Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3098

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.356.849/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 6:203 BWArt. 3:13 BWBesluit bouwwerken leefomgevingOmgevingsregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep executiegeschil geluidsoverlast warmtepomp en dwangsommen

Partijen zijn buren en hebben een geschil over geluidsoverlast van een warmtepomp die [appellante] bij haar woning heeft geplaatst. De rechtbank veroordeelde [appellante] tot verplaatsing of aanpassing van de warmtepomp met geluidsnormen en dwangsommen bij overtreding. [appellante] verplaatste de warmtepomp, maar [geïntimeerden] stelden dat de geluidshinder bleef en eisten dwangsommen.

In kort geding vorderde [appellante] schorsing van executie en restitutie van reeds betaalde dwangsommen, plus vergoeding van deskundigenkosten. De voorzieningenrechter wees deze af. Het hof vernietigt dit vonnis deels en verbiedt verdere executie van dwangsommen die nog niet zijn geïnd, vanwege twijfel over de betrouwbaarheid van de meetmethoden die [geïntimeerden] gebruikten.

Het hof oordeelt dat de meetmethoden van beide partijen vraagtekens oproepen en dat een kort geding niet geschikt is voor het leveren van het benodigde nader bewijs. Daarom is executie op basis van de huidige metingen misbruik van bevoegdheid. De vorderingen tot vergoeding van deskundigenkosten en restitutie van reeds betaalde dwangsommen worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende bewijs.

De proceskosten worden gecompenseerd en het arrest is uitvoerbaar bij voorraad. Het hof benadrukt dat de veroordelingen ook kunnen worden uitgevoerd als een partij de beslissing aan de Hoge Raad voorlegt.

Uitkomst: Het hof verbiedt verdere executie van dwangsommen die nog niet zijn geïnd wegens twijfel over meetmethoden en wijst vergoeding deskundigenkosten af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.849/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 592529
arrest in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellante] ,
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de voorzieningenrechter optrad als eiseres
hierna:
[appellante]
advocaat: mr. L. Kesting
en

