Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd en maakte bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, verminderde de aanslag en kende immateriële schadevergoeding toe. Het Hof verklaarde het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Belanghebbende tekende verzet aan en stelde dat het hoger beroep tijdig was ingediend, mede op grond van een interpretatie van de termijnstart en een beroep op het Unierecht.
Het Hof oordeelde dat de termijn voor hoger beroep zes weken bedraagt, startend op de dag na verzending van de uitspraak van de rechtbank. De termijn begon daarom op 31 januari 2025 om 00:00 uur en eindigde op 13 maart 2025 om 23:59 uur. Het hogerberoepschrift van 14 maart 2025 was dus te laat. Er waren geen omstandigheden die de te late indiening verschoonbaar maakten.
Belanghebbendes beroep op het Unierecht en het arrest Grossmania leidde niet tot een andere uitkomst. Het Hof benadrukte dat nationale procedureregels moeten voldoen aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, en dat redelijke beroepstermijnen op straffe van verval van recht verenigbaar zijn met het Unierecht. Het arrest Grossmania verplicht niet tot een afweging tussen rechtszekerheid en legaliteit bij elke termijnoverschrijding.
Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Hof op 27 mei 2026 te Arnhem.