaam, maar dat de rechter in het strafproces op de vordering van de overleden benadeelde partij beslist.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering tot schadevergoeding toe aan de overleden benadeelde partij en vernietigt het hofarrest voor zover de vordering aan de erfgenaam werd toegewezen.