Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3805

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
24/303
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:68 AwbArt. 8:88 AwbArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens te hoge WOZ-waarden voor jaren 2014-2016

Belanghebbende heeft schadevergoeding gevorderd wegens te hoog vastgestelde WOZ-waarden voor de jaren 2014 tot en met 2016 van haar woning, een dijkwoning waarvan een deel van de grond onderdeel is van een waterverdedigingswerk. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarden ambtshalve verminderd na een arrest van de Hoge Raad uit 2016, maar het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen door de rechtbank en vervolgens ook door het hof.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de formele rechtskracht van de onherroepelijke WOZ-beschikkingen doorbroken kan worden vanwege erkenning van onrechtmatigheid door het bestuursorgaan na het verstrijken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden. Het hof volgt het arrest van de Hoge Raad van november 2023, waarin is bepaald dat een dergelijke erkenning na onherroepelijkheid geen uitzondering op formele rechtskracht rechtvaardigt.

Belanghebbende voerde aan dat het Unierecht en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM een uitzondering op formele rechtskracht vereisen, omdat zij een individuele en buitensporige last zou dragen. Het hof oordeelt dat dit niet aannemelijk is gemaakt en dat de situatie van belanghebbende niet afwijkt van het algemene geval. Ook is niet gebleken dat er sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Het hof concludeert dat de WOZ-beschikkingen niet onrechtmatig zijn in de zin van artikel 8:88 Awb Pro en dat het verzoek om schadevergoeding terecht is afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens te hoge WOZ-waarden wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/303
uitspraakdatum: 9 juni 2026
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2023, nummer LEE 22/1385, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Waadhoeke(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 15 maart 2022 het verzoek om schadevergoeding wegens de voor de jaren 1995 tot en met 2016 voor de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) vastgestelde waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning) afgewezen. Belanghebbende heeft bij brief van 20 maart 2022 hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Het bezwaar is doorgestuurd naar de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) met het verzoek om dit als verzoekschrift in behandeling te nemen.
1.3.
Ter zitting van de Rechtbank is het verzoek door belanghebbende beperkt tot schade wegens de voor de jaren 2014 tot en met 2016 vastgestelde WOZ-waarde van de woning. De Rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding bij uitspraak van 12 december 2023 afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. C. Atema, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [naam1] en [naam2] . Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in Mijn Rechtspraak is geplaatst en naar belanghebbende per post is gestuurd.
1.7.
Na zitting bleek dat de gemachtigde van belanghebbende voorafgaand aan de mondelinge behandeling een stuk met dagtekening 10 augustus 2025 en een stuk met dagtekening 12 augustus 2025 had ingediend waarvan (de zetel van) het Hof pas ná de mondelinge behandeling had kennis genomen. De stukken waren ook nog niet voorafgaand aan de zitting naar de heffingsambtenaar doorgestuurd. Het Hof heeft hierop besloten het onderzoek te heropenen en die twee stukken naar de heffingsambtenaar toe te sturen. Aan partijen is bij bericht van 28 augustus 2025 meegedeeld dat het onderzoek alleen wordt heropend met betrekking tot deze twee stukken, dat de heffingsambtenaar vier weken de gelegenheid krijgt voor een schriftelijke reactie op de stukken en dat het Hof daarna zal beslissen of een nadere zitting nodig is.
1.8.
Nadat de heffingsambtenaar bij brief van 13 oktober 2025 had bericht geen behoefte te hebben aan een nadere reactie, heeft het Hof aan partijen bij bericht van 15 oktober 2025 meegedeeld dat het voldoende is geïnformeerd en een nadere zitting niet nodig te achten. Het Hof heeft partijen gevraagd of zij kunnen instemmen met afdoening van de zaak zonder nadere behandeling en meegedeeld dat wanneer zij wel gebruik willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, zij dit binnen de gestelde termijn van twee weken moeten doen. Belanghebbende heeft hierop aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord.
1.9.
Voor de nadere zitting heeft belanghebbende nadere stukken ingediend.
1.10.
Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. C. Atema, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning, een zogenaamde dijkwoning. Een gedeelte van het grondoppervlak van de woning is onderdeel van een waterverdedigingswerk, een dijk. Op 4 maart 2016 heeft de Hoge Raad een arrest onder nummer 15/00518, ECLI:NL:HR:2016:364, gewezen waarin is beslist dat bij het bepalen van de WOZ-waarde de grond die bij de dijk als verdedigingswerk behoort, buiten beschouwing moet worden gelaten.
2.2.
In het voormelde arrest van de Hoge Raad heeft de heffingsambtenaar aanleiding gezien om de WOZ-waarde van de woning voor onder meer de jaren 2014 tot en met 2016 ambtshalve te verminderen. In zijn brief van 8 december 2018 heeft de heffingsambtenaar dit aan belanghebbende bericht. De aanslagen in de onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) voor die jaren zijn verminderd. Dit heeft geleid tot een aan belanghebbende uitbetaald bedrag van in totaal € 180,99 (inclusief wettelijke rente), waarvan € 111,54 (inclusief wettelijke rente, € 109,02 exclusief wettelijke rente) ziet op de OZB van de jaren 2014 tot en met 2016. Ook heeft de heffingsambtenaar in die brief toegezegd de verlaagde WOZ-waarden door te geven aan de Belastingdienst en het waterschap, waaronder de woning valt.
2.3.
In haar brief van 12 juni 2021 heeft belanghebbende een verzoek om schadevergoeding
bij de heffingsambtenaar ingediend. In dit verzoek is vermeld dat belanghebbende schade heeft geleden doordat te hoge WOZ-beschikkingen zijn gegeven voor de jaren 1995 tot en met 2016. Belanghebbende stelt dat zij schade heeft geleden doordat zij te veel OZB, waterschapsbelasting en inkomstenbelasting heeft betaald. Belanghebbende heeft deze schade, voor zover nog niet terugbetaald, voor alle jaren tezamen begroot op € 2.701,42. In zijn brief van 15 maart 2022 heeft de heffingsambtenaar het verzoek afgewezen. Het bezwaar daartegen is doorgestuurd naar de Rechtbank, die dit als verzoek om schadevergoeding in behandeling heeft genomen.
2.4.
De WOZ-beschikkingen voor de jaren 1995 tot en met 2016 staan onherroepelijk vast. Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende de schadeverzoeken die zien op de WOZ-beschikkingen voor de jaren 1995 tot en met 2013 ingetrokken. De Rechtbank heeft alleen het schadeverzoek inzake de jaren 2014 tot en met 2016 beoordeeld en afgewezen.
2.5.
In hoger beroep heeft belanghebbende overzichten met berekeningen overgelegd van de volgens haar geleden schade. Voor de jaren 2014 tot en met 2016 betreft het de volgende bedragen (exclusief wettelijke rente) aan te veel betaalde belasting:
Jaar
OZB
Waterschapsbelasting
IB
Totaal
2014
€ 58,46
€ 18,05
€ 27,75
€ 104,26
2015
€ 54,24
€ 16,78
€ 22,98
€ 94,00
2016
€ 56,48
€ 18,00
€ 25,07
€ 99,55

3.Geschil

In geschil is of belanghebbende recht heeft op schadevergoeding wegens de schade die belanghebbende stelt te hebben geleden als gevolg van de voor de jaren 2014 tot en met 2016 te hoog vastgestelde WOZ-beschikkingen.

4.Beoordeling van het geschil

Omvang van het geschil
4.1.
Het Hof heeft het onderzoek na de zitting op grond van artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend. De heropening heeft enkel betrekking op de – onder 1.7 genoemde – twee stukken die vóór de zitting zijn ingediend maar zowel de zetel als de heffingsambtenaar niet tijdig hebben bereikt, en is enkel gericht op het in de gelegenheid stellen van de heffingsambtenaar om hierop te reageren.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft het Hof bericht geen behoefte te hebben aan een reactie. Gelet op de beperkte heropening van het onderzoek, het feit dat de heffingsambtenaar geen reactie heeft gegeven op de stukken en het Hof van oordeel is dat de eerste zitting voor het overige volledig is geweest, gaat het Hof voorbij aan al hetgeen belanghebbende in haar – onder 1.9 genoemde – nadere stukken en ter nadere zitting anders of meer heeft aangevoerd dan in de eerdere stukken en ter eerste zitting. Daarbij merkt het Hof op dat belanghebbende de inhoud van de in de – onder 1.7 genoemde – stukken van 10 en 12 augustus 2025 al wel ter eerste zitting ter sprake heeft gebracht en dat deze is besproken.
Artikel 8:88 Awb Pro onrechtmatige beschikkingen
4.1.
Het Hof stelt vast dat de WOZ-beschikkingen voor de jaren 2014 tot en met 2016 alle bekendgemaakt zijn ná 1 juli 2013. Dit betekent dat voor zover het schadeverzoek van belanghebbende ziet op schade die zij stelt te lijden door deze besluiten, titel 8.4 van de Awb van toepassing is.
4.2.
Art. 8:88, eerste lid, van de Awb verklaart de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een schadevergoeding toe te kennen ten laste van het bestuursorgaan als sprake is geweest van onrechtmatig handelen als gevolg van – voor zover hier van belang – een onrechtmatig besluit. Niet in geschil is dat de WOZ-beschikkingen voor de jaren 2014 tot en met 2016 onherroepelijk vaststaan, zodat de rechtmatigheid van deze besluiten daarom als hoofdregel moet worden aangenomen.
4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1568 (hierna: het arrest van 17 november 2023), in een soortgelijke zaak die eveneens was aangespannen door de gemachtigde van belanghebbende, geoordeeld:
“3.2.1 Alleen als het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van zijn besluit heeft erkend vóór het verstrijken van de termijnen voor het aanwenden van de openstaande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen, of voordat het besluit na het aanwenden van dergelijke rechtsmiddelen onherroepelijk wordt, bestaat aanleiding om op grond van die erkenning een uitzondering te maken op het beginsel van formele rechtskracht [noot 3: In gelijke zin: ABRvS 25 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH8644, rechtsoverweging 2.3.] Een dergelijke erkenning kan immers teweegbrengen dat de belanghebbende nalaat in bezwaar of beroep te gaan tegen dat besluit, of zijn bezwaar of beroep daartegen intrekt. Van een belanghebbende kan niet worden gevergd dat hij, ondanks zo’n erkenning, met het oog op een schadeclaim toch nog tijdig bezwaar maakt en voor zoveel nodig beroep instelt, of een reeds lopende bezwaar- of beroepsprocedure voortzet tegen dat besluit. Dat geldt niet indien erkenning van de onrechtmatigheid van een besluit door het bestuursorgaan plaatsvindt na het verstrijken van de termijnen voor het aanwenden van de openstaande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen, of nadat het besluit na het aanwenden van dergelijke rechtsmiddelen onherroepelijk is geworden. In die gevallen kan niet worden gezegd dat de bezwaren die zijn verbonden aan het beginsel van formele rechtskracht zo klemmend worden, dat op dit beginsel een uitzondering moet worden aanvaard. [noot 4: Vgl. HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, rechtsoverweging 3.3.2.] Aldus opgevat berust de hier bedoelde uitzondering op een vergelijkbare gedachte als de uitzondering in het geval aan de overheid is toe te rekenen dat een belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel tegen een besluit aan te wenden. [noot 5: Vgl. HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2566, rechtsoverweging 3.4.2.]”
4.4.
Vaststaat dat de heffingsambtenaar de onrechtmatigheid van de WOZ-beschikkingen voor de jaren 2014 tot en met 2016 in ieder geval heeft erkend in zijn brief van 8 december 2018. Partijen hebben ter eerste zitting van het Hof eenparig verklaard dat de erkenning van de onrechtmatigheid van de betreffende WOZ-beschikkingen heeft plaatsgevonden nadat de beschikkingen onherroepelijk waren geworden. In zo’n geval bestaat er gelet op het arrest van 17 november 2023 geen aanleiding om op grond van die erkenning een uitzondering te maken op het beginsel van formele rechtskracht.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de WOZ-beschikkingen voor de jaren 2014 tot en met 2016 niet onrechtmatig zijn als bedoeld in artikel 8:88 Awb Pro.
