Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
- een akte bevattende producties namens [geïntimeerde]
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 november 2025 is gehouden.
2.De kern van de zaak
3.De vorderingen van partijen
4.De toelichting op de beslissing van het hof
‘(…) De comparanten [naam] en [appellant] verklaarden bij deze ten behoeve en ten laste van de voormelde kadastrale percelen nummers [nummer1] en [nummer2] , ten onderlinge gebruike en nutte, over en weer, te vestigen de navolgendeerfdienstbaarheid van weg;
ten onderlinge gebruike en nutte’ dat alleen eigenaren en bewoners van de naastgelegen woningen onderling het pad mogen gebruiken voor het bereiken van de achterliggende garageboxen. Dat was volgens hem destijds ook de bedoeling toen [appellant] en [naam] de erfdienstbaarheid vestigden. Volgens [geïntimeerde] volgt uit de tekst van de erfdienstbaarheid niet dat derden het pad niet mogen gebruiken.
ten onderlinge gebruike en nutte’ verwijst naar ‘de voormelde kadastrale percelen’ en niet naar ‘de comparanten’, zoals [appellant] meent. Dit blijkt ook uit artikel 2 van Pro de akte van levering van de woning aan [appellant] , waarbij tevens de erfdienstbaarheid is gevestigd. Daarin is bepaald:
‘Het verkochte gaat aan de koper over in de staat waarin het zich bij het sluiten der koopovereenkomst bevond, met alle rechten en lasten en de erfdienstbaarheden, welke ten nutte en/of ten laste daarvan mochten bestaan (…)’. In deze zin slaat
‘ten nutte en/of ten laste daarvan’onmiskenbaar op
‘het verkochte’. In de akte wordt met
‘het verkochte’de woning (met ondergrond en perceel) van [appellant] bedoeld. In dezelfde zin moet ‘
ten nutte en/of ten laste’ in de tekst waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd, worden begrepen als ten nutte en/of ten laste van (het gebruik van) de percelen.
De comparanten [naam] en [appellant] ’worden genoemd, maar dat daarbij niet verwezen is naar hun rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel. Tussen partijen staat vast dat de erfdienstbaarheid ook gelding heeft jegens de rechtsopvolgers van [naam] (zoals [geïntimeerde] ) en [appellant] . In het derde lid van de akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd, wordt wel verwezen naar rechtsopvolgers:
‘ieder van de beide voornoemde eigenaren (of hun rechtsopvolgers) zijn bevoegd aan het einde van de bedoelde weg de met erfdienstbaarheid belaste strook deels (op eigen grond) te bebouwen met een garage (…)’.Als ‘ten onderlinge gebruike en nutte’ slechts zou verwijzen naar ‘de comparanten’ ligt het in de rede dat ook in de omschrijving van de erfdienstbaarheid rechtsopvolgers van [naam] en [appellant] zouden zijn genoemd.
Het hof verwijst in dat kader naar het door [appellant] overgelegde e-mailbericht van een medewerker van de politie. Daarin is (onder meer) opgenomen: