ECLI:NL:GHARL:2026:30

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
21-001633-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke leidinggeven aan oplichting en witwassen in het kader van Ponzi-fraude

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en witwassen. De verdachte, die als feitelijk leidinggevende van de rechtspersonen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] fungeerde, heeft een Ponzi-fraude gepleegd waarbij hij investeerders heeft misleid door hen te laten geloven dat zij bitcoin miningcomputers kochten die hen rendement zouden opleveren. In werkelijkheid waren deze computers nooit aangeschaft en was er geen miningfarm. De verdachte heeft in totaal € 2.533.231,68 verworven, waarvan hij een aanzienlijk deel voor privédoeleinden heeft aangewend. Het hof heeft de eerdere veroordeling van de rechtbank Overijssel vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn er schadevergoedingen toegewezen aan benadeelde partijen, die als gevolg van de oplichting schade hebben geleden. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke leidinggeven aan oplichting en het plegen van witwassen als een gewoonte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001633-23
Uitspraakdatum: 7 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 20 maart 2023 met parketnummer 08-996147-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] [postcode] , [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van 10 december 2025 bij het hof en op de zittingen bij de rechtbank besproken is. Op de zitting van 7 januari 2026 is het onderzoek gesloten.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank kan worden beslist. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. L.R. Rommy, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.
Het hof vernietigt het vonnis, omdat het tot gedeeltelijk andere beslissingen komt ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie, de strafoplegging en (op onderdelen) tot andere beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 januari 2017 tot en met 13 december 2017, te [plaats] en/of te [plaats] , en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een groot aantal personen, waaronder
- [benadeelde 10] en/of [benadeelde 20] en/of [benadeelde 21] en/of [benadeelde 22] en/of
- [benadeelde 46] en/of
- [benadeelde 2] en/of
- [benadeelde 9] en/of
- [benadeelde 38] en/of
- [benadeelde 24] en/of
- [benadeelde 16] en/of [naam] en/of
- [benadeelde 48] en/of
- [benadeelde 32] en/of
- [benadeelde 39]
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen en en/of een of meer dash computers, althans een of meer goed(eren), te weten:
- 264.000 euro, althans een of meer geldbedrag(en), van [benadeelde 10] en/of [benadeelde 20] en/of [benadeelde 21] en/of [benadeelde 22] (vindplaats: DOC-075a, pag. 1413 e.v.), en/of
- 52.944,06 euro, althans een of meer geldbedrag(en), en/of drie dash computers, althans
enig goed van [benadeelde 46] (vindplaats: DOC-075b, pag. 1449 e.v.), en/of
- 27.180,61 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 2] (vindplaats: AMB 039, pag. 213 e.v.), en/of
- 14.728,12 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 9] (vindplaats: AMB-039,
pag. 285 e.v.), en/of
- 66.466,65 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 38] (vindplaats: DOC-075d, pag. 1508), en/of
- 13.207,50 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 24] (vindplaats:
AMB-039, pag. 90 e.v.), en/of
- 12.310,00 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 16] en/of [naam] (vindplaats: DOC-075i, p. 2016 e.v.) , en/of
- 70.198 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 48] (vindplaats: DOC-075L, pag. 2152 e.v.), en/of
- 30.774,99 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 32] (vindplaats: AMB-039, pag. 267 e.v.), en/of
- 6.166,55 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 39] (vindplaats: DOC-075Q, pag. 2310 e.v.),
immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of haar
mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk
en/of listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- zich voorgedaan als ervaren bitcoinminer(s) en/of miningexpert(s), en/of bonafide
verkoper van bitcoinminingcomputers, en/of
- op de website [website] informatie gepubliceerd over de voordelen van investeren in bitcoin mining machines dat 'minen meer zou renderen dan het hebben van zonnepanelen' en/of te vermelden dat 'de aansluiting van bitcoinminingcomputers en de stroom zou worden geregeld', en/of
- een flyer met informatie verspreid en/of overhandigd aan een of meer personen met de koptekst 'Bitcoin Mining Machine: voordeliger investeren dan in zonnepanelen', en/of - verteld dat bitcoinminingcomputers op voorraad waren, en/of
- verteld dat de daadwerkelijke maandelijkse netto opbrengsten nog veel hoger zijn en dat de opbrengsten op de webpagina en flyer de minimale opbrengsten zijn die [bedrijf 1] aan haar klanten zonder meer kan garanderen, en/of
- verteld dat de opbrengst 0,3 tot 0,4 bitcoin per miningcomputer was, en/of
- verteld dat als de miningcomputers aan elkaar werden gekoppeld de opbrengst hoger werd, en/of
- verteld dat er door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een grote serverruimte was ingericht op een geheime locatie, en/of
- verteld dat niemand in de locatie van de bitcoinminingcomputers mocht en/of dat deze locatie geheim moest blijven om verzekeringstechnische redenen, en/of
- een verzekeringsdocument opgemaakt en/of getoond, en/of
- verteld dat er specialisten in dienst waren voor het beheren van de machines, en/of
- verteld dat er een miningfarm was, en/of
- koopovereenkomsten opgemaakt en/of afgesloten voor de levering van miningcomputers TC 16, en/of
- verteld en/of in koopovereenkomst(en) vermeld dat de computers altijd eigendom blijven van de koper, en/of
- in de koopovereenkomst(en) vermeld dat de aangeschafte mining computers in het/de/een bitcoin miningfarm ondergebracht zouden worden, en/of
- in de koopovereenkomst(en) vermeld dat elke 1e van de maand uitbetaling zal plaatsvinden, en/of - koopovereenkomst(en) betreffende (niet bestaande) bitcoinminingcomputer(s) te verzenden/mailen aan klanten, en/of
- een servicecontract voor onderhoud voor een of meer (niet bestaande) bitcoinminingcomputer(s) af te sluiten, en/of
- verteld dat krachtstroom werd gebruikt en/of de dienstverleningskosten laag waren door het gebruik van krachtstroom, en/of - verteld dat de gekochte (niet bestaande) bitcoinminingcomputer(s) was/waren voorzien van een serienummer, en/of
- door ('rendements')uitbetaling(en) te doen aan een/of meer personen,
waardoor bovengenoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n), zulks terwijl hij, verdachte, (telkens) tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 januari 2017 tot en met 21 november 2018, in [plaats] en/of [plaats] , althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten:
een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 2.533.231,68 euro (vindplaats pag. 264) (zegge: twee miljoen vijfhonderd drieëndertig duizend twee honderd eenendertig euro en achtenzestig eurocent), althans een of meer geldbedrag(en) en/of een (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) bitcoin(s) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, en/of zijn mededaders(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Inleiding
In deze strafzaak staat het strafrechtelijk onderzoek “Geppetto” centraal. Dit onderzoek is aangevangen naar aanleiding van artikelen in landelijke kranten en, aanvankelijk, zestien aangiften van oplichting tegen verdachte en/of de rechtspersonen [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] . Kopers van
miners [1] zouden zijn opgelicht.
Door het bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) werden
bitcoinminersaangeboden. Deze
minerskonden worden aangekocht, waarbij aan de koper een koopovereenkomst werd toegestuurd waarin het serienummer van de aangeschafte
minerstond vermeld. De koper zou volgens die koopovereenkomst te allen tijde eigenaar blijven van de
miner. Daarnaast kon de koper een servicecontract voor de
minerafsluiten bij het bedrijf [bedrijf 2] ). De aangeschafte
minerzou vervolgens in een
miningfarmworden geplaatst. De opbrengst zou vervolgens per
minerongeveer 0,3 bitcoin tot 0,4 bitcoin per maand bedragen. De bitcoinkoers heeft op zijn top in december 2017 een waarde van circa $ 20.000,-- per bitcoin behaald. Dit brengt met zich dat het rendement van een computer bijna $ 6.000,-- per maand zou zijn geweest. Uit de aangiften volgt dat er geen of te lage rendementsuitkeringen zijn gedaan. Uiteindelijk is er niets meer aan de eigenaren van de
minersuitgekeerd. [2] De FIOD heeft geconcludeerd dat er nooit een
miningfarmmet
minersheeft bestaan. Voor zover er ‘rendementsuitkeringen’ zijn gedaan, zouden deze gefinancierd zijn uit de betalingen voor de aankoop van
minersdoor latere klanten. Dit is kenmerkend voor een zogeheten Ponzi-fraude. Het hof komt hier verder op terug.
Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij een groot aantal investeerders heeft opgelicht en onder feit 2 dat hij de opbrengsten daaruit heeft witgewassen.
Met betrekking tot feit 1
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. (Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892)
Vaststelling van feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van de tenlastelegging in hoger beroep is van belang dat verdachte ter zitting van 10 december 2025 de hierna beschreven gedragingen grotendeels heeft erkend, maar daarbij heeft betoogd dat hij geen kwade intenties heeft gehad. In lijn met dat standpunt heeft de raadsman in hoger beroep bepleit dat verdachte niet het vereiste oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Andere verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, zijn in hoger beroep niet opnieuw naar voren gebracht.
Het hof kan zich met de hierna cursief opgenomen overwegingen van de rechtbank verenigen en maakt deze tot de zijne. Daar waar het hof aanvullingen of tekstuele aanpassingen heeft, zal dit telkens in de tekst (niet-cursief) worden vermeld.
De voorstelling van zaken & de werkelijkheid
Verdachte heeft voornamelijk zelf, namens de betrokken rechtspersonen, een voorstelling van zaken gegeven die niet in overeenstemming was met de werkelijkheid. Die rooskleurige voorstelling van zaken heeft een niet te ontkennen aantrekkingskracht gehad op aangevers. Zij zijn, op basis van die voorstelling, bewogen om in zee te gaan met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en dachten eigen miners te hebben aangeschaft met het geld dat zij hadden overgemaakt. De steller van de tenlastelegging heeft in 21 gedachtestreepjes een opsomming gegeven van feiten en omstandigheden die als oplichtingsmiddelen worden aangemerkt. Die laten zich onder verdelen in een aantal categorieën die hierna achtereenvolgens zullen worden besproken:
verdachte heeft zich, al dan niet namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , ten onrechte, voorgedaan als ervaren Bitcoinminer, miningexpert, en/of bonafide verkoper van Bitcoinminingcomputers;
verdachte heeft, al dan niet namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] met mondelinge en schriftelijke bedrieglijke mededelingen een valse voorstelling van zaken gegeven;
verdachte heeft, al dan niet namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] koopovereenkomsten opgemaakt, dan wel laten opmaken, en afgesloten voor de levering van miningcomputers TC 16 en daarbij/daarin bewust valse informatie verstrekt;
verdachte heeft, al dan niet namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] aan bestaande investeerders betalingen gedaan alsof het rendementsuitkeringen waren.
Naar het oordeel van de rechtbank is een deel van de 21 gedachtestreepjes niet aan te merken als middel waarmee een aangever werd bewogen tot het doen van een investering in miners, maar als een middel om te voorkomen dat reeds bestaande klanten (verder) onraad zouden ruiken en aan de bel zouden trekken. Het betreft over het algemeen leugens, bedrog en vervalsingen in incidentele gevallen, die naar het oordeel van de rechtbank onderstrepen met welk gemak verdachte in staat is de werkelijkheid te verdraaien en de gerechtvaardigde zorgen en belangen van anderen ondergeschikt te maken aan het eigen verdienmodel. Dergelijke handelingen zullen hierna waar nodig besproken worden, maar geschrapt worden in de bewezenverklaring.
Ad. 1 – Een ervaren Bitcoinminer, miningexpert en bonafide verkoper van Bitcoinminingcomputers
Op 12 januari 2017 wordt [bedrijf 1] door verdachte opgericht, met als bedrijfsdoel het handelen en verhandelen van cryptogeld (cryptocurrency). De oprichting door verdachte van [bedrijf 2] , met als bedrijfsdoel het handelen in onder meer digitale producten en software, heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van beide bedrijven. [3] [naam] heeft in de periode tussen de oprichting van deze bedrijven, op 26 januari 2017, een geldbedrag van € 13.735,-- op de privérekening van verdachte gestort voor de aanschaf van miningcomputers. [4] Verdachte heeft dit geldbedrag echter aangewend voor de aanschaf van kantoormeubelen, zo heeft hij op 21 mei 2019 bij de FIOD verklaard. [5] De familie [naam] [6] was volgens verdachte de eerste klant van ‘buiten’. [7] Dit betreft de familie die op 12 januari 2018 als eerste aangifte heeft gedaan van fraude/oplichting. [8] Verdachte heeft op 21 mei 2019 bevestigd dat hij zich tegenover de familie [naam] heeft voorgedaan als miningexpert die privé al minede, maar dat dit niet zo was. [9] Verdachte heeft daar op 20 mei 2019 over verklaard: ‘Ik wilde vertrouwen wekken door te zeggen dat ik zelf ook minede’. [10] Uit een geluidsopname van het verkoopgesprek dat verdachte met de familie [naam] voerde, volgt dat verdachte onder meer tegen hen heeft gezegd: ‘Ik ben de enigste eigenaar’. ‘Ik heb wel een familielid die ook geïnvesteerd heeft’. Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar ik doe al heel lang zwart, het minen, zeg maar, (…) niet op papier. Ik had zelf (…) samen met een familielid (…) al 64 stuks (…) en daar minen we eigenlijk altijd al mee. Ik deed zelf al veel met Bitcoins.’ [11] Maar ‘dat was eigenlijk (…) een lulverhaal’, zo heeft verdachte op 21 mei 2019 verklaard. [12] Hij heeft uiteindelijk ‘nog niet eens één’ Bitcoin gemined. [13]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de rechtspersonen [bedrijf 1] . en [bedrijf 2] door verdachte zijn opgericht en dat verdachte zich, als enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschappen, ten onrechte voordeed als een ervaren Bitcoinminer, miningexpert en bonafide verkoper van Bitcoinminingcomputers, om het vertrouwen van potentiële investeerders te wekken.
Ad. 2 – De mondelinge en schriftelijke bedrieglijke mededelingen
Op de website van [bedrijf 1] , [website] , stond informatie gepubliceerd over de voordelen van investeren in Bitcoinmining-machines. ‘Het is voordeliger om in een Bitcoinmining-machine te investeren dan in zonnepanelen’. ‘Na het tekenen van het contract wordt uw computer in onze Bitcoinminingfarm aangesloten en geactiveerd’, zo luidden de teksten onder meer op de website. [14] Daarnaast zijn er flyers gemaakt, waarmee verdachte volgens zijn verklaring zijn doelgroep probeerde te bereiken. [15] De voorkant van de flyer van [bedrijf 1] luidde als volgt: ‘ [bedrijf 1] . BITCOINS: DE VALUTA VAN DE TOEKOMST. NU VOOR U BEREIKBAAR! Bitcoin mining bij [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft ervoor gekozen om voor particulieren het bitcoin mining aantrekkelijk te maken. Wij zijn het eerste bedrijf in Europa dat een bitcoin mining farm heeft voor particulieren. We kunnen deze mining machines voor zeer scherpe prijzen aanbieden, omdat we deze zelf hebben ontwikkeld en geproduceerd’. Vervolgens stond op de andere zijde van de flyer de koptekst: ‘Bitcoin Mining Machine: voordeliger investeren dan in zonnepanelen’. [16]
De potentiële klanten van [bedrijf 1] werden ‘vanuit de informatie op de flyer, de informatie die op de website stond en [verdachte] (toevoeging rechtbank: verdachte) zijn verhaal (…) dat aansloot (…) op het verhaal wat op de website en de flyer stond’, geïnformeerd over de tegenprestatie die zij konden verwachten, zo heeft [benadeelde 10] (namens de familie [naam] ) op 21 februari 2019 bij de FIOD verklaard. [17] De internetaansluiting was via een centrale kast geregeld ende
stroom betrof krachtstroom met verdeelstations, zo had verdachte aan [benadeelde 10] verteld. Door het gebruik van krachtstroom waren de dienstverleningskosten laag. [18] [benadeelde 10] was via Google bij [bedrijf 1] terechtgekomen. Er werd volgens haar reclame gemaakt met de boodschap dat minen meer zou renderen dan het hebben van zonnepanelen. De aansluitingen en de stroom zouden worden geregeld. [19]
Verdachte hield klanten voor dat hij miners op voorraad had, maar dit was bij zijn eerste klant al niet het geval. Er kwamen daarna nog veel meer klanten die miners bestelden, maar het antwoord op de vraag hoe verdachte de vraag aan miners dan wilde gaan opvangen luidde bij de FIOD: ‘daar was eigenlijk geen plan voor’. [20] Aan potentiële klanten vertelde verdachte dat de daadwerkelijke maandelijkse netto-opbrengsten nog veel hoger zijn en dat de opbrengsten op de webpagina en flyer de minimale opbrengsten zijn die [bedrijf 1] zonder meer aan haar klanten kan garanderen. De opbrengst van een miner zou 0,3 tot 0,4 Bitcoin zijn, zo heeft verdachte aan [benadeelde 10] medegedeeld. [21] Als de miners aan elkaar werden gekoppeld, dan zou de opbrengst per maand hoger worden. [22] De miners werden evenwel slechts op papier aan de klanten verkocht. [23] ‘Hoe het in werkelijkheid zit, is iets anders dan dat ik vertelde’, aldus de verklaring van verdachte tegenover de FIOD. [24]
Hoewel verdachte aan personen, onder wie de familie [naam] en zijn administratief medewerkster, vertelde dat er een miningfarm was, was dit geenszins het geval. [25] ‘Hij wilde de precieze locatie gewoon niet vertellen. Hij toonde een verzekeringsdocument van de verzekeraar [naam] . Dit zou de verzekeraar zijn die de miningfarm verzekerde. Hij liet ons dit document zien om ons te overtuigen van het feit dat de farm verzekerd was en dat wij daar dus niet mochten kijken’, zo heeft [benadeelde 10] op 21 februari 2019 verklaard. [26] Ook in een artikel van de Volkskrant dat op 28 november 2017 verscheen, met de titel: ‘ [Titel Volkskrant] ’, staat beschreven dat de verzekeringsmaatschappij geheimhouding als voorwaarde stelt. [27]
Omdat veel personen vroegen of ze bij de miningfarm mochten kijken, terwijl er geen miningfarm was, heeft verdachte het verhaal verzonnen dat een bezoek aan de miningfarm vanwege verzekeringstechnische redenen niet mogelijk was. [28] Om dit verhaal geloofwaardig te laten zijn, heeft hij daartoe een vals document opgemaakt en aan de familie [naam] getoond. [29]
Verdachte heeft op deze wijze aan kopers van miners de stand van zaken zodanig voorgesteld dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een grote serverruimte hadden ingericht op een geheime locatie, alwaar specialisten die in dienst waren van de bedrijven zich bezig zouden houden met het beheren van de machines, zo heeft [benadeelde 38] op 20 januari 2018 in zijn aangifte verklaard. [30] Om de leugenachtige mededelingen te bekrachtigen werden onder de namen van [naam] en [naam] WhatsApp-berichten en e-mails aan de klanten verzonden(…)
. In werkelijkheid was hetechter
verdachte die de berichten en e-mails verstuurde. [31] De overtuigingskracht van verdachte was kennelijk groot, want ook zijn administratief medewerkster [naam] geloofde nog bij haar verhoor door de FIOD op 3 april 2019 dat [naam] echt bestond. [32] Bovendien leende [naam] aan verdachte op 6 april 2018 € 35.000,-- voor ‘(het) op zo kort mogelijke termijn kunnen realiseren en operabel maken van een datacenter waarin miningcomputers opgesteld staan welke Bitcoins generen’. [33]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande en de eerder gedane vaststellingen vast dat door (verdachte namens) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] mondeling en schriftelijk bedrieglijke mededelingen zijn gedaan over het investeren in miners, de hoeveelheid miners die op voorraad waren, de opbrengsten van het minen, de dienstverleningskosten, het bestaan van een miningfarm die om verzekeringstechnische redenen geheim moest blijven en het beheer van de miners door specialisten.
Ad. 3 – Het opmaken en afsluiten van koopovereenkomsten voor de levering van miningcomputers TC 16 en de daarbij/daarin verstrekte informatie
Verdachte heeft namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] koopovereenkomsten opgemaakt (en laten opmaken) voor de levering van miningcomputers TC 16. [34] Deze koopovereenkomsten werden naar de klanten verzonden. [35] In de koopovereenkomsten stond vermeld dat de miners in een miningfarm zouden worden ondergebracht. Daarnaast stond in de koopovereenkomst vermeld dat elke eerste van de maand een uitbetaling zou plaatsvinden, met uitzondering van feestdagen want dan zou dit worden vervroegd. Ook werd bij de koopovereenkomst medegedeeld dat, mocht er iets met [bedrijf 1] gebeuren, de miners altijd eigendom van de koper zouden blijven. Dit stond in het servicecontract van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] over het onderhoud van de Bitcoinminingcomputers vermeld, waarin ook het serienummer van de gekochte miner werd genoemd. [36] De door de kopers te betalen geldbedragen voor de aanschaf van miners zijn vervolgens overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 2] , met het Nederlandse [rekeningnummer] . In totaal betrof dit een bedrag van € 2.333.015,--. Verdachte ontving daarnaast ook op zijn privérekeningen ( [rekeningnummer]) een bedrag, namelijk
€ 28.921,15. Ook is een bedrag van € 137.000,-- contant voldaan en zijn aanschafkosten voldaan met de opbrengst van de verkoop van een BMW (€ 18.500,--. Uit onderzoek is gebleken dat [bedrijf 2] en verdachte met de verkoop van miningcomputers in totaal een geldbedrag van € 2.533.231,68 hebben ontvangen. [37]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande en de eerder gedane vaststellingen vast dat door (verdachte namens) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] koopovereenkomsten zijn opgemaakt en afgesloten voor de levering van miningcomputers TC 16, dat deze koopovereenkomsten aan de klanten zijn verzonden, dat in deze overeenkomsten bedrieglijke mededelingen zijn gedaan over het eigendom van de miner(s) en het serienummer van de miner(s), het onderbrengen daarvan in een miningfarm en de opbrengst van het minen. De enige reden die verdachte gezien zijn verklaringen bezien in onderling verband en samenhang hiervoor gehad kan hebben is om bij (potentiële) klanten het vertrouwen te wekken en hen ervan te overtuigen dat zij met een professionele partij in een betrouwbaar product stapten.
Ad. 4 – ‘Rendementsuitkeringen’
Aan meerdere klanten van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] zijn ‘rendementen’ uitgekeerd. [38] De familie [naam] ging vanwege de uitgekeerde rendementen over tot de aankoop van meer miners. [39] In totaal is via de bankrekening van [bedrijf 2] en de privérekening van verdachte aan de klanten een geldbedrag van € 225.266,50 aan zogenaamde rendementen uitgekeerd. [40] Daarnaast zijn er ook ‘rendementen’ uitgekeerd in de vorm van Bitcoins. Uit het opsporingsonderzoek volgt dat die uitkeringen naar schatting een waarde van € 614.632,-- vertegenwoordigen. [41] ‘Ik kocht gewoon die Bitcoins via de zwarte markt, bij Chinezen. Dat is heel makkelijk’, zo heeft verdachte op 8 oktober 2019 verklaard. [42] Het ging echter niet om rendementen die afkomstig waren uit het minen, zo heeft verdachte op 21 mei 2019 verklaard. ‘Ik betaalde met de nieuwe klanten de bestaande klanten. Ik kocht dan met het geld van de nieuwe investeerders weer Bitcoins, waarmee ik de bestaande klanten weer kon betalen.’ [43] Verdachte vertelde dat hij aangepaste Antminers S9 verkocht, maar hij heeft daarover verklaard: ‘Ik heb er zo’n verhaal over gehouden. Ik weet het niet eens meer. Het was één groot lulverhaal met chips en zo. Het was een lulverhaal hoe ik het deed’. [44] Verdachte heeft verder op 20 mei 2019 verklaard: ‘Nadat ik die hal (…) (de loods aan de [straat] in [plaats] ) (…) had gehuurd, ging het met de verkoop super goed. De Bitcoin steeg toen ook hard. Ik had toen ook al veel miners verkocht zonder dat ik ze ingekocht had. Het geld stond destijds op de rekening. (…) Ik kreeg destijds veel geld op mijn rekening door de verkoop van de miningcomputers. (…) Ik heb toen de keuze gemaakt om zelf Bitcoins te kopen en die uit te keren aan klanten. De Bitcoin stond toen nog niet zo hoog. Ik heb toen die klanten uitbetaald met de door mijzelf aangeschafte Bitcoins. (…) Ik wilde een goed bedrijf opzetten, maar dat is fout gelopen. Ik wilde gewoon trots zijn, maar het liep mis. En toen het mis liep, verviel ik weer in mijn oude gedrag. (…) Mensen aan het lijntje houden. Ik begon met een klein verhaal en het (…) werd (…) een groot verhaal. Zo ook het verhaal met China. (…) Daar is helemaal niets van waar. China was toen actueel en daar paste ik mijn verhaal op aan. (…) Dat de Bitcoins vaststonden op een server in China en dat wij daar niet bij konden. Dit was dan de reden dat de rendementsuitkering uitbleef. Deze leugen bood mij ruimte om een oplossing te zoeken.’ [45] Om zijn leugen te staven, maakte verdachte een e-mailadres aan op naam van [naam] en verzond hij e-mails naar klanten om aan te tonen dat het probleem in China lag en dat hij hard werkte aan een oplossing. [46] Verdachte was echter in [plaats] . [47] Op 13 november 2017 wordt het China-verhaal tijdens een informatieavond voor de klanten van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] aan ongeruste klanten medegedeeld, maar het verhaal berust op onwaarheden. [48]
Op 14 november 2017, een dag na de informatieavond, wordt [verdachte] persoonlijk failliet verklaard. [49] Hoewel op 28 november 2017 in de Volkskrant het eerdergenoemde artikel verschijnt met de titel ‘ [Titel Volkskrant] ’, [50] wordt [bedrijf 2] op 7 december 2017 in kort geding veroordeeld. Dit vonnis is op 8 december 2017 aan [echtgenote van verdachte] , betekend. [51] Dit heeft verdachte er evenwel niet van weerhouden om samen met [echtgenote van verdachte] in het weekend van 10 en 11 december 2017 nieuwe contracten voor klanten op te stellen. ‘Zij hadden diverse contracten opgesteld en serienummers gebruikt die al waren uitgegeven aan andere klanten. Zij verkochten toen miningcomputers, maar er waren toen helemaal geen miningcomputers meer op voorraad. Maar deze klanten hebben wel voor deze miningcomputers geld overgemaakt. Ik zag op de rekening dat deze binnengekomen geldbedragen contant werden opgenomen’, aldus de verklaring van [naam] . [52]
Op 22 december 2017 worden [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (nogmaals) in kort geding veroordeeld. [53] ‘Vooral ook de laatste mensen die instapten. Ik wist toen al dat het niet meer goed kwam’, zo heeft verdachte op 22 mei 2019 verklaard. [54]
Een van die nieuwe kopers is [benadeelde 26] . Hij heeft op 16 januari 2019 bij de FIOD verklaard: ‘Het initiatief kwam vanuit [verdachte] . Hij belde of appte mij dat hij in [plaats] was. Hij vertelde dat hij net een afspraak had gehad met [bedrijfsnaam] en daar Antminers had besteld. Ik dacht wow, fijn dat je aan mij denkt.’ [55] Verdachte zou in [plaats] Antminers voor [benadeelde 26] bestellen. Aldaar zou verdachte ook contact hebben gehad met [naam] , van [bedrijfsnaam] . [56] ‘ [verdachte] deed zich bij mij voor als een succesvolle zakenman. (…) Als ik vroeg hoe het met de zaken ging, dan gooide hij de sleutel van een dure Mercedes op tafel. Daarnaast liep hij in dure kleding, zoals Louis Vuitton, Gucci en dergelijke.’ [57] Verdachte wist echter bij voorbaat al dat hij van de € 100.000,-- die [benadeelde 26] had betaald, geen enkele Antminer zou aanschaffen. ‘Ik deed hem alleen een aanbod die te mooi was om waar te zijn. Met als enige doel het geld van hem te krijgen. Om met dit geld het bedrijf te redden en uitbetalingen aan klanten te kunnen doen.’ [58]
Het persoonlijk faillissement van verdachte brengt met zich dat de curator de miningfarm wilde zien, ‘waarop ik in paniek raakte en bedacht dat ik er computers neer moest gaan zetten’, aldus verdachte. Verdachte kocht daartoe 185 computers met het opschrift HP T5530 Thin-Client en plakte de serienummers van de kopers van miners op de apparaten. [59]
De zogenaamde inkoop van computers moest aan zijn medewerkers worden verantwoord. Daartoe werden door verdachte valse inkoopfacturen opgemaakt, waarbij hij gebruik maakte van de persoonsgegevens van een persoon met de naam [naam] . Verdachte kocht daartoe op ‘het dark web’ een paspoort van ene [naam] : ‘Ik heb er gewoon één gepakt. (…) Gewoon omdat dat gewoon goed aansloot bij het feit dat ik veel in [plaats] was’. [60] Het was echter onmogelijk om met de ingekochte computers te minen, omdat deze niet over de daartoe vereiste rekenkracht beschikken. [61] Overigens is uit onderzoek ook gebleken dat de computers na levering helemaal niet zijn gebruikt. [62]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat door (verdachte namens) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] aan meerdere personen betalingen zijn gedaan onder vermelding van ‘rendement’, terwijl het in werkelijkheid niet om rendementen ging die afkomstig waren uit het minen van Bitcoins maar om opbrengsten uit de latere inleg door participanten die geloofden dat zij miners hadden gekocht die hen op een later moment ook rendement zouden opleveren.
Oplichtingsmiddelen
De rechtbank overweegt, op basis van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, dat door (verdachte namens) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] mededelingen zijn gedaan aan kopers van miners en dat deze mededelingen grotendeels betrekking hebben op in de toekomst liggende verwachtingen en te leveren prestaties. Zulke mededelingen zijn niet zonder meer als oplichtingsmiddelen aan te merken, omdat het gaat over verwachtingen van partijen bij het aangaan van een overeenkomst.
In de regel zal bij niet-nakoming van daaruit voortvloeiende (inspannings)verplichtingen sprake kunnen zijn van wanprestatie, maar dat levert nog geen oplichting op. Dat kan echter anders zijn als komt vast te staan dat verdachte bewust van meet af aan niet de bedoeling had om [bedrijf 1] en [bedrijf 2] haar contractuele verplichtingen te laten nakomen en aldus een vertekend beeld van de werkelijkheid heeft gegeven door een samenweefsel van onwaarheden.
De rechtbank is van oordeel dat daar sprake van is, omdat uit de redengevende feiten en omstandigheden volgt dat door (verdachte namens) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] reeds voor en bij het aangaan van de eerste contractuele verplichtingen met de familie [naam] bewust een vertekend beeld van de werkelijkheid is gegeven door – in strijd met de waarheid – tegenover de kopers van miners voor te wenden dat zij een miner met een specifiek serienummer in eigendom kregen, dat deze miner in een miningfarm zou worden geplaatst om aldaarb
itcoins te minen en dat iedere eerste dag van de maand(…)
een rendementsuitkering zou plaatsvinden, met uitzondering van de feestdagen, dan zou de rendementsuitkering op een eerder tijdstip plaatsvinden.
Immers, [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] had(den) geen miningfarm met miners die geschikt waren voor het minen van Bitcoins en kon(den) aldus ook niet op bonafide wijze rendementen uit dit minen uitbetalen, terwijl in alle koopovereenkomsten/servicecontracten het tegenovergestelde stond vermeld, zo volgt uit de reeds weergegeven bewijsmiddelen en de nog te bespreken bewijsmiddelen. Dat brengt met zich dat verdachte van meet af aan niet de bedoeling had om genoemde vennootschappen de door hen aangegane contractuele verplichtingen te laten nakomen en dat de door de klanten van de bedrijven ingelegde gelden aantoonbaar niet zijn aangewend om die verplichtingen na te komen teneinde het doel te verwezenlijken waartoe die overeenkomsten strekten, niet alleen volgens hun bewoordingen maar ook gezien de betekenis die de kopers onder de hiervoor gereleveerde omstandigheden in redelijkheid mochten toekennen aan hetgeen verdachte daarover met het oog op het tot stand brengen van die overeenkomsten aan de kopers heeft meegedeeld.(…)
Anders dan door de verdediging is betoogd leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat het nooit de bedoeling van verdachte is geweest aan zijn contractuele verplichtingen te voldoen. Verdachte heeft nimmer
minersaangeschaft en hij heeft vrijwel onmiddellijk na ontvangst van het geld van de eerste investeerder het grootste gedeelte daarvan privé aangewend. Zelfs toen verdachte persoonlijk failliet was verklaard ging hij door met het verkopen van
miners,terwijl hij wist dat hij niet aan zijn verplichtingen zou gaan voldoen.
Het
voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het handelen door (verdachte namens) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op een bedrieglijk handelen, dat het niet anders kan zijn dan dat het door verdachte zo bedoeld is. Door (verdachte namens) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is dan ook van meet af aan bewust een onjuiste voorstelling in het leven geroepen om daarvan misbruik te maken. Hierbij is gebruik gemaakt van de oplichtingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 326 Sr, zodat sprake is van een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen.
-
Listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels
Er is sprake geweest van meer dan één misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen. Door verdachte zijn mondeling en schriftelijk bedrieglijke mededelingen gedaan over het investeren in miners, de hoeveelheid miners die op voorraad waren, de opbrengsten van het minen, de dienstverleningskosten, het bestaan van een miningfarm die om verzekeringstechnische redenen geheim moest blijven en het beheer van de miners door specialisten. Ook zijn er koopovereenkomsten voor de levering van miningcomputers TC 16 opgemaakt, afgesloten en aan de kopers verstrekt en zijn in die overeenkomsten bedrieglijke mededelingen gedaan over het eigendom van de miner(s), het serienummer van de miner(s), het onderbrengen van deze computers in een miningfarm en de opbrengst van het minen. Om die mededelingen te staven, zijn door (verdachte namens) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] aan meerdere personen ‘rendementsuitkeringen’ gedaan. Door (verdachte namens) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn aldus meerdere woorden geuit en meerdere gegevens op schrift weergegeven die bij de klanten een onjuiste voorstelling van zaken in het leven hebben geroepen, waarbij het gaat om meer dan één enkele mededeling. De rechtbank is op basis van het voorgaande dan ook van oordeel dat sprake is van ‘listige kunstgrepen’ en ‘een samenweefsel van verdichtsels’.
-
Het aannemen van een valse hoedanigheiden een valse naam
Het handelen van (verdachte namens) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft er ook toe geleid dat bij klanten een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen met betrekking tot de hoedanigheid van verdachte die namens de bedrijven handelde.
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn door verdachte opgericht als reguliere bedrijven die zich bezighielden met de handel in cryptocurrency of digitale producten en software. Verdachte, enig aandeelhouder en bestuurder van deze bedrijven, presenteerde zich in het rechtsverkeer vervolgens als een ervaren Bitcoinminer, miningexpert en bonafide verkoper van Bitcoinminingcomputers. Die presentatie was erop gericht om bij de klanten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen om daarvan misbruik te maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat voorts sprake is van ‘het aannemen van een valse hoedanigheid.’
Verder heeft verdachte zich daarbij ten overstaan van meerdere investeerders ook bediend van een valse naam. Zo heeft verdachte ter zitting van 10 december 2025 bevestigd dat hij zich heeft voorgedaan als “ [naam] ” en “ [naam] ” en dat hij een e-mail aan investeerder [benadeelde 47] heeft geschreven onder de naam “ [naam] .” [63] Het gebruik van deze valse namen droeg bij aan de onjuiste voorstelling van zaken die verdachte creëerde. Het hof acht daarom, anders dan de rechtbank, ook bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een valse naam.
-
Causaal verband
In hoger beroep is niet opnieuw het verweer gevoerd dat van ieder persoon moet worden vastgesteld of deze door een oplichtingsmiddel is bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen. Dat neemt niet weg dat voor een bewezenverklaring van oplichting dit causale verband wel moet komen vast te staan. Ook met betrekking tot dit onderdeel verenigt het hof zich met de overwegingen die de rechtbank daaraan heeft gewijd in haar vonnis:
De rechtbank stelt vast dat in totaal 724 fictieve miners zijn verkocht. [64] Meerdere personen hebben daarna aangifte gedaan van oplichting. [65]
De rechtbank stelt vast dat de inhoud van deze aangiften vergelijkbaar is en dat deze personen volgens de bankgegevens en facturen in de periode van 12 januari 2017 tot en met 13 december 2017 miners van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] hebben aangeschaft. De rechtbank stelt daarbij vast dat zij in de tenlastegelegde periode geld aan verdachte en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] hebben afgegeven.
Uit de aan deze vaststelling ten grondslag liggende bewijsmiddelen volgt dat zij allen koopovereenkomsten/servicecontracten zijn aangegaan met [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , maar dat in die overeenkomsten/contracten, zoals de rechtbank reeds eerder in dit vonnis heeft vastgesteld, aan hen een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven om daarvan misbruik te maken. De ontvangen geldbedragen werden door verdachte deels voor privédoeleinden gebruikt. Hij creëerde geen waarde in de betreffende bedrijven en schafte geen echte miners aan, waardoor de aan de klanten in het vooruitzicht gestelde rendementsuitkeringen feitelijk illusoir werden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kopers van miners onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken zijn overgegaan tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), nu het aannemelijk is dat zij de miners niet zouden hebben aangeschaft als het bedrog niet had plaatsvonden.
(…)
Daarmee is het causale verband gegeven tussen de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ingezette oplichtingsmiddelen en de afgifte van de geldbedragen ten aanzien van alle kopers die een of meer geldbedragen hebben afgegeven.
Hoewel uit de genoemde bankgegevens en facturen volgt dat [benadeelde 25] de geldbedragen voor de aanschaf van miners op 29 november 2017, 14 december 2017, 15 december 2017 en 27 december 2017 heeft voldaan en die betalingen de facto deels buiten de ten laste gelegde periode vallen, laat dit onverlet dat hij in de ten laste gelegde periode is bewogen tot de afgifte van die geldbedragen nu de eerste betaling door hem in de ten laste gelegde periode is gedaan en hij aldus toen reeds door de oplichtingsmiddelen is bewogen tot de afgifte van een of meer andere geldbedragen. [66]
-
Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling
Op grond van wat de rechtbank al eerder heeft vastgesteld is de rechtbank van oordeel dat bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] sprake is geweest van een vooropgezet plan om kopers van miners op te lichten. Naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn de gedragingen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] sinds hun oprichting erop gericht geweest om zichzelf (en daarmee indirect verdachte) – onrechtmatig – financieel te bevoordelen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte had vóór de oprichting van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] nauwelijks of geen vermogen en geen inkomen. Evenmin was het vermogen of inkomen van zijn echtgenote zodanig dat zij zich een luxueuze levensstijl zouden kunnen veroorloven. [67]
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] moesten daar klaarblijkelijk verandering in brengen. De FIOD komt op basis van het door haar verrichte onderzoek tot de conclusie dat verdachte via de bankrekening van [bedrijf 2] naar schatting in totaal een bedrag van € 1.296.377 privé heeft aangewend. Dit geld werd onder meer uitgegeven aan casinobezoeken, een trouwerij op [plaats] , auto’s en motoren, sponsoring van de motorsport en luxegoederen. [68] Bovendien is tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 21 november 2018 beslag gelegd op een aanzienlijke hoeveelheid kostbare handtassen en schoenen. [69] De voorwerpen die van [echtgenote van verdachte] waren, vertegenwoordigen een getaxeerde waarde van € 23.236,--. [70] [echtgenote van verdachte] heeft bij de FIOD verklaard dat deze goederen zijn aangeschaft met geld van verdachte. [71]
In aanmerking nemend wat de rechtbank reeds eerder heeft vastgesteld, dat door (verdachte namens) [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de ten laste gelegde periode op verschillende manieren, zowel mondeling als schriftelijk, meerdere leugenachtige mededelingen aan ieder van de kopers van miners zijn gedaan en waarbij overigens ook door verdachte is ingespeeld op hun gevoelens, is de rechtbank dan ook van oordeel dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] jegens alle klanten het oogmerk hadden om zichzelf en anderen (in ieder geval verdachte) wederrechtelijk te bevoordelen. Het gaat immers niet om verwaarloosbare bedragen die op de rekening van [bedrijf 2] zijn ontvangen en vervolgens door verdachte privé zijn aangewend, maar om zeer forse bedragen waarover verdachte slechts door frauduleuze handelingen de beschikking kon krijgen. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat verdachte niet de wetenschap had dat het met de miningfarm niet zou goedkomen, overweegt de rechtbank dat de door de kopers ingelegde gelden niet in de vennootschappen zijn geïnvesteerd maar voor een groot deel door verdachte aan privédoeleinden zijn uitgegeven. Er is nimmer een miner aangeschaft, er was geen miningfarm, er zijn nimmer Bitcoins gemined en slechts door inleggelden van nieuwe beleggers konden ‘rendementsuitkeringen’ worden gedaan, al dan niet na eerst elders Bitcoins te hebben gekocht en/of verhandeld. Hierdoor heeft verdachte willens en wetens de situatie in het leven geroepen dat op enig moment de toegezegde rendementen niet meer konden worden uitbetaald en de bedrijven zouden instorten, zoals dat uiteindelijk het lot is van elke Ponzifraude.
Het hof overweegt in aanvulling hierop dat verdachte ter zitting van 10 december 2025 heeft verklaard dat hij geen bedrijfsplan had opgesteld en dat het klopt dat hij een groot geldbedrag van de eerste investeerders (de familie [naam] ) heeft aangewend voor grote privé-uitgaven aan onder andere Motorplanet. [72] Deze verklaringen onderstrepen dat verdachte vanaf de eerste investeerders zichzelf financieel heeft bevoordeeld en dat er geen enkel plan lag om daadwerkelijk een goed functionerend bedrijf op te zetten. Het hof leidt – in samenhang met bovenstaande overwegingen van de rechtbank - daaruit af dat het oogmerk van verdachte van meet af aan telkens erop gericht is geweest om zich zelf te bevoordelen.
