ECLI:NL:GHARL:2026:465

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
200.343.795
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:73 BWArt. 5:74 BWArt. 5:78 BWArt. 3:296 BWArt. 738 BW (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik van erfdienstbaarheid door derden voor nagelstudio toegestaan

In deze civiele zaak tussen buren over de uitleg van een erfdienstbaarheid van weg, staat centraal of alleen eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen het pad mogen gebruiken, of ook derden zoals bezoekers van een nagelstudio.

De rechtbank wees alle vorderingen af, waarna beide partijen in hoger beroep gingen. Het hof oordeelt dat derden het pad mogen gebruiken om de nagelstudio te bereiken, omdat de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid dit niet beperkt en ook de plaatselijke gewoonte en wijze van uitoefening dit niet uitsluiten.

Het hof verbiedt de geïntimeerde om haar kinderen en hun vrienden de toegang tot de garage van appellant te laten belemmeren en gelast haar de heg gesnoeid te houden, met een mogelijkheid voor appellant om zelf te snoeien bij nalatigheid. Anderzijds wordt appellant verboden bezoekers fysiek te blokkeren of het pad te belemmeren. Overige vorderingen, zoals het verwijderen van een camera en verbod op beschadiging van eigendommen, worden afgewezen. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Derden mogen het pad gebruiken voor de nagelstudio; wederzijdse verboden en geboden worden opgelegd om het gebruik en onderhoud van het pad te reguleren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200. 343 .795
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 305292
arrest van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats] ( [provincie] )
hierna: [appellant]
advocaat: mr. R. Rijkeboer-Kollee
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats] ( [provincie] )
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. F.J.M. Kobossen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • een akte bevattende producties namens [geïntimeerde]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 november 2025 is gehouden.
1.2.
Op de mondelinge behandeling wees mr. Rijkeboer-Kollee nog op een akte met producties die zij namens [appellant] had overgelegd. Het hof heeft die akte niet ontvangen. Met mr. Rijkeboer-Kollee is afgesproken dat de akte met producties na de mondelinge behandeling nog zou worden toegezonden. Het hof heeft die akte niet meer ontvangen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] en [geïntimeerde] zijn buren van elkaar. Tussen hun woningen ligt een pad dat is bezwaard met een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van elkaars erven. Achter de woning van [geïntimeerde] wordt (of werd) een nagelstudio geëxploiteerd. In geschil is of alleen de eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen van het pad gebruik mogen maken, of dat ook anderen, zoals bezoekers van de nagelstudio, het pad mogen gebruiken.
2.2.
[appellant] en [geïntimeerde] hebben, over en weer, bij de rechtbank gevorderd elkaar verschillende verboden en geboden op te leggen. Zo wil [appellant] dat [geïntimeerde] wordt verboden derden toegang te geven tot het pad om de nagelstudio te bereiken en dat haar wordt verboden dat haar kinderen met motoren over het pad rijden. [appellant] wil ook dat [geïntimeerde] wordt gelast haar heg gesnoeid te houden. [geïntimeerde] wil onder meer dat [appellant] wordt verboden om haar eigendommen te beschadigen en dat hem wordt gelast de camera, die aan zijn woning hangt, te verwijderen. Op de vorderingen van partijen zal hierna onder 3 nader worden ingegaan.
2.3.
De rechtbank heeft alle vorderingen afgewezen. [appellant] en [geïntimeerde] zijn allebei in hoger beroep gekomen. De bedoeling van het hoger beroep van zowel [appellant] als [geïntimeerde] is dat hun afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4.
Het hof is van oordeel dat derden van het pad tussen de woningen gebruik mogen maken om de nagelstudio op het perceel van [geïntimeerde] te bereiken. Het zal [geïntimeerde] daarom niet verboden worden om derden toegang tot het pad te geven. Het hof zal [geïntimeerde] wel verbieden haar zoon, dochter en vrienden van haar kinderen de toegang voor [appellant] tot zijn garage te (laten) belemmeren. Ook zal het hof haar gelasten om haar heg gesnoeid te houden. Daarnaast zal [appellant] toestemming krijgen om zelf de heg te snoeien als [geïntimeerde] daartoe na aanschrijving niet overgaat. Anderzijds zal het [appellant] worden verboden om bezoekers van de woning van [geïntimeerde] fysiek te blokkeren of om op welke wijze dan ook het pad te blokkeren en/of aan te tasten. Deze beslissingen worden hierna onder 4 toegelicht.

3.De vorderingen van partijen

De vorderingen van [appellant]
3.1.
[appellant] heeft gevorderd:
I. (primair) [geïntimeerde] te verbieden om derden toegang tot het pad te geven om de nagelstudio te bereiken en om haar zoon en dochter, alsmede vrienden (van haar kinderen), te laten rijden en/of de motor op het pad te stallen of de toegang voor [appellant] tot zijn garage te (laten) belemmeren voor meer dan 10 minuten per gebeurtenis;
II. (subsidiair) [geïntimeerde] te verbieden derden met fietsen, scooters, motoren en/of overig lawaai toegang te geven tot het pad om de nagelstudio te bereiken;
III. (primair en subsidiair) [geïntimeerde] te gelasten om haar heg gesnoeid te houden tot 1,05 meter vanaf het midden van het pad, althans toestemming te verlenen aan [appellant] om zelf de heg te snoeien.
[appellant] wil dat aan deze vorderingen een dwangsom wordt verbonden. Hij vordert ook [geïntimeerde] te veroordelen in buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
De vorderingen van [geïntimeerde]
3.2.
Als de vordering van [appellant] onder I of II (deels) slaagt, heeft [geïntimeerde] gevorderd, op straffe van verbeurte van een dwangsom:
I. (primair) [appellant] te verbieden derden toegang te geven tot het pad om de garages en de vuurwapenhandel te bereiken;
II. (subsidiair) [appellant] te verbieden derden met auto’s en voertuigen en/of lawaai toegang te geven tot het pad.
3.3.
[geïntimeerde] heeft daarnaast, na vermeerdering van eis in hoger beroep, (onvoorwaardelijk) gevorderd:
I. [appellant] te verbieden eigendommen van [geïntimeerde] zonder haar toestemming te roeren, te beschadigen of te vernielen;
II. [appellant] te verbieden om bezoekers van de woning en de overige opstallen en gronden van [geïntimeerde] lastig te vallen, ongevraagd te fotograferen, te beschimpen en fysiek te blokkeren;
III. [appellant] te gelasten de camera aan zijn woning te verwijderen, althans verbiedt om beelden op te nemen uit de tuin en achterliggende opstallen van [geïntimeerde] ;
IV. [appellant] te verbieden om de doorgang van de weg tussen de twee percelen te blokkeren en/of aan te tasten;
V. [appellant] te verbieden om met zijn auto de gronden van [geïntimeerde] te gebruiken, anders dan waartoe de erfdienstbaarheid recht geeft.
Behalve voor de vordering onder III. wil [geïntimeerde] dat aan deze vorderingen een dwangsom wordt verbonden. Zij vordert ook [appellant] te veroordelen in buitengerechtelijke incassokosten (vermeerderd met wettelijke rente) en in de proceskosten.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Mogen derden van het pad gebruikmaken? (vordering I van [appellant] )
4.1.
Tussen partijen is in geschil hoe de erfdienstbaarheid die rust op het pad tussen de woningen van [appellant] en [geïntimeerde] gebruikt mag worden. De rechtbank heeft het volgende overwogen onder rov. 5.5 van haar vonnis. Voor de uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst die besloten ligt in een notariële akte waarbij een zakelijk recht wordt gevestigd, komt het aan op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht. Deze partijbedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De ratio van deze uitlegmaatstaf is gelegen in het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit. Derden moeten kunnen afgaan op wat in een akte is vermeld. Daarnaast geldt voor de erfdienstbaarheid dat op grond van artikel 5:73 BW Pro de inhoud (en de wijze van uitoefening) van een erfdienstbaarheid worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in de akte regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bestaat er ook dan nog twijfel, dan is beslissend de wijze waarop de erfdienstbaarheid geruime tijd te goeder trouw is uitgeoefend. Uit artikel 738 lid 1 BW Pro (oud) volgt dat van een erfdienstbaarheid slechts gebruik mocht worden gemaakt volgens de titel of – bij gebreke van titel – volgens de verordeningen of plaatselijke gebruiken, en steeds op de minst bezwarende wijze. In lid 2 van artikel 738 BW Pro (oud) mocht een gerechtigde van een erfdienstbaarheid noch op het dienstbare, noch op het heersende erf, enige verandering aanbrengen waardoor de toestand van het dienstbare erf verzwaard zou worden. Tot zover (nog steeds) wat de rechtbank heeft geoordeeld.
Partijen hebben in hoger beroep geen bezwaren (grieven) aangevoerd tegen deze maatstaf van de rechtbank, zodat het hof daaraan gebonden is. Het hof voegt daaraan nog toe: (i) partijbedoelingen die niet kenbaar zijn uit de openbare registers, doen bij de uitleg van de akte niet ter zake [1] en (ii) de beginselen van redelijkheid en billijkheid spelen een rol bij de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend. [2]
4.2.
De erfdienstbaarheid van weg die bij notariële akte van 2 december 1983 is gevestigd op het pad tussen de woningen van [appellant] en [geïntimeerde] is als volgt geformuleerd (waarbij [naam] de rechtsvoorganger van [geïntimeerde] is):
‘(…) De comparanten [naam] en [appellant] verklaarden bij deze ten behoeve en ten laste van de voormelde kadastrale percelen nummers [nummer1] en [nummer2] , ten onderlinge gebruike en nutte, over en weer, te vestigen de navolgendeerfdienstbaarheid van weg;
1. het recht van weg strekt zich uit over de volle diepte van de beide voormelde kadastrale percelen (…) en een breedte zal hebben, vanaf de grens met de openbare weg tot aan de achtergevels van de op beide percelen staande woonhuizen, gelijk aan de open ruimte tussen de beide huizen en vervolgens tot aan de eindgrens (in zuidelijke richting) een totale breedte zal hebben van twee meter tien centimeter, en wel zodanig dat de kadastrale grens zal zijn gelegen in het midden van de weg (derhalve voor ieder perceel een meter en vijf centimeter);
(…) op de met erfdienstbaarheid belaste strook zal zich niets mogen bevinden, hetgeen de uitoefening daarvan mocht belemmeren, verzwaren of onmogelijk mocht maken; (…)’
4.3.
Volgens [appellant] volgt uit de tekst ‘
ten onderlinge gebruike en nutte’ dat alleen eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen onderling het pad mogen gebruiken voor het bereiken van de achterliggende garageboxen. Dat was volgens hem destijds ook de bedoeling toen [appellant] en [naam] de erfdienstbaarheid vestigden. Volgens [geïntimeerde] volgt uit de tekst van de erfdienstbaarheid niet dat derden het pad niet mogen gebruiken.
4.4.
Naar het oordeel van het hof brengt een objectieve uitleg van de tekst van de akte niet mee dat het pad alleen mag worden gebruikt door eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen. De tekst ‘
ten onderlinge gebruike en nutte’ verwijst naar ‘de voormelde kadastrale percelen’ en niet naar ‘de comparanten’, zoals [appellant] meent. Dit blijkt ook uit artikel 2 van Pro de akte van levering van de woning aan [appellant] , waarbij tevens de erfdienstbaarheid is gevestigd. Daarin is bepaald:
‘Het verkochte gaat aan de koper over in de staat waarin het zich bij het sluiten der koopovereenkomst bevond, met alle rechten en lasten en de erfdienstbaarheden, welke ten nutte en/of ten laste daarvan mochten bestaan (…)’. In deze zin slaat
‘ten nutte en/of ten laste daarvan’onmiskenbaar op
‘het verkochte’. In de akte wordt met
‘het verkochte’de woning (met ondergrond en perceel) van [appellant] bedoeld. In dezelfde zin moet ‘
ten nutte en/of ten laste’ in de tekst waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd, worden begrepen als ten nutte en/of ten laste van (het gebruik van) de percelen.
4.5.
Daarnaast is van belang dat in de tekst van de akte weliswaar ‘
De comparanten [naam] en [appellant] ’worden genoemd, maar dat daarbij niet verwezen is naar hun rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel. Tussen partijen staat vast dat de erfdienstbaarheid ook gelding heeft jegens de rechtsopvolgers van [naam] (zoals [geïntimeerde] ) en [appellant] . In het derde lid van de akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd, wordt wel verwezen naar rechtsopvolgers:
‘ieder van de beide voornoemde eigenaren (of hun rechtsopvolgers) zijn bevoegd aan het einde van de bedoelde weg de met erfdienstbaarheid belaste strook deels (op eigen grond) te bebouwen met een garage (…)’.Als ‘ten onderlinge gebruike en nutte’ slechts zou verwijzen naar ‘de comparanten’ ligt het in de rede dat ook in de omschrijving van de erfdienstbaarheid rechtsopvolgers van [naam] en [appellant] zouden zijn genoemd.
4.6.
De rechten die voortvloeien uit de erfdienstbaarheid komen daarom ook toe aan bezoekers die gebruikmaken van de percelen ten behoeve waarvan de erfdienstbaarheden zijn gevestigd. Dat zou anders kunnen zijn als uit de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid anders zou blijken, maar dat is hier niet het geval. Ook als [naam] en [appellant] voor ogen hebben gehad dat het pad alleen door de eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen gebruikt mag worden, leidt dat niet tot een ander oordeel. Als zij de erfdienstbaarheid op die manier hadden willen beperken, dan hadden zij dat in de akte tot uitdrukking moeten brengen.
4.7.