4.6.
Belanghebbende is het echter niet eens met het oordeel van de Hoge Raad is zijn arrest van 17 november 2023. Daartoe voert belanghebbende aan dat zij uit het arrest van het Europees Hof van Justitie van 20 mei 2021, ECLI:EU:C:2021:398, afleidt dat het Unierecht ruimte biedt voor de leer van de formele rechtskracht, met uitzondering voor die gevallen waarin een regel evident in strijd is met het Unierecht. Belanghebbende is van mening dat het evidentiecriterium betekent dat de leer van de formele rechtskracht, naar het Hof begrijpt zoals de Hoge Raad deze uitlegt, in haar geval strijdig moet worden geacht met het Unierecht.
4.7.
Het Hof is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te toetsen aan het Unierecht, omdat de hier aan de orde zijnde regeling geen uitvoering geeft aan het Unierecht en de vastgestelde feiten in de onderhavige zaak ook overigens geen aanknopingspunten bieden dat het geschil onder de werkingssfeer van het Unierecht valt (vgl. HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082, r.o. 2.5.3).
4.8.
Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het leerstuk van de formele rechtskracht alsnog dient te worden getoetst aan artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP Pro). Volgens haar is de door de Hoge Raad geformuleerde formele rechtskracht, waarbij onrechtmatige WOZ-besluiten rechtmatig worden verklaard, in haar geval in strijd met artikel 1 EP Pro. De aanspraak op een billijke schadevergoeding lijkt belanghebbende een vorm van eigendom die adequate bescherming verdient, die niet door een formele rechtskracht kan worden doorkruist. Volgens belanghebbende dient de weigering van de heffingsambtenaar om de als gevolg van de onrechtmatige WOZ-besluiten geleden schade te vergoeden te worden gekwalificeerd als een individuele en buitensporige last.
4.9.
Naar het Hof begrijpt, stelt belanghebbende dat zij in haar specifieke geval in strijd met artikel 1 EP Pro wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de werking van de formele rechtskracht. Belanghebbende wijst ter ondersteuning daarvan op het door haar overgelegde overzicht (zie 2.5) van door haar geleden schade als gevolg van het rechtmatig verklaren van de WOZ-beschikkingen.
4.10.
Daargelaten of sprake is van een aanspraak op teruggaaf van geheven belasting die als een ‘possession’ in de zin van artikel 1 EP Pro kan worden beschouwd – het Hof laat dit in het midden – is de vraag aan de orde of het niet in aanmerking komen voor een vergoeding wegens het niet (ambtshalve) verder verminderen van aanslagen bij belanghebbende leidt tot een individuele en buitensporige last. Van dit laatste is sprake indien en voor zover deze last zich in haar geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De bewijslast voor het bestaan van feiten en omstandigheden die maken dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op belanghebbende.
4.11.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat – alle omstandigheden in aanmerking genomen – sprake is van een buitensporige last noch dat in het individuele geval van belanghebbende de last die het (vermeende) gevolg is van het niet vergoeden van geheven belasting tot de door belanghebbende gevraagde bedragen zich sterker laat voelen dan in het algemeen. Hetgeen belanghebbende aanvoert, geldt niet voor belanghebbende sterker dan in het algemeen. Belanghebbende had de mogelijkheid om tijdig bezwaar te maken tegen de WOZ-beschikkingen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Dat geen sprake was van een effectieve betwistingsmogelijkheid is niet gebleken. Daarbij merkt het Hof op dat belanghebbende over de betreffende jaren wel degelijk een ambtshalve verleende vermindering van de belastingaanslagen heeft ontvangen van de heffingsambtenaar (zie 2.2). Dit terugontvangen bedrag wijkt weliswaar iets af van het gevraagde bedrag, maar dit houdt verband met het feit dat belanghebbende uitgaat van hogere verminderingen van de WOZ-waarden dan door de heffingsambtenaar is erkend. Daarnaast heeft belanghebbende geen duidelijkheid verschaft over de vraag of de Belastingdienst en het waterschap zijn overgegaan tot vermindering van de aanslagen na verlaging van de WOZ-waarden (zie 2.2). Belanghebbende heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een last, laat staan een buitensporige last. Reeds gelet hierop is, voor zover belanghebbende daar een beroep op heeft gedaan, evenmin sprake van strijd met het (nationale) evenredigheidsbeginsel.
4.12.
Ook voor het overige heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie leiden dat de bezwaren die zijn verbonden aan het beginsel van formele rechtskracht zo klemmend worden dat op dit beginsel een uitzondering moet worden aanvaard. Voor zover belanghebbende betoogt dat de WOZ-beschikkingen desondanks toch als onrechtmatige besluiten dienen te worden beschouwd, stuit dit af op al hetgeen hiervoor is overwogen.
4.13.
Gelet op het voorgaande is het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.