Dat er aanvankelijk nog enige geldbedragen aan de investeerders zijn uitbetaald, doet aan dat oordeel niets af. Deze uitbetaalde geldbedragen betroffen in werkelijkheid geen “behaalde rendementen”, maar gelden van nieuwe investeerders. Dit beeld is juist kenmerkend voor een Ponzifraude, waarbij het ene gat met het andere gat wordt gedicht, totdat er geen “rendementen” meer konden worden uitbetaald.
Het hof kan zich ten slotte verenigen met onderstaande overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de toerekening aan de rechtspersoon, het medeplegen en het feitelijk leidinggeven van verdachte. In hoger beroep is met betrekking tot deze onderdelen van de tenlastelegging geen verweer gevoerd.
-
Toerekening aan rechtspersonen & medeplegen
Op grond van artikel 51 Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon. Hiertoe is van belang of de verboden gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplichting telkens de rechtspersonen dienstig geweest en paste deze in de normale bedrijfsvoering van zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] nu het hun core business was om miners en bijbehorende onderhoudscontracten te verkopen (die in werkelijkheid niet geleverd werden). Andere bedrijfsactiviteiten hadden zij niet.
-
Feitelijk leidinggeven door verdachte
Op grond van artikel 51 lid 2 onder 3° Sr kan, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, tegen hen die feitelijk leiding hebben gegeven aan die verboden gedraging een straf of maatregel worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting van kopers van miners. De vraag die vervolgens aan de orde komt is of kan worden bewezen dat verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.
Voor de beoordeling van deze vraag neemt de rechtbank de in dit verband door de Hoge Raad geformuleerde criteria als uitgangspunt. [73] Omdat verdachte [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft opgericht, als enig bestuurder en aandeelhouder namens de vennootschappen handelde, het initiatief heeft genomen tot de gedragingen waarmee een gefingeerde werkelijkheid werd gepresenteerd en deze gedragingen ook (namens de bedrijven) heeft verricht, merkt de rechtbank hem als feitelijk leidinggevende aan.
Het hof acht op grond van het voorgaande het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Met betrekking tot feit 2
Een geldbedrag van in totaal € 2.533.231,68
Het hof stelt onder verwijzing naar de hiervoor ten aanzien van de onder feit 1 genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] gepleegde oplichting. Omdat enkel verdachte de feitelijke beschikkingsmacht had over de door deze bedrijven ontvangen geldbedragen, is het hof van oordeel dat verdachte in de periode van 12 januari 2017 tot en met 21 november 2018 in Nederland een geldbedrag van in totaal € 2.533.231,68 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl dit onmiddellijk uit
enig eigen misdrijfafkomstig was. Het geldbedrag betreft immers de totale opbrengst van de onder feit 1 bewezenverklaarde ponzifraude. [74]
Een geldbedrag van in totaal € 1.296,377,-- en de uitgekeerde ‘rendementen’
Van het geldbedrag van € 2.533.231,68 heeft verdachte, zo volgt uit de aan de bewezenverklaring van feit 1 ten grondslag liggende bewijsmiddelen, een totaalbedrag van
€ 1.296,377,-- privé aangewend. Uit het door de FIOD verrichte onderzoek [75] volgt dat verdachte dit op de volgende wijze heeft gedaan:
  • € 167.800,-- via de zakelijke rekening van [bedrijf 2] voor casinobezoeken in [land] ;
  • € 541.704,-- via de zakelijke rekening van [bedrijf 2] voor de aanschaf van bitcoins terwijl dit bedrag niet aan de klanten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als ‘rendement’ is uitgekeerd,
  • € 25.159,66 via de ING Businesscard van [bedrijf 2] voor privédoeleinden als een trouwerij op [plaats] , autohuur en contante opnamen;
  • € 104.209,-- via de zakelijke rekening van [bedrijf 2] voor contante opnamen;
  • € 313.347,18 via de zakelijke rekening van [bedrijf 2] voor uitgaven aan auto’s en motoren;
  • € 13.521,-- via de zakelijke rekening van [bedrijf 2] voor sponsoring van de motorsport,
  • € 130.555,-- via de zakelijke rekening van [bedrijf 2] naar de privérekening van verdachte.
Het hof overweegt dat verdachte de genoemde bedragen slechts voor privédoeleinden heeft kunnen gebruiken door deze van de zakelijke rekening van [bedrijf 2] aan zichzelf over te dragen, waarna verdachte de geldbedragen heeft omgezet en daar ook gebruik van heeft gemaakt.
Dit geldt ook voor het totaalbedrag dat door verdachte namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] als “rendementen” is uitgekeerd. Uit de aan de bewezenverklaring van feit 1 ten grondslag liggende bewijsmiddelen volgt dat per bank een bedrag van € 225.226,-- aan rendement is uitgekeerd en naar schatting een bedrag van € 614.632,-- in bitcoins. [76] Voor het kunnen uitkeren van die “rendementen” zijn de van de kopers van de
minersontvangen geldbedragen, al dan niet door deze om te zetten naar bitcoins, overgedragen naar andere kopers. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat ook ten aanzien het bedrag van € 225.226,-- sprake is van witwassen. Verdachte heeft dit geldbedrag immers niet slechts voorhanden gehad, maar heeft dat onder een valse omschrijving overgedragen aan de kopers van de
miners.
Tot slot heeft verdachte € 227.636,23 [77] aan zakelijke uitgaven heeft gedaan, zoals het betalen van het salaris van zijn secretaresse. Verdachte heeft deze bedragen hiermee omgezet en er gebruik van gemaakt.
Het hof acht op grond van het voorgaande witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Sr ten aanzien van een geldbedrag € 2.363.871,23 wettig en overtuigend bewezen. Van het resterende bedrag is niet gebleken dat dit is omgezet of gebruikt, zodat in zoverre geen sprake is van witwassen in de zin van artikel 420bis Sr en verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Van het plegen van witwassen een gewoonte maken
Het hof is van oordeel dat verdachte van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Deze conclusie wordt gerechtvaardigd door het feit dat in de ten laste gelegde periode zeer veel transacties zijn verricht, wat maakt dat sprake is geweest van frequente witwashandelingen.
Individuele pleger
Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting van 10 december 2025 er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen verdachte het witwassen ‘tezamen en in vereniging met een of meer ander(en)’ heeft gepleegd. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.
[bedrijf 1] . en
/of[bedrijf 2]
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 12 januari 2017 tot en met 13 december 2017
, te [plaats] en/of te [plaats] , en/of eldersin Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens
)met het oogmerk om zich en/of
(een)ander
(en
)wederrechtelijk te bevoordelen
(telkens
)door het aannemen van een valse naam en
/ofvan een valse hoedanigheid en
/ofdoor
een of meerlistige kunstgrepen en
/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels, een groot aantal personen, waaronder
- [benadeelde 10] en
/of[benadeelde 20] en
/of[benadeelde 21] en
/of[benadeelde 22] en
/of
- [benadeelde 46] en
/of
- [benadeelde 2] en
/of
- [benadeelde 9] en
/of
- [benadeelde 38] en
/of
- [benadeelde 24] en
/of
- [benadeelde 16] en/of [naam] en
/of
- [benadeelde 48] en
/of
- [benadeelde 32] en
/of
- [benadeelde 39]
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen
en en/of een of meer dash computers, althans een of meer goed(eren), te weten:
-
264247.797,48 euro,
althans een of meer geldbedrag(en),van [benadeelde 10] en
/of[benadeelde 20] en
/of[benadeelde 21] en
/of [benadeelde 22]
(vindplaats: DOC-075a, pag. 1413 e.v.),en
/of
-
52.944,0652.943,56euro,
althans een of meer geldbedrag(en), en/of drie dash computers, althans enig goedvan [benadeelde 46]
(vindplaats: DOC-075b, pag. 1449 e.v.), en
/of
- 27.180,61 euro,
althans een of meer geldbedrag(en)van [benadeelde 2]
(vindplaats: AMB 039, pag. 213 e.v.),en
/of
- 14.728,12 euro,
althans een of meer geldbedrag(en)van [benadeelde 9]
(vindplaats: AMB-039,
pag. 285 e.v.),en
/of
- 66.466,65 euro,
althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 38]
(vindplaats: DOC-075d, pag. 1508),en
/of
- 13.207,50 euro,
althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 24]
(vindplaats:
AMB-039, pag. 90 e.v.), en
/of
- 12.310,00 euro,
althans een of meer geldbedrag(en)van [benadeelde 16] en
/of[naam]
(vindplaats: DOC-075i, p. 2016 e.v.), en
/of
- 70.198 euro,
althans een of meer geldbedrag(en)van [benadeelde 48]
(vindplaats: DOC-075L, pag. 2152 e.v.),en
/of
- 30.774,99 euro,
althans een of meer geldbedrag(en)van [benadeelde 32]
(vindplaats: AMB-039, pag. 267 e.v.),en
/of
- 6.166,55 euro, althans een of meer geldbedrag(en) van [benadeelde 39]
(vindplaats: DOC-075Q, pag. 2310 e.v.),
immers
heeft/hebben [bedrijf 1] en
/of[bedrijf 2]
en/of haar
mededader(s) (telkens
)met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk
en
/oflistiglijk en
/ofbedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- zich voorgedaan als ervaren bitcoinminer
(s)en
/ofminingexpert
(s), en
/ofbonafide
verkoper van bitcoinminingcomputers, en
/of
- op de website [website] informatie gepubliceerd over de voordelen van investeren in bitcoinmining-machines dat 'minen’ meer zou renderen dan het hebben van zonnepanelen' en
/ofte vermelden dat 'de aansluiting van bitcoinminingcomputers en de stroom zou worden geregeld', en
/of
- een flyer met informatie verspreid en
/ofoverhandigd aan
een of meerpersonen met de koptekst 'Bitcoin Mining Machine: voordeliger investeren dan in zonnepanelen', en
/of
- verteld dat bitcoinminingcomputers op voorraad waren, en
/of
- verteld dat de daadwerkelijke maandelijkse netto-opbrengsten nog veel hoger zijn en dat de opbrengsten op de webpagina en flyer de minimale opbrengsten zijn die [bedrijf 1] aan haar klanten zonder meer kan garanderen, en
/of
- verteld dat de opbrengst 0,3 tot 0,4 bitcoin per miningcomputer was, en
/of
- verteld dat als de miningcomputers aan elkaar werden gekoppeld de opbrengst hoger werd, en
/of
- verteld dat er door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een grote serverruimte was ingericht op een geheime locatie, en
/of
- verteld dat niemand in de locatie van de bitcoinminingcomputers mocht en/of dat deze locatie geheim moest blijven om verzekeringstechnische redenen, en/of
- een verzekeringsdocument opgemaakt en/of getoond, en/of
- verteld dat er specialisten in dienst waren voor het beheren van de machines, en/of
- verteld dat er een miningfarm was, en
/of
- koopovereenkomsten opgemaakt en
/ofafgesloten voor de levering van miningcomputers TC 16, en
/of
- verteld en/of in koopovereenkomst(en) vermeld dat de computers altijd eigendom blijven van de koper, en
/of
- in de koopovereenkomst(en) vermeld dat de aangeschafte miningcomputers in
het/de/een bitcoinminingfarm ondergebracht zouden worden, en
/of
- in de koopovereenkomst(en) vermeld dat elke eerste van de maand uitbetaling zal plaatsvinden, en
/of
- koopovereenkomst(en) betreffende
(niet bestaande)bitcoinminingcomputer(s) te verzenden/mailen aan klanten, en
/of
- een servicecontract voor onderhoud voor een of meer
(niet bestaande)bitcoinminingcomputer(s) af te sluiten, en
/of
- verteld dat krachtstroom werd gebruikt en/of de dienstverleningskosten laag waren door het gebruik van krachtstroom, en
/of
- verteld dat de gekochte
(niet bestaande)bitcoinminingcomputer(s) was/waren voorzien van een serienummer, en
/of
-
door ('rendements'
)uitbetaling
(en
) te doengedaan aan
een/of meerpersonen,
waardoor bovengenoemde perso
(o)n
(en
) (telkens
)werd
(en
)bewogen tot bovenomschreven afgifte
(n
), zulks terwijl hij, verdachte,
(telkens
) tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan welfeitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging
(en
);
2.
hij
op een of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 12 januari 2017 tot en met 21 november 2018,
in [plaats] en/of [plaats] , althans (elders)in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (een)voorwerp
(en
), te weten:
een of meergeldbedrag
(en
)van (in totaal) EUR 2.363.871,23
2.533.231,68 (vindplaats pag. 264) (zegge: twee miljoen vijfhonderd drieëndertig duizend twee honderd eenendertig euro en achtenzestig eurocent), althans een of meer geldbedrag(en) en/of een (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) bitcoin(s)heeft verworven en
/ofvoorhanden gehad en
/of overgedragen en/ofomgezet en
/ofvan voornoemd
(e
)voorwerp
(en
)gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte,
en/of zijn mededader(s)(telkens
)wist
(en)dat
dat/die voorwerp
(en
)- onmiddellijk of middellijk- afkomstig
was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte,
en/of zijn mededaders(s)van het plegen van witwassen een gewoonte heeft
/hebbengemaakt.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
feitelijke leidinggeven aan oplichting, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De aard en de ernst van de stafbare feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zogenoemde ponzifraude. Hoewel van een investeerder in
minersde hoogst mogelijke voorzichtigheid mag worden verlangd en mag worden verwacht dat deze weet dat het investeren in
minersrisico’s met zich brengt, heeft verdachte enkel en alleen uit eigen financieel gewin op een gewiekste en bedrieglijke wijze grof misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het publiek heeft in het maatschappelijk en economisch verkeer. De personen die bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] door middel van een koopovereenkomst en een servicecontract
minersbeoogden aan te schaffen, werd op geraffineerde wijze gepresenteerd dat zij daarmee een
minermet een specifiek serienummer in eigendom kregen, dat deze
minerin een
miningfarmzou worden geplaatst om aldaar bitcoins te
minenen dat iedere eerste dag van de maand, of eerder in het geval van feestdagen, een rendementsuitkering zou plaatsvinden. Er bleek echter geen
miningfarmte zijn met
minersdie geschikt waren voor het
minenvan bitcoins. Er was zelfs geen enkele
miner.Voor de klanten werd verborgen gehouden dat geen rendementen konden worden uitgekeerd, nu