Het hof ziet ook onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de plaatselijke gewoonte op een beperking wijst in de zin dat het pad alleen mag worden gebruikt door eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen. [appellant] heeft dat onvoldoende gemotiveerd gesteld. [appellant] erkent dat een kleinschalig bedrijf zoals een nagelstudio in een woonwijk past, zodat het niet in afwijking van de plaatselijke gewoonte is als bezoekers voor het bereiken van de nagelstudio het pad gebruiken. Daarnaast geeft de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid te goeder trouw zonder tegenspraak in dit geval ook onvoldoende aanleiding om daarop de door [appellant] bepleite wijze van uitoefening te baseren. De enkele omstandigheid dat de erfdienstbaarheid niet sinds de vestiging is gebruikt door bezoekers van de nagelstudio, omdat de nagelstudio pas een aantal jaar geleden op het perceel van [geïntimeerde] is gesitueerd, maakt nog niet dat daaruit valt af te leiden dat een beperking geldt voor het gebruik van de erfdienstbaarheid door derden. Bovendien erkent [appellant] dat naast eigenaren en bewoners ook familie van hen het pad mag gebruiken. [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt op basis waarvan de erfdienstbaarheid wel ruimte biedt voor het gebruik daarvan door familie van eigenaren en bewoners, terwijl overige derden van dat gebruik zijn uitgesloten.
4.8.
[appellant] stelt ook dat het gebruik van het pad door derden om de nagelstudio te bereiken een verzwaring van de erfdienstbaarheid oplevert. Hij verwijst naar de oude bepaling in artikel 738 lid 2 BW Pro, waarin een verzwaringsverbod was opgenomen.
4.9.
Het hof oordeelt daarover als volgt. Het tot 1992 geldende BW bevatte een bepaling op grond waarvan de gerechtigde van een erfdienstbaarheid zowel op het dienende als op het heersende erf geen verandering mocht aanbrengen waardoor de toestand van het dienende erf verzwaard zou worden (artikel 738 lid 2 BW Pro (oud)). De Hoge Raad heeft de betekenis van artikel 738 lid 2 BW Pro beperkt door te oordelen dat voor de vraag, of sprake is van een door artikel 738 lid 2 BW Pro (oud) verboden verzwaring, het erop aankomt of de gewijzigde staat van het heersende erf en het daaruit voortvloeiende gebruik van de weg blijven binnen de grenzen van de last die bij de vestiging op het dienstbaar erf is gelegd. Die last kan meer omvatten dan het gebruik dat de rechthebbende, gelet op de staat van het heersend erf tijdens de vestiging, toen van de erfdienstbaarheid zou hebben gemaakt. Niet beslissend is dus, dat door de gewijzigde staat van het heersende erf op het dienende erf een zwaardere last is komen te rusten dan bij de vroegere staat van het heersende erf het geval was. [3] Dit wijkt inhoudelijk voor deze zaak niet wezenlijk af van de huidige maatstaf: naar huidig recht gaat de vraag naar de toelaatbaarheid van een verzwaring op in de vraag naar de inhoud en de omvang van de erfdienstbaarheid. Aan de hand van de maatstaven van artikel 5:73 lid 1 BW Pro zal eerst moeten worden bepaald of de geïntensiveerde uitoefening binnen de grenzen van de erfdienstbaarheid valt. Is dit het geval, dan zal de eigenaar van het dienende erf de verzwaring moeten dulden. Als sprake is van onvoorziene omstandigheden die maken dat ongewijzigde instandhouding in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd, kan door hem wijziging of opheffing van de (aldus vastgestelde) erfdienstbaarheid worden gevorderd (artikel 5:78, aanhef en sub a, BW). Wordt de verzwaring op grond van artikel 5:73 lid 1 BW Pro niet door de erfdienstbaarheid gedekt, dan hoeft zij alleen al op die grond niet te worden geduld en wordt aan de toets van artikel 5:78, aanhef en sub a, BW niet toegekomen. [4]
4.10.
Gelet op het oordeel van het hof dat gebruik van het pad door derden om de nagelstudio op het perceel van [geïntimeerde] te bezoeken binnen de grenzen van de erfdienstbaarheid valt, is geen sprake van een verzwaring van de erfdienstbaarheid. Bij gebrek aan een vordering die een wijziging van de erfdienstbaarheid op grond van onvoorziene omstandigheden inhoudt, heeft [appellant] dit gebruik te dulden. Ten overvloede overweegt het hof dat de bezoekers van de nagelstudio in ieder geval via de zijde van het pad dat in eigendom van [geïntimeerde] is de nagelstudio kunnen bereiken (dit is de helft van het pad, en betreft het deel waarop ten behoeve van het perceel van [appellant] een erfdienstbaarheid is gevestigd). Die bezoekers mogen op grond van het eigendomsrecht van [geïntimeerde] immers sowieso van dat deel van het pad gebruikmaken.
4.11.
[appellant] stelt daarnaast dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze moet geschieden (artikel 5:74 BW Pro). Volgens hem kan daarom van [geïntimeerde] verlangd worden dat zij de bezoekers van de nagelstudio via het pad aan de andere zijde van haar woning laat komen en gaan. Het hof gaat daarin niet mee. Ook als er andere manieren zijn om de nagelstudio te bereiken staat het [geïntimeerde] vrij om van de aan haar toekomende rechten op grond van de erfdienstbaarheid gebruik te maken. Zij mag het pad daarom gebruiken voor de bezoekers van de nagelstudio, zij het op de minst bezwarende wijze binnen de grenzen van de erfdienstbaarheid.
4.12.
[appellant] heeft in zijn dagvaarding nog gesteld dat een ongewijzigde instandhouding van de onderhavige situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hem kan worden gevergd. Nog daargelaten dat [appellant] deze stelling in hoger beroep niet heeft herhaald, brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mee dat het pad niet gebruikt mag worden door klanten van de nagelstudio achter de woning van [geïntimeerde] . [appellant] heeft in dit verband weliswaar gesteld dat dit gebruik levensgevaarlijke situaties zou opleveren en zijn privacy en woongenot zou schenden, maar hij heeft onvoldoende onderbouwd dat de situatie daadwerkelijk dermate ernstig is dat een andere wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid in de rede ligt. Eventuele bestuursrechtelijke beperkingen waarnaar [appellant] verwijst vallen buiten de beoordeling van dit geschil.
4.13.
Voor zover in de grieven van [appellant] gelezen moet worden dat vanwege onrechtmatige hinder een verbod aan [geïntimeerde] moet worden opgelegd geldt het volgende. De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. [5] De enkele omstandigheid dat derden van het pad gebruikmaken levert geen onrechtmatige hinder op. Het logboek waarin [appellant] heeft bijgehouden op welke momenten bezoekers het pad gebruiken en de door [appellant] overgelegde filmpjes en foto’s geven hooguit een indruk van het gebruik van het pad door bezoekers, ook in de weekenden en avonden, maar dat dat gebruik naar zijn aard, ernst en duur dermate ernstig is dat dit onrechtmatig is, wordt daarmee onvoldoende onderbouwd. Er zijn ook onvoldoende aanknopingspunten in de stellingen van [appellant] voor het bestaan van schade als gevolg van de gestelde hinder. Bij gebreke van deze nadere onderbouwing wordt niet toegekomen aan bewijslevering.
4.14.
Concluderend ziet het hof geen reden om op grond van de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan of vanwege het bestaan van onrechtmatige hinder [geïntimeerde] te verbieden derden toegang te geven tot het pad tussen de beide woningen om de nagelstudio te bereiken. Gelet daarop komt het hof niet toe aan de voorwaardelijke vordering van [geïntimeerde] onder I (rechtsoverweging 3.2).
Mogen anderen dan [appellant] en [geïntimeerde] met fietsen, scooters, motoren en/of overig lawaai toegang krijgen tot het pad? (vordering I en II van [appellant] )
4.15.
Volgens [appellant] mogen de zoon en dochter van [geïntimeerde] en hun vrienden niet over het pad rijden met motoren en mogen derden niet over het pad rijden met motoren, fietsen of scooters, omdat de erfdienstbaarheid is gevestigd ten gebruike en nutte van de eigenaren (en/of bewoners). [geïntimeerde] betwist dat de erfdienstbaarheid die beperking inhoudt.
4.16.
Dat de erfdienstbaarheid de beperking bevat dat anderen dan de eigenaren en bewoners niet met de door [appellant] bedoelde vervoersmiddelen over het pad mogen rijden blijkt niet uit de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid en is naar het oordeel van het hof door [appellant] ook onvoldoende gemotiveerd gesteld. Alleen al uit het feit dat [appellant] zelf met auto’s over het pad rijdt om zijn garage te bereiken volgt dat de erfdienstbaarheid ook het gebruik van het pad met (gemotoriseerde) voertuigen omvat. Omdat het gebruik van de erfdienstbaarheid niet is voorbehouden aan de eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen (zoals hiervoor is overwogen) en omdat uit de akte van de vestiging van de erfdienstbaarheid niet volgt dat voor de wijze van het gebruik door anderen dan de eigenaren en bewoners een beperking geldt, wordt het door [appellant] gevorderde verbod afgewezen.
4.17.
Voor zover in de grieven van [appellant] gelezen moet worden dat vanwege onrechtmatige hinder een dergelijk verbod aan [geïntimeerde] moet worden opgelegd heeft hij zijn stelling ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De enkele stelling dát de kinderen van [geïntimeerde] en derden met vervoersmiddelen van het pad gebruikmaken en dat zij daarmee overlast veroorzaken is daarvoor, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, onvoldoende.
4.18.
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan de voorwaardelijke vordering van [geïntimeerde] onder II (rechtsoverweging 3.2).
Moet [geïntimeerde] worden verboden om haar zoon en dochter en hun vrienden de toegang voor [appellant] tot zijn garage te laten belemmeren? (vordering I van [appellant] )
4.19.
[appellant] rijdt met zijn auto over het pad om zijn garage te bereiken. Vanwege de smalle doorgang op het pad zouden obstakels op het pad de doorgang voor [appellant] met zijn auto belemmeren. Hij wil daarom dat het [geïntimeerde] wordt verboden om haar kinderen en hun vrienden de toegang tot zijn garage te laten belemmeren.
4.20.
Zoals is bepaald in de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid mag zich op het pad niets bevinden dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid belemmert (rechtsoverweging 4.2, laatste zin). Gebruikers van de erfdienstbaarheid zijn, net als de eigenaren van het dienende en heersende erf, gebonden aan de inhoud van de erfdienstbaarheid. Daaruit volgt dat de gebruikers van de erfdienstbaarheid geen motoren op het pad mogen stallen, waarmee de uitoefening van de erfdienstbaarheid wordt belemmerd. [appellant] kan dan immers niet meer met zijn auto over het pad rijden. Tenzij een beding anders bepaalt, is de eigenaar van het dienende erf verplicht inbreuken op de erfdienstbaarheid te voorkomen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat een beding anders bepaalt, zodat de verplichting om inbreuken op de erfdienstbaarheid te voorkomen voor [geïntimeerde] (en [appellant] ) geldt. Die verplichting gaat naar het oordeel van het hof in dit geval zo ver dat [geïntimeerde] moet voorkomen dat haar kinderen en hun vrienden de toegang voor [appellant] tot zijn garage belemmeren (bijvoorbeeld door motoren op het pad te stallen). Het gedrag van haar kinderen en hun vrienden valt, voor zover zij zich met motoren op het pad bevinden om de garage van [geïntimeerde] te bereiken, zodanig onder haar invloedsfeer dat een belemmering van de uitoefening van de erfdienstbaarheid door hen ook aan [geïntimeerde] te wijten valt. Het zal [geïntimeerde] daarom verboden worden om haar zoon en haar dochter, alsmede hun vrienden, de toegang voor [appellant] te (laten) belemmeren tot zijn garage, voor meer dan 10 minuten aaneengesloten per gebeurtenis (zoals door [appellant] is gevorderd).
4.21.
Het hof ziet onvoldoende aanleiding om aan het verbod een dwangsom te verbinden, omdat het hof ervan uitgaat dat [geïntimeerde] zich ook zonder het risico op het verbeuren van dwangsommen zal inspannen het verbod niet te schenden. Bovendien zijn er onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat [geïntimeerde] of haar kinderen en hun vrienden de uitoefening van de erfdienstbaarheid vanwege het stallen van motoren op het pad in het verleden hebben belemmerd, wat immers door [geïntimeerde] is betwist. Ook als dat een enkele keer is gebeurd, zoals lijkt te volgen uit de door [appellant] overgelegde foto waarop te zien is dat een motor in het pad staat, is dat onvoldoende voor het verbinden van dwangsommen aan het verbod. Uit de foto volgt immers niet hoe lang de motor in het pad heeft gestaan of dat dat vaker voorkomt. Hoewel de vraag gesteld kan worden wat het verbod in deze vorm (zonder dwangsom) praktisch gezien zou kunnen toevoegen aan wat al uit de inhoud van de erfdienstbaarheid volgt, strekt het verbod ertoe nogmaals scherp te stellen dat het niet is toegestaan het pad te gebruiken op een manier die de uitoefening van de erfdienstbaarheid belemmert. Daarbij merkt het hof op dat artikel 3:296 BW Pro uitdrukkelijk bepaalt dat hij die jegens een ander verplicht is iets na te laten, daartoe op vordering van de gerechtigde wordt veroordeeld.
Moet [geïntimeerde] haar heg gesnoeid houden? (vordering III van [appellant] )
4.22.
Volgens [appellant] laat [geïntimeerde] na haar heg tot 1,05 meter van het midden van het pad gesnoeid te houden, waardoor vanwege de smalle doorgang van het pad de kans bestaat dat de heg [appellant] zijn auto beschadigt. Hij wil daarom dat [geïntimeerde] wordt gelast haar heg voldoende gesnoeid te houden. Volgens [geïntimeerde] houdt zij haar heg voldoende gesnoeid en is het niet nodig [appellant] vervangende toestemming voor het snoeien te geven.
4.23.
Het hof oordeelt dat ook op dit punt geldt dat op de met erfdienstbaarheid belaste strook zich niets mag bevinden dat de uitoefening daarvan belemmert. Voor zover de heg van [geïntimeerde] zich bevindt in de doorgang van het pad is van een belemmering wel sprake. [geïntimeerde] heeft op de zitting bij het hof toegezegd dat zij haar heg zodanig gesnoeid zal houden dat die de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet belemmert. Om ook op dit punt nogmaals scherp te stellen dat het niet is toegestaan de uitoefening van de erfdienstbaarheid te belemmeren, zal [geïntimeerde] worden gelast om haar heg aan de zijde van het pad gesnoeid te houden tot 1,05 meter van het midden van het pad, zijnde tot op de ‘ijzeren paal’. Het hof ziet ook op dit punt geen aanleiding om aan het gebod een dwangsom te verbinden. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat [geïntimeerde] niet aan het gebod zal voldoen. Bovendien zal de verzochte toestemming aan [appellant] om zelf de heg te snoeien als [geïntimeerde] niet binnen drie dagen na aanschrijving daartoe overgaat ook worden toegewezen. [appellant] heeft er vanwege het gebruik van het pad met zijn auto zodanig belang bij dat de doorgang van het pad vrij blijft, dat hij – in het geval de heg van [geïntimeerde] zich bevindt binnen de 1,05 meter van het midden van het pad – die heg mag snoeien als [geïntimeerde] dat zelf niet doet.
Moet [appellant] worden verboden eigendommen van [geïntimeerde] te roeren, beschadigen of vernielen? (vordering I van [geïntimeerde] )
4.24.
Volgens [geïntimeerde] moet het [appellant] verboden worden eigendommen van [geïntimeerde] zonder haar toestemming te roeren, beschadigen of vernielen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het hof zal deze vordering afwijzen. Het is immers voor een ieder verboden andermans eigendommen te roeren/beschadigen/vernielen en daarom hoeft dit verbod niet als zodanig te worden toegewezen. Bovendien is door [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [appellant] zich hieraan schuldig heeft gemaakt en in die zin onrechtmatig jegens [geïntimeerde] handelt. De enkele stelling dat [appellant] de camera van [geïntimeerde] met een stok heeft verdraaid is daarvoor, mede gelet op de betwisting daarvan door [appellant] en het gebrek aan nadere onderbouwing, onvoldoende.
Moet [appellant] worden verboden bezoekers van [geïntimeerde] lastig te vallen, te fotograferen, te beschimpen en fysiek te blokkeren en de doorgang te blokkeren? (vordering II en IV van [geïntimeerde] )
4.25.
Volgens [geïntimeerde] moet het [appellant] verboden worden om bezoekers van [geïntimeerde] lastig te vallen, ongevraagd te fotograferen, te beschimpen en fysiek te blokkeren. Ook vordert [geïntimeerde] dat het [appellant] wordt verboden de doorgang op het pad te blokkeren en/of aan te tasten. Door partijen zijn diverse foto’s en video’s overgelegd waarop de gebruikers van het pad te zien zijn en partijen verwijten elkaar of elkaars bezoekers over en weer onwenselijk gedrag. De oorzaak daarvan is volgens het hof met name te vinden in het meningsverschil dat partijen hadden over de vraag wie van het pad gebruik mag maken. Omdat het hof zal oordelen dat het derden is toegestaan het pad te gebruiken om de nagelstudio op het perceel van [geïntimeerde] te bereiken, bestaat voor [appellant] niet langer reden om foto’s van die bezoekers te maken of om hen lastig te vallen (voor zover hij dat deed). Het hof gaat ervan uit dat [appellant] ten gevolge van deze uitspraak, ook zonder het opleggen van een verbod door het hof tot het lastig vallen, ongevraagd fotograferen of beschimpen van die bezoekers, zich daarvan zal onthouden.
4.26.
Het hof zal [appellant] wel verbieden om bezoekers van de woning en de overige opstallen en gronden van [geïntimeerde] fysiek te blokkeren op de weg van en naar het perceel (het pad), althans om de doorgang te blokkeren. Ook in dit kader geldt dat op de met erfdienstbaarheid belaste strook zich niets mag bevinden dat de uitoefening daarvan belemmert. [appellant] mag de doorgang op het pad daarom niet blokkeren of aantasten, ook niet voor bezoekers, omdat dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid, belemmert. Omdat niet te voorkomen is dat [appellant] het pad blokkeert op het moment dat hij daar met zijn auto doorheen rijdt, zal aan dit verbod een tijdslimiet van 10 minuten worden verbonden (zoals dat ook terugkomt in vordering I van [appellant] ). Voor toewijzing van de gevorderde dwangsom ziet het hof ook op dit punt geen aanleiding.
Moet [appellant] de camera aan zijn woning verwijderen? (vordering III van [geïntimeerde] )
4.27.
[geïntimeerde] vordert dat [appellant] wordt gelast om de aan zijn woning aangebrachte camera te verwijderen, althans te verbieden om beelden op te nemen uit de tuin en achterliggende opstallen van [geïntimeerde] .
Het hof verwijst in dat kader naar het door [appellant] overgelegde e-mailbericht van een medewerker van de politie. Daarin is (onder meer) opgenomen:
‘Wij hebben gemeend dat er in de situatie van de heer [appellant] extra maatregelen genomen moeten worden, waaronder het plaatsen van camera’s. Dit om reden dat de opslagruimte op enige ruime afstand van het woonhuis is gelegen. We hopen dat het plaatsen van camera's potentiële ongewenste bezoekers afschrikt. Echter camera's kunnen daarnaast ook eventueel ter waarheidsvinding gebruikt worden, mochten er onvolkomenheden hebben plaatsgevonden. We hebben de heer [appellant] daarbij echter geen toestemming gegeven om deze camera's op de openbare weg te richten.’
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] er, mede gelet op bovenstaand bericht, een gerechtvaardigd belang bij om de camera die is gericht op het pad en zijn opslag te behouden. Partijen mogen vanzelfsprekend geen beelden van elkaars tuin en achterliggende opstallen opnemen, maar voor het opleggen van een verbod daartoe ziet het hof geen aanleiding. Dat [appellant] zijn camera op afstand kan bewegen en dat hij daarmee de tuin of achterliggende opstallen van [geïntimeerde] in beeld brengt heeft [geïntimeerde] , mede in het licht van de betwisting door [appellant] , onvoldoende gemotiveerd gesteld. Een onderbouwing van haar stelling, die zij bijvoorbeeld had kunnen geven door foto’s van de stand van de camera van [appellant] over te leggen, ontbreekt.
Moet [appellant] worden verboden om met zijn auto de gronden van [geïntimeerde] te gebruiken? (vordering V van [geïntimeerde] )
4.28.
In hoger beroep heeft [geïntimeerde] haar eis vermeerderd in die zin dat zij heeft gevorderd [appellant] te verbieden om met zijn auto de gronden van [geïntimeerde] te gebruiken, anders dan waartoe de erfdienstbaarheid recht geeft. Volgens [geïntimeerde] maakt [appellant] bij de draai om zijn garage in te rijden gebruik van een deel van haar grond die niet belast is met de erfdienstbaarheid. [appellant] betwist dat.
4.29.
Het hof stelt voorop dat voor zover op het perceel van [geïntimeerde] geen erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van het perceel van [appellant] , [appellant] in beginsel geen recht heeft om van dat gedeelte van het perceel van [geïntimeerde] gebruik te maken. Dat [appellant] dat wel doet is door [geïntimeerde] echter onvoldoende gemotiveerd gesteld in het licht van de betwisting door [appellant] . Volgens [geïntimeerde] zijn de stenen op haar perceel verzakt op de plek waar [appellant] met zijn auto draait, maar zij heeft die stelling niet nader onderbouwd. Dat had zij ook op dit punt kunnen doen door bijvoorbeeld foto’s van de verzakking over te leggen. Het hof ziet daarom geen aanleiding voor bewijslevering en wijst het gevorderde verbod af.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
4.30.
De door partijen gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Het ligt op de weg van zowel [appellant] als [geïntimeerde] om ten aanzien van de door hen gevorderde buitengerechtelijke kosten te stellen en te specificeren dat die kosten andere kosten zijn dan waarvoor de regels omtrent proceskosten (artikel 241 en Pro 242 Rv) van toepassing zijn (ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak). Dat hebben zij, gelet op de gemotiveerde betwisting aan weerszijden, onvoldoende gedaan.
De conclusie
4.31.
Het (principale) hoger beroep van [appellant] slaagt deels. Het hof bepaalt dat iedere partij in het principale hoger beroep zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen.
Het (incidentele) hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt ook deels. Het hof bepaalt dat iedere partij ook in het incidentele hoger beroep zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen.
4.32.
Het bestreden vonnis zal omwille van de duidelijkheid worden vernietigd en de beslissingen zullen in hun geheel opnieuw worden weergegeven.
4.33.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
5.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel , zittingsplaats Almelo, van 19 juni 2024 en beslist als volgt;
in principaal hoger beroep:
5.2.
verbiedt [geïntimeerde] om haar zoon, dochter en vrienden van haar kinderen de toegang voor [appellant] te (laten) belemmeren tot zijn garage, voor meer dan 10 minuten aaneengesloten per gebeurtenis;
5.3.
gelast [geïntimeerde] om haar heg aan de zijde van het pad, gesnoeid te houden tot 1,05 meter van het midden van het pad, zijnde tot op de ‘ijzeren paal’ en verleent toestemming aan [appellant] om zelf de heg van [geïntimeerde] te snoeien indien zij niet binnen drie dagen na aanschrijving hiertoe over is gegaan;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af wat verder is gevorderd;
in incidenteel hoger beroep:
5.7.
verbiedt [appellant] om bezoekers van de woning en de overige opstallen en gronden van [geïntimeerde] fysiek te blokkeren of om op welke wijze dan ook de doorgang van de weg tussen de twee percelen te blokkeren en/of aan te tasten, voor meer dan 10 minuten aaneengesloten per gebeurtenis;
5.8
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
5.9
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.1
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, G.A. Diebels en S.M. Kingma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078.
2.HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2397 en HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815.
3.HR 7 februari 1936, ECLI:NL:HR:1936:6.
4.Concl. A-G E.B. Rank-Berenschot 11 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:135, onder 4.13.
5.HR 15 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0150.