1.[geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]
die wonen in [woonplaats]
en bij de voorzieningenrechter optraden als gedaagden
hierna tezamen:
[geïntimeerden]
advocaat: mr. R.J. van de Leur.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 27 mei 2025 in kort geding tussen partijen is uitgesproken door de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• het exploot van anticipatie van de zijde van [geïntimeerden]
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• een akte indienen van producties 4 HB tot en met 7 HB van de zijde van [appellante] van 25 februari 2026
• een akte overlegging producties 1 tot en met 7 van de zijde van [geïntimeerden] van 13 maart 2026
• een bericht met productie 8 van de zijde van [appellante] van 16 maart 2026
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 26 maart 2026 is gehouden (het proces-verbaal).
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [geïntimeerden] bezwaar gemaakt tegen de daags daarvoor door [appellante] ingediende productie 9. Het hof heeft daarop beslist dat die productie als te laat ingediend, wordt geweigerd. Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1
Partijen zijn buren van elkaar. Tussen hen is een geschil ontstaan over het geluidsniveau van de warmtepomp die [appellante] aan haar woning heeft laten installeren. [geïntimeerden] zijn daarom een bodemprocedure gestart. In een vonnis van 20 november 2024 (hierna ook wel: het vonnis) heeft de rechtbank [appellante] (onder meer) veroordeeld om de warmtepomp zodanig te verplaatsen of aan te passen dat het geluidsniveau van ‘de installatie’ op de erfgrens overdag maximaal 45 decibel bedraagt en 40 decibel ’s nachts en om het gebruik van de warmtepomp te staken totdat aan de geluidsnormen is voldaan. Aan elk van deze veroordelingen is een dwangsom verbonden van € 100,- per dag, per veroordeling, met een maximum van € 20.000,-. Naar aanleiding van het vonnis heeft [appellante] op 19 december 2024 de warmtepomp verplaatst. Ter discussie staat of daarmee de geluidshinder is gestopt. Volgens [geïntimeerden] voldoet [appellante] niet aan het vonnis, waardoor dwangsommen zijn verschuldigd. [appellante] is het daarmee niet eens.
2.2
[appellante] heeft bij de voorzieningenrechter in kort geding gevorderd dat het [geïntimeerden] wordt verboden om over te gaan tot verdere executie van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de dwangsommen. Daarnaast heeft [appellante] gevorderd restitutie van al geïncasseerde bedragen uit hoofde van de volgens [geïntimeerden] verbeurde dwangsommen.
2.3
De voorzieningenrechter in de rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van [appellante] met het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [appellante] heeft haar eis in zoverre gewijzigd dat zij nu ook vergoeding vordert van de door haar betaalde deskundigenkosten. Tegen die vermeerdering van eis hebben [geïntimeerden] geen bezwaar gemaakt. Ook het hof ziet ambtshalve geen beletselen tegen deze vermeerdering van eis, zodat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
2.4
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep ten dele slaagt en licht dat hierna toe. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter om deze reden geheel vernietigen. Verder wijst het hof de vordering inzake de vergoeding van de deskundigenkosten af.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
[geïntimeerden] en [appellante] zijn buren van elkaar. Zij wonen respectievelijk
aan [adres1] en [adres2] te [woonplaats] .
3.2
[appellante] heeft medio april 2023 een warmtepomp laten plaatsen op het dak van haar garage naast haar woning, op circa 2,5 à 3 meter van de erfgrens, tegenover de slaapkamer van [geïntimeerden]
3.3
[geïntimeerden] hebben geluidshinder ondervonden van de warmtepomp en zijn een bodemprocedure begonnen waarin zij (onder meer) verplaatsing dan wel aanpassing van de warmtepomp hebben gevorderd. [appellante] heeft op haar beurt (in reconventie) onder meer vergoeding van de kosten van de monteur gevorderd.
3.4
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad heeft in de bodemprocedure bij vonnis van 20 november 2024 voor wat betreft het toegestane geluidsniveau van warmtepompen met een buitenunit aangesloten bij de normen uit het aangepaste Bouwbesluit 2012 en heeft als volgt beslist:
‘5.1 veroordeelt [appellante] ombinnen zes wekenna dit vonnis over te gaan tot verplaatsing van de warmtepomp naar een locatie op een zodanige afstand van de erfgrens -of zodanige aanpassingen uit te voeren - dat de installatie op de erfgrens met [geïntimeerden]
niet meer geluid produceert dan is toegestaan (maximaal 45 dB overdag en 40 dB 's nachts
gemeten op de erfgrens), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [appellante] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00;
5.2.
veroordeelt [appellante] ombinnen twee dagenna dit vonnis het gebruik van de warmtepomp gestaakt te houden totdat is voldaan aan 5.1, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [appellante] hiermee in gebreke blijft
met een maximum van € 20.000,00;’
De vorderingen van [appellante] (in reconventie) zijn afgewezen.
3.5
Naar aanleiding van het vonnis heeft [appellante] de warmtepomp buiten werking gezet totdat de pomp op 19 december 2024 is verplaatst van circa 3,5 meter naar ongeveer 6,4 meter van de erfgrens. De warmtepomp hangt vanaf dat moment niet meer tegenover de slaapkamer van [geïntimeerden] Ook is de uitblaasrichting 90 graden gedraaid. De warmtepomp is op 19 december 2024 opnieuw in werking gezet.
3.6
Het vonnis is op 20 januari 2025 aan [appellante] betekend. Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
3.7
Op 17 maart 2025 is door [appellante] een geluiddempende kast om de warmtepomp geplaatst (hierna ook wel: de omkasting).
3.8
[geïntimeerden] hebben in een brief van 19 maart 2025 aan [appellante] geschreven dat zij vaststellen dat [appellante] niet voldoet aan de veroordelingen zoals die in het vonnis onder 5.1. en 5.2. zijn geformuleerd en dat daarmee voldaan is aan de dwangsombepalingen. In de brief staat verder:
‘Middels de bijgaande rapportage is met een gecertificeerde meter de overschrijding vastgesteld en is ook de eerder door cliënten gebruikte meter gestaafd, waarmee de overschrijding deskundig is vastgesteld.
Inmiddels hebben cliënten waargenomen dat de warmtepomp per 17-3-2025 is voorzien van
een omkasting. De geluid reducerende effecten van de deze omkasting moeten cliënten nog
vaststellen.
Gezien de vastgestelde overlast en de betekening van het vonnis per 20 januari 2025
vorderen cliënten de verbeurde dwangsommen vanaf dat moment tot en met 17 maart 2025
(57 dagen x € 200,-=) € 11.400,-.’
3.9
Bij voornoemde brief is een rapport bijgevoegd van [naam1] die optreedt onder de naam ‘ [naam2] ’. In dat rapport staat:
‘Er is [naam2] gevraagd om bij de woning van [geïntimeerde1] aan [adres1] , [postcode] in [woonplaats] een geluidsmeting uit te voeren om het aantal decibel te meten van de warmtepomp die aan de achtergevel van het belendende pand op de [adres2] , [postcode] in [woonplaats] is geplaatst. (…)
De metingen zijn uitgevoerd op de erfgrens om 22.11 in de avond van 28 februari, de temperatuur was 4 graden Celsius, 48 decibel.
In de avond van 1 maart om 19.08, bij een wind van 3 km per uur, 48 decibel.
Op 5 maart om 19.26, 7 graden Celsius, bij een wind van 3 km per uur, 47 decibel.
Op 10 maart om 19.22, 7 graden Celsius en een wind van 10 km per uur. 48,5 decibel.
Door de lage temperaturen was de warmtepomp in bedrijf.
De metingen zijn uitgevoerd met een ISO-gecertificeerde geluidsmeter (PCE 322A).
Daarnaast is er een vergelijking gemaakt tussen de gecertificeerde geluidsmeter (PCE-322A) en de door [geïntimeerde1] gebruikte meter (PCE-MSM 4).
Bij een vergelijking is vastgesteld dat de afwijking tussen de geluidsmeters maximaal 0,5 decibel bedraagt.
Ik heb kennis genomen van de diverse filmopnames die [geïntimeerde1] heeft gemaakt en waarbij gebruik is gemaakt van de eigen meetapparatuur en kan daarbij vaststellen dat de overschrijding van de geluidsnormen ook op dat moment heeft plaatsgevonden en met
de eigen bevindingen.
Het betreft hierbij de bevindingen op:
30 januari om 20.00 bij 4 graden Celsius, 50 decibel
2 februari om 19.15 bij 0 graden Celsius, 46 decibel
4 februari om 19.30 bij 3 graden Celsius, 49 decibel
5 februari om 20.00 bij 4 graden Celsius, 49 decibel
Conclusie:
De warmtepomp produceert, ook op de nieuwe positie, nog steeds te veel geluid.
Er is een overschrijding van het maximale aantal decibel op beide tijdzones (overdag en in de nacht).
Er is daarmee niet voldaan aan de geldende regelgeving en /of het vonnis.’
3.1
Bij exploot van 3 maart 2025 is namens [geïntimeerden] , onder verwijzing naar het vonnis en de brief van 19 maart 2025, betaling bevolen van € 11.400,- door [appellante] ter zake verbeurde dwangsommen tot en met 17 maart 2025, vermeerderd met kosten.
3.11
[appellante] heeft daarop aan [naam3] van [naam4] opdracht gegeven het rapport van [naam2] te beoordelen. [naam3] heeft geen metingen ter plaatse verricht. In zijn notitie van 7 april 2025 concludeert hij naar aanleiding van het rapport van [naam2] :
‘Geluidmeter -Klasse
(…)
In de praktijk en jurisprudentie (bijvoorbeeld uitspraken van de Raad van State) wordt klasse 1 apparatuur als norm gezien voor juridisch geldige metingen.
-
Geluidsmetingen zijn uitgevoerd met een Klasse II geluidmeter in plaats van met een Klasse I geluidmeter
Geluidmeter -Kalibratie
Voor juridische en formeel bruikbare geluidsmetingen moet een geluidmeter zowel voor als na de metingen worden gekalibreerd (…)
-
De geluidmeter is niet gekalibreerd en een verklaring is niet gegeven. Niet te valideren of de geluidmeter goed heeft gewerkt.
Omgevingsgeluid
Bij de geluidsmetingen is niet aangegeven of rekening is gehouden met omgevingsgeluid. (…)
-
Het achtergrondgeluid is niet gemeten en een (eventuele) correctie heeft niet plaatsgevonden. Resultaat van de meting is onvolledig.
Meetmethode en beoordelingspositie
(…) Onbekend is of de metingen zijn uitgevoerd overeenkomstig de regels van de “Meetmethode geluid van buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking” (…)
Zonder medewerking van de opdrachtgever had tenminste de volgende meting uitgevoerd moeten worden. Op de erfgrens op 1,5 meter boven de onderkant van de installatie.
  • Het is onbekend op welke hoogte is gemeten. Meetpositie is niet te valideren.
  • Het is onbekend hoe lang is gemeten (tijdsduur tenminste één minuut). Meetduur is niet te valideren.
Representativiteit
(…)
  • Het meetproces en de meetresultaten zijn niet te valideren
  • Gemeten is met een Klasse II geluidmeter
  • Onbekend is of de geluidmeter voor en na de metingen is gekalibreerd
  • Het is onbekend hoe lang is gemeten (tijdsduur tenminste één minuut)
  • Vaststelling van overschrijding door [naam2] is subjectief en wordt niet gevalideerd
Conclusie
In het rapport wordt onderstaande conclusie getrokken.
“De warmtepomp produceert, ook op de nieuwe positie, nog steeds te veel geluid.
Er is een overschrijding van het maximale aantal decibel op beide tijdzones (overdag en in de nacht). Er is daarmee niet voldaan aan de geldende regelgeving en /of het vonnis.”
-
Deze conclusie kan niet getrokken worden op basis van de beoordeling van de geluidsmetingen in deze notitie.’
3.12
Op verzoek van [appellante] heeft ‘ [naam5] , gespecialiseerd in geluidsmeting en advies, gerapporteerd over de geluidemissie van de warmtepomp. [naam5] heeft daarvoor geen metingen ter plaatse verricht. In zijn rapport van 5 september 2025 staat:
7. Conclusie
Voor de geplaatste warmtepomp buitenunit aan [adres2] te [woonplaats] kunnen wij
concluderen dat:
De berekende waarde van de buitenunit voor [adres2] te [woonplaats] van 33 dB(A) voldoet aan de geluidsnorm overeenkomstig het Besluit bouwwerken leefomgeving[hierna ook wel: Bbl, toevoeging hof]
van 40 dB(A) gedurende de nacht- en avondperiode (19:00 uur tot 07:00 uur) en tevens voldoet aan de norm van 45 dB(A) gedurende de dagperiode (07:00 uur tot 19:00 uur).
Wij willen hieraan de aanbeveling toevoegen om een geluidmeting op locatie uit te voeren
om het exacte maximale bronvermogen van de buitenunit te bepalen.’
3.13
Op verzoek van [appellante] heeft [naam5] vervolgens op 9 oktober 2025 een geluidmeting uitgevoerd. In het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport van 17 oktober 2025 staat:
2. Installatie
(…)Geluidmeting op locatie:
We hebben op locatie metingen uitgevoerd om het exacte bronvermogen van de unit te
bepalen. Geluid plant zich voort door de lucht. Hoe groter de afstand tussen de geluidbron
en de ontvanger (…) is, hoe lager het geluiddrukniveau, omdat de geluidsenergie zich over een groter bolvormig oppervlak uitbreidt. (…)
We hebben op verschillende afstanden van de bron de geluiddruk (Lp) in situatie gemeten.
Gecorrigeerd met achtergrondgeluid en bodemreflectie in deze specifieke situatie komen wij
uit op een gemiddeld bronvermogen (Lw) van 64 dB(A). Gespecificeerde info over de
meetgegevens en berekeningen per octaafband zijn terug te vinden in bijlage 4.
We zullen in dit onderzoek verder uitgaan van onze meetgegevens, wat ook direct een
worst-case scenario is. Dit is het bronvermogen bij maximaal vermogen (100%) van de
warmtepomp.(...)
4. Wettelijk kader
(…)
Het geluidniveau van de installatie voor warmte- of koude opwekking wordt gemeten bij het maximale toerental behorende bij de gekozen instelling van de installatie. De geluidbelasting ten gevolge van de warmtepompen en buitenunits wordt getoetst aan de geluidnormen die zijn opgenomen in het Bbl.(…)
5. Meet- en rekenmethode
De specialistische methode II uit de Omgevingsregeling (voorheen Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI)) is toegepast voor het berekenen van de geluidniveaus ten
gevolge van de buitenunit ter plaatse van de perceelgrens. Voor het berekenen is gebruikgemaakt van het geluid berekeningsprogramma Geomilieu.
In het rekenprogramma is alle akoestische relevante informatie gemodelleerd zoals de bebouwing. Ter plaatse van de perceelsgrens en/of te openen deuren en ramen van de
naastgelegen woningen zijn de beoordelingspunten/immissietoetspunten opgenomen. De
buitenunit (de geluidbron) is gemodelleerd als een puntbron. (…)
6. Berekening
De hoogst berekende geluidniveaus ten gevolge de buitenunit zijn in tabel 1 weergegeven
samen met de geluidgrenswaarden uit het Bbl die gelden op de perceelsgrens met een
ander perceel met woonfunctie. De berekende waarden zijn hierbij afgerond volgens NEN
1047 “Receptbladen voor de statistische verwerking van waarnemingen”, zoals
voorgeschreven is in de Omgevingsregeling (voorheen HMRI).
In onderstaande tabel zijn de meest relevante toetspunten met de bijhorende geluidniveaus
weergegeven.(…)
(…)
6.1Geluidberekening inclusief omkasting
7.Conclusie
Voor de geplaatste warmtepomp buitenunit aan [adres2] te [woonplaats] kunnen wij
concluderen dat:
Situatie zonder omkasting:
De berekende waarde van de buitenunit voor [adres2] te [woonplaats] van
40 dB(A) voldoet aan de geluidsnorm overeenkomstig het Besluit bouwwerken
leefomgeving van 40 dB(A) gedurende de nacht- en avondperiode (19:00 uur tot
07:00 uur) en tevens voldoet aan de norm van 45 dB(A) gedurende de
dagperiode (07:00 uur tot.19:00 uur).
Huidige situatie met omkasting:
De berekende waarde van de buitenunit voor [adres2] te [woonplaats] van
37 dB(A) voldoet aan de geluidsnorm overeenkomstig het Besluit bouwwerken
leefomgeving van 40 dB(A) gedurende de nacht- en avondperiode (19:00 uur tot
07:00 uur) en tevens voldoet aan de norm van 45 dB(A) gedurende de
dagperiode (07:00 uur tot.19:00 uur).’
3.14
[geïntimeerden] hebben het rapport van [naam5] laten beoordelen door [naam2] In het door [naam2] opgemaakte, ongedateerde rapport staat:
‘2. Representativiteit van de meting
Uit bijlage 4 van het rapport blijkt dat de meting op 9 oktober 2025 is uitgevoerd bij een
buitentemperatuur van circa 15°C.
Volgens openbare informatie bedroeg de temperatuur tijdens de meting circa 14°C, liep
deze later op tot 17°C en was de voorafgaande nacht niet kouder dan 10°C. (…)
De overlastperiode waarop het geschil ziet betreft met name eind 2024 en begin 2025, bij
buitentemperaturen beneden 7°C en rond het vriespunt. Dat is thermodynamisch een
wezenlijk andere bedrijfssituatie.
Een lucht/water-warmtepomp functioneert op basis van een dampcompressiecyclus. Bij
dalende buitentemperaturen neemt de compressieverhouding toe doordat de
verdampingsdruk daalt. Dit leidt tot hogere compressorbelasting, hogere ventilatorsnelheid
en langere draaitijd. Tevens treden bij temperaturen onder circa 7°C ontdooicycli (defrost)
op, waarbij tijdelijk verhoogde en fluctuerende geluidsniveaus kunnen optreden.
De meting bij 15-17°C weerspiegelt derhalve een relatief gunstige thermische situatie en is
niet representatief voor winterbedrijf.

3.Exacte normgrens bij gunstige temperatuur

Uit tabel 1 van het rapport volgt dat zonder omkasting een berekende waarde van exact 40
dB(A) wordt bereikt in avond- en nachtperiode. Dit is reeds bij circa 15°C.
Een berekend niveau dat exact samenvalt met de norm impliceert geen veiligheidsmarge.
Akoestische modellen kennen een onzekerheid van ten minste 1-2 dB. Indien het
bronvermogen bij lagere temperaturen toeneemt — hetgeen technisch aannemelijk is —
resulteert dit direct in overschrijding.
Het rapport onderbouwt niet dat het gemeten bronvermogen van 63,7 dB(A) het maximale
bronvermogen onder alle bedrijfscondities vertegenwoordigt. (…)

4.Thermodynamische onderbouwing (EN 14511 / EN 14825 / ASHRAE)

Conform EN 14511 en EN 14825 worden warmtepompen getest bij standaardcondities zoals
A7/W35 (7°C)/ A2/W35 (2°C) en A-7/W35 (-7°C). Uit gangbare prestatiecurves volgt dat de
COP (Coëfficiënt of Performance) aanzienlijk daalt bij lagere buitentemperaturen.
Indicatief:
Buitentemperatuur COP (indicatief) Compressorbelasting
15°C 4,5-5,0 laag/matig
7°C 3/8-4,2 matig
2°C 3/0-3,5 hoog
-7°C 2/2-2,8 zeer hoog
Wanneer de COP daalt, stijgt het benodigde elektrische ingangsvermogen om hetzelfde
warmtevermogen te leveren. Dit betekent hogere compressorfrequentie en ventilatorsnelheid.
Volgens de ventilatorwetten (ISO 5801) geldt dat het opgenomen vermogen ongeveer evenredig is met de derde macht van het toerental. Een beperkte stijging in ventilatorsnelheid kan dus leiden tot een merkbare stijging in geluidsvermogen (Lw).
Akoestisch geldt dat een verdubbeling van mechanisch vermogen een stijging van circa 3 dB
kan veroorzaken. Indien bij 15°C reeds de normgrens wordt bereikt/ is het vanuit fysisch-technisch perspectief aannemelijk dat bij winterbedrijf hogere geluidsniveaus optreden. (…)

5.Ontbrekende duidelijkheid over bedrijfsinstelling(…)

Zelfs indien bij 15°C “volle toeren” zijn gebruikt, is dit niet vergelijkbaar met maximale
thermische belasting bij 0°C of lager. Het rapport toont niet aan dat gemeten is onder
maximale winterbelasting conform het Bbl-criterium.

6.Meetopstelling en methodiek (…)

Toetsing volgens het Bbl vindt plaats op de perceelgrens waarbij door de eerdere
deskundige van de wederpartij is gesteld dat op 3,5 meter dient te worden gemeten.
De bronvermogensbepaling dient representatief te zijn voor de relevante
overdrachtssituatie. Metingen op grotere hoogte (6,5 meter) kunnen een afwijkende
reflectiesituatie opleveren. De metingen hadden op 3,5 meter hoogte moeten plaatsvinden
op de erfgrens.
Daarnaast is zichtbaar dat de meetpersoon zich tussen bron en microfoon bevond, hetgeen
directe geluidsoverdracht kan beïnvloeden. Het rapport bevat geen specificatie van
microfoonpositie, meetonzekerheid of volledige ruwe meetdata.
Verder wordt een windsnelheid van 5,0 m/s vermeld, hetgeen de bovengrens is voor
betrouwbare buitenmetingen. Een analyse van meetonzekerheid ontbreekt. (…)
Men zit precies op de normgrens. Er is dus geen enkele marge.
Bij een rekenonnauwkeurigheid van 1 dB zit men er direct boven. (…)
7. Ommanteling en temporele relevantie
De onderzochte situatie betreft een momentopname op 9 oktober 2025. De overlastperiode
eind 2024 / begin 2025 betrof de situatie zonder omkasting.
Het rapport kan daarom niet uitsluiten dat in de oorspronkelijke configuratie overschrijding
heeft plaatsgevonden. (…)

8.Samenvattende conclusie

Op grond van het voorgaande kan het rapport van [naam5] niet aantonen dat:
• de installatie onder wintercondities (temperatuur onder de 7°C) voldoet aan de norm
van 40 dB(A);
• geen overschrijding heeft plaatsgevonden in de periode eind 2024 / begin 2025;
• het maximale bronvermogen is vastgesteld;
• de meting representatief is voor de overlastgevende situatie.
Integendeel:
• Bij 15-17°C wordt reeds exact de grenswaarde bereikt;
• Thermodynamische en ventilatorprincipes maken een hogere geluidsproductie bij
lagere temperaturen aannemelijk;
• Meetcondities en meetopstelling roepen methodische vragen op;
• Een veiligheidsmarge ontbreekt volledig.
Onder deze omstandigheden kan niet warden geconcludeerd dat structureel en onder alle
relevante bedrijfsomstandigheden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt
voldaan.’
3.15
[geïntimeerden] hebben loonbeslag onder [appellante] laten leggen. De bij exploot aangezegde dwangsommen betreffende de periode van 20 januari 2025 tot en met 17 maart 2025 à € 11.400,- zijn betaald dan wel geïnd.
3.16
Met een brief van 9 maart 2026 zijn namens [geïntimeerden] aan [appellante] opnieuw dwangsommen aangezegd, te weten over de periode 1 december 2025 tot en met 24 februari 2026 voor € 17.200,-. In de brief is door de advocaat geschreven:
Dwangsommen:
Bijgaand treft u een overzicht van de gemeten resultaten aan over de periode van 1
december 2025 tot en met 24 februari 2026. Zoals toegezonden is voor iedere meting een
opname beschikbaar en is bij deze metingen gebruik gemaakt van dezelfde meter die de
deskundige heeft gebruikt voor de controle metingen in de periode van begin 2025.
De metingen zijn verricht met dezelfde ISO-gecertificeerde geluidsmeter (PCE 322A) als
gebruikt bij de eerdere controlemetingen, waarvan geluidsopnamen beschikbaar zijn. De
overschrijding is reproduceerbaar en structureel vastgesteld.
De wijze waarop de situatie is aangepast is onvoldoende en daarmee is niet voldaan aan het
vonnis van 20 november 2024. (…) Gezien de vastgestelde overlast en de betekening van het vonnis (20 januari 2025) vorderen cliënten de verbeurde dwangsommen vanaf 1 december 2025 tot en met 24 februari (86 dagen x € 200,-=) €17.200,-. (…) Bij gebrek van betaling binnen 5 dagen na heden geef ik cliënten in overweging de vordering ter executie aan te bieden bij de deurwaarder.’
3.17
Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof was de in de brief van 9 maart 2026 gestelde vordering nog niet ter executie aangeboden aan de deurwaarder.
De grondslag van de vordering
3.18
[appellante] heeft gevorderd schorsing van de executie en tenuitvoerlegging van de dwangsommen op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 50.000,- per keer dat [geïntimeerden] toch overgaan tot voornoemde. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij wel degelijk al uitvoering heeft gegeven aan het vonnis. Zij heeft de warmtepomp verplaatst en gedraaid waardoor zij inmiddels aan het vonnis voldoet. Ter onderbouwing van die stelling wijst [appellante] op de deskundigenrapporten van [naam3] ( [naam4] ) en [naam5] (zie daarvoor rechtsoverweging 3.11, 3.12 en 3.13). Uit deze deskundigenrapporten blijkt, aldus [appellante] , dat het rapport op grond waarvan de dwangsommen zijn opgeëist, de conclusie dat de dwangsommen zijn verbeurd niet kan dragen. Het opeisen van de dwangsommen en eventuele executie van het vonnis leidt onder deze omstandigheden tot misbruik van executiebevoegdheid.
Het wettelijk kader
3.19
In dit executiegeschil gaat het in de kern om de vragen of [appellante] dwangsommen heeft verbeurd en of dwangsommen door [geïntimeerden] (verder) mogen worden geëxecuteerd. Als die vragen ontkennend moeten worden beantwoord, is vervolgens relevant of [appellante] recht heeft op terugbetaling van dat wat zij reeds aan [geïntimeerden] heeft betaald aan vermeend verbeurde dwangsommen. Voor de beoordeling van deze vragen in dit hoger beroep is het volgende van belang.
3.2
Aan de executant, in dit geval [geïntimeerden] , komt de bevoegdheid toe een ten gunste van hem gewezen uitspraak ten uitvoer te leggen. Indien vervolgens onenigheid tussen partijen ontstaat in relatie tot de executie, kan een executiegeschil aanhangig worden gemaakt op basis van artikel 438 Rv Pro. Dit is alleen mogelijk in verband met een dreigende of in uitvoering zijnde executie, en dus niet wanneer de executie reeds is beëindigd.
3.21
Indien een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 438 lid 2 Rv Pro) betrekking heeft op een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel (meer) openstaat, is de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging ter discussie staat definitief. Dat is in dit geval aan de orde met de veroordelingen in het vonnis van 20 november 2024. Er bestaat dan in beginsel enkel grond voor schorsing ingeval sprake is van misbruik van bevoegdheid waarvan onder andere, maar niet uitsluitend, sprake kan zijn in geval van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in het vonnis dat ten uitvoer wordt gelegd of in geval van een noodtoestand op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. Dit zijn slechts voorbeelden van een situatie waarin de partij die bevoegd is een uitspraak ten uitvoer te leggen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen en dan dus haar bevoegdheid misbruikt overeenkomstig de in artikel 3:13 BW Pro genoemde maatstaf. [2]
3.22
In een executiegeschil kan ook aan de orde komen of dwangsommen zijn verbeurd. De executierechter dient in dat geval te beoordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom is verschuldigd, zijn vervuld. Daarbij heeft de executierechter nadrukkelijk niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen.
3.23
De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient (wanneer sprake is van een veroordeling om iets te doen) plaats te vinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg moet de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De rechter mag bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren.
3.24
In een kort geding, zoals hier aan de orde, zijn de wettelijke regels van bewijsrecht niet van toepassing, in die zin dat er in beginsel geen plaats is voor uitvoerige bewijslevering. Een executie kort geding vereist een spoedeisend belang bij (onder meer) het schorsen van de executie/de tenuitvoerlegging van de dwangsomveroordeling.
Het spoedeisend belang?
3.25
Het hof constateert dat de voorzieningenrechter klaarblijkelijk van een spoedeisend belang van [appellante] bij haar vorderingen is uitgegaan door de vorderingen inhoudelijk te beoordelen. Tegen dit in het vonnis besloten oordeel is geen grief gericht, zodat het hof moet aannemen dat het spoedeisend belang bestond ten tijde van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Bij een kort geding in hoger beroep moet het spoedeisend belang van de eisende partij bij de door haar verlangde voorziening ten tijde van de uitspraak van het hof nog bestaan. Of daarvan sprake is, beoordeelt het hof ambtshalve. De vraag of een spoedeisend belang bestaat, wordt beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. [3]
3.26
[appellante] heeft gevorderd [geïntimeerden] te verbieden over te gaan tot verdere executie van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de dwangsommen. Voor zover dit verbod ziet op de volgens [geïntimeerden] verbeurde dwangsommen in de periode van 20 januari 2025 tot en met 17 maart 2025 à € 11.400,- is deze executie ten einde gekomen. Tussen partijen is immers niet in geschil dat ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof [appellante] volledig heeft voldaan aan de per exploot aangezegde betalingsverplichtingen. Daarmee is de aangevangen executie van het vonnis door de inning van de dwangsommen ten einde gekomen en heeft zij bij schorsing daarvan geen belang meer. Het voorgaande neemt niet weg dat [geïntimeerden] inmiddels, kort voor de mondelinge behandeling bij het hof, met de brief van 9 maart 2026 opnieuw dreigen met executie. [geïntimeerden] menen dat [appellante] nog steeds de veroordelingen overtreedt die uitgesproken zijn in het vonnis en dat de aanpassingen die zij voor wat betreft de warmtepomp heeft doorgevoerd, onvoldoende zijn. In deze dreiging van verdere executie ziet het hof een voldoende spoedeisend belang en zal het de vordering beoordelen.
3.27
Voor zover [appellante] heeft gevorderd restitutie van de geïnde bedragen uit hoofde van de volgens [geïntimeerden] verbeurde dwangsommen en betaling van de door haar gemaakte deskundigenkosten heeft zij haar spoedeisend belang bij deze vorderingen onvoldoende voor het voetlicht gebracht. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een eventueel oordeel van een bodemrechter over de vraag of geïnde dwangsommen moeten worden terugbetaald en de deskundigenkosten moeten worden vergoed niet kan afwachten. Van acute betalingsproblemen aan haar zijde of schade die alleen met betaling kan worden voorkomen, is niet gebleken. Het hof is van oordeel dat een spoedeisend belang voor deze vorderingen ontbreekt. Dat neemt niet weg dat [appellante] ook inhoudelijk geen gelijk zou hebben gekregen, omdat het hof in dit stadium, zonder nadere bewijslevering, niet kan aannemen dat zij onverschuldigd heeft betaald, waarvoor zij de stelplicht en bewijslast draagt (artikel 6:203 BW Pro). Het hof verwijst hiervoor kortheidshalve naar rechtsoverweging 3.30 tot en met 3.34. Zonder nader bewijs kan evenmin worden vastgesteld dat er een grondslag bestaat om de deskundigenkosten in kort geding voor rekening van [geïntimeerden] te brengen.
3.28
Het voorgaande betekent dat de vorderingen met betrekking tot de al betaalde dwangsommen en de deskundigenkosten niet toewijsbaar zijn.
Heeft [appellante] voldaan aan het vonnis? De methode voor de meting?
3.29
Doel en strekking van het vonnis is om het geluidsniveau terug te brengen tot maximaal 45 decibel overdag en 40 decibel ’s nachts. Tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter is niet gegriefd, zodat het hof daar ook van uitgaat. Relevant is dat in het vonnis is aangesloten bij publiekrechtelijke regelgeving voor wat betreft de eisen die voor het geluidsniveau van warmtepompen met een buitenunit en airco’s gelden. Voor het antwoord op de vraag of [appellante] aan de veroordelingen uit het vonnis heeft voldaan, is voor de waardering van de bewijsmiddelen weliswaar niet beslissend of volgens publiekrechtelijk voorgeschreven meetmethoden het geluidsniveau is vastgesteld, maar in het kader van het kort geding waarin voor uitvoerige bewijslevering geen plaats is, kunnen de publiekrechtelijke normen en meetmethoden wel als gezichtspunten worden meegewogen bij beantwoording van de technische vraag of de norm van 45 decibel overdag (tussen 07:00 uur tot 19:00 uur) en 40 decibel ’s nachts (tussen 19:00 uur tot 07:00 uur), daadwerkelijk is overschreden.
3.3
[appellante] heeft onder verwijzing naar de deskundigenrapporten van [naam3] ( [naam4] ) en [naam5] gemotiveerd gesteld dat zij aan de veroordelingen heeft voldaan en dat de meetmethode van [geïntimeerden] ondeugdelijk is om de conclusie te rechtvaardigen dat haar warmtepomp de norm van 45 decibel overdag en 40 decibel ’s nachts overschrijdt. [appellante] heeft weliswaar zelf geen geluidsmetingen uit de periode tussen 20 januari 2025 en 17 maart 2025 in het geding gebracht, maar heeft onder verwijzing naar de rapporten van [naam3] en [naam5] in het bijzonder gesteld dat bij de door [geïntimeerden] en/of [naam1] uitgevoerde metingen onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd en op basis daarvan niet de conclusie kan worden getrokken dat het geluidsniveau wordt overschreden. [appellante] heeft aldus de methodologische basis van de door [geïntimeerden] gepresenteerde metingen in twijfel getrokken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft zij samengevat betoogd dat op grond van de Omgevingsregeling juncto bijlage XVII het geluidsniveau moet worden bepaald met een nader omschreven klasse-1 meter. [geïntimeerden] meten evenwel met een klasse-2 meter of filmen met een telefoon terwijl de meter voor en na iedere meetreeks moet worden gekalibreerd. Bij [geïntimeerden] ontbreekt die kalibratie, aldus [appellante] . De meetduur moet verder minimaal 1 minuut bedragen, terwijl [geïntimeerden] 6 tot 27 seconden meten en geen stoorgeluidcorrectie toepassen. Er is geen controle verricht op reflecties en achtergrondgeluid. Verder heeft [appellante] gesteld dat vraagtekens moeten worden geplaatst bij het meetpunt. Met name zou onduidelijk zijn of steeds op de erfgrens is gemeten en onder welke condities voor wat betreft wind, verkeer en leefgeluid. De omstandigheden zouden niet gestandaardiseerd zijn en reproduceerbaarheid zou ontbreken. De controle meting die [naam5] op 9 oktober 2025 heeft verricht op basis van de meet- en rekenmethode uit de Omgevingsregeling laat zien dat de grenswaarden voor de geluidsniveaus, zelfs zonder omkasting zoals in de periode van 20 januari 2025 tot 17 maart 2025 het geval was, niet worden overschreden, aldus nog steeds [appellante] .
3.31
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [appellante] niet aan de veroordelingen uit het vonnis heeft voldaan en de dwangsommen heeft verbeurd in de periode van 20 januari 2025 tot 17 maart 2025. Zij hebben daarvoor verwezen naar een excel overzicht met door hen verrichte geluidsmetingen (met vermelding van type meter, datum, weersomstandigheden en locatie), filmopnames van de metingen en een kallibratierapport. Ook hebben zij deskundigenrapporten van [naam1] ( [naam2] ) in het geding gebracht (vergelijk rechtsoverweging 3.9 en 3.14.). Uit hun brief van 9 maart 2026 blijkt dat zij, ter onderbouwing van hun betoog dat [appellante] nog steeds niet aan het vonnis voldoet en nog steeds dwangsommen verbeurt (het betreft dan de periode vanaf 1 december 2025 tot en met 24 februari 2026), opnieuw metingen hebben verricht en met (geluids-) opnames hebben vastgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben zij niet gesteld dat zij hun meetmethode wezenlijk hebben aangepast of gewijzigd. Deze metingen zijn door [geïntimeerden] zelf verricht, althans [naam2] is daarbij niet betrokken geweest.
3.32
[geïntimeerden] hebben tegen de controlemeting van [naam5] van 9 oktober 2025 ook nog bezwaren ingebracht. Zo wijzen zij onder meer op de regelgeving die voorschrijft dat bij installaties waarbij een ontdooicyclus (‘defrost’) voorkomt, ook tijdens deze bedrijfstoestand moet worden gemeten. Dat is door [naam5] niet gebeurd waardoor het rapport nalaat om de relevante bedrijfstoestanden van de installatie daadwerkelijk te testen, aldus [geïntimeerden] Daar komt, aldus [geïntimeerden] , bij dat wel duidelijk is dat bij hogere buitentemperaturen de installatie al rond de grenswaarden zit van het geluid. De controlemeting is namelijk uitgevoerd bij een buitentemperatuur van circa 15°C die een relatief gunstige thermische situatie is en niet representatief voor winterse omstandigheden. [geïntimeerden] hebben daarbij gewezen op de regeling in het Bouwbesluit 2012, bijlage VIII, tabel 1 die per 1 januari 2024 is vervallen en op de regeling tot wijziging van de Omgevingsregeling in verband met de actualisatie van een tweetal normen voor het Besluit bouwwerken leefomgeving. [4] Zij hebben daarbij gesteld dat voor een meting bij een hybride warmtepomp waar het hier om gaat de buitentemperatuur tenminste 5°C en ten hoogste 10°C moet zijn.
3.33
Het hof kan [geïntimeerden] in deze laatste stellingen niet zonder meer volgen omdat in de door hen aangehaalde regelingen ook geschreven staat dat het geluidsniveau van de installatie voor warmte- of koudeopwekking wordt gemeten bij het maximale toerental behorende bij de gekozen instelling van de installatie. Alleen als dat niet mogelijk is, moet de meting plaatsvinden onder de in de tabel omschreven omstandigheden met een buitentemperatuur van tenminste 5°C en ten hoogste 10°C. Van belang is in dit verband dat tijdens de mondelinge behandeling bij het hof door [appellante] gemotiveerd is aangevoerd dat [naam5] heeft gemeten bij maximaal vermogen en dat de warmtepomp niet harder dan 100% kan draaien waardoor de buitentemperatuur niet relevant is; het maximale vermogen is het maximale vermogen, ongeacht of het buiten 15°C of -7°C is, aldus [appellante] .
3.34
Het hof constateert dat gelet op de deskundigenberichten die door [appellante] in het geding zijn gebracht en het partijdebat, vraagtekens zijn te plaatsen bij de metingen die [geïntimeerden] ten grondslag hebben gelegd aan hun stelling dat [appellante] niet aan de veroordelingen uit het vonnis heeft voldaan. Dat geldt zowel voor de periode van 20 januari 2025 tot 17 maart 2025 als voor de periode van 1 december 2025 tot en met 24 februari 2026 nu zij hun meetmethoden niet significant hebben gewijzigd. Tegelijkertijd zijn, gelet op de deskundigenberichten die door [geïntimeerden] in het geding zijn gebracht, ook vraagtekens te plaatsen bij de methode van de door [appellante] geraadpleegde deskundigen. Of de ontdooicyclus (‘defrost’) in dit geval van invloed is op de resultaten, kan het hof bijvoorbeeld niet beoordelen. Nu twijfel bestaat over de meetmethode, kan het hof niet vaststellen of de metingen van [geïntimeerden] al dan niet afdoende zijn geweest om een betrouwbare uitspraak te doen over het antwoord op de vraag of de norm van 45 decibel overdag en 40 decibel ’s nachts daadwerkelijk door [appellante] wordt overschreden. Voor die vaststelling heeft het hof behoefte aan nader bewijs in de vorm van een deskundigenbericht waarbij de metingen van [geïntimeerden] tegen het licht worden gehouden. Daarvoor leent een kort geding zich echter niet.
3.35
Het voorgaande betekent naar het oordeel van het hof dat [geïntimeerden] onder de gegeven omstandigheden misbruik maken van hun bevoegdheid wanneer zij (opnieuw) dwangsommen opeisen en tot verdere executie van het vonnis overgaan op basis van de (eerder) gehanteerde meetmethode waarvan de betrouwbaarheid ter discussie staat. Zolang de juistheid van de methodologische basis van de door [geïntimeerden] gepresenteerde metingen niet vaststaat, kunnen zij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen hun belang bij de uitoefening van hun executierecht en het belang van [appellante] dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid komen. Het hof zal hen dan ook bij deze stand van zaken verbieden om over te gaan tot een verdere executie van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de dwangsommen voor zover die nog niet zijn geïnd op straffe van het verbeuren van een dwangsom, zoals die in het dictum nader is bepaald.
De conclusie
3.36
Het hoger beroep slaagt ten dele. [5] Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigen. Het hof ziet aanleiding in de uitkomst van de procedure de proceskosten zowel bij de voorzieningenrechter in de rechtbank als in hoger beroep te compenseren nu partijen ieder deels gelijk en deels ongelijk (hadden moeten) krijgen. Het teveel aan vergoeding van de proceskosten bij de voorzieningenrechter in de rechtbank zal door [geïntimeerden] aan [appellante] moeten worden terugbetaald.
3.37
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 27 mei 2025, en beslist daarvoor in de plaats:
4.2
verbiedt [geïntimeerden] om over te gaan tot verdere executie van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de volgens hen verbeurde dwangsommen voor zover die nog niet zijn geïnd, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 25.000,- voor elke keer dat [geïntimeerden] in strijd handelen met dit verbod, met een maximum van € 50.000,-;
4.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt zowel bij de voorzieningenrechter in de rechtbank als in hoger beroep;
4.4
veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellante] van de proceskosten die zij op grond van de beslissing onder 4.2 van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 27 mei 2025 aan [geïntimeerden] heeft betaald;
4.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, D.H. de Witte en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.

Voetnoten

2.Vergelijk onder meer HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 en HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
3.Vergelijk onder meer HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437, HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661 en HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1541.
4.Staatscourant 2025, 20900, in werking getreden met ingang van 1 juli 2025.
5.De grieven slagen voor wat betreft de nog niet geïnde dwangsommen en voor het overige behoeven zij bij gebrek aan (spoedeisend) belang geen bespreking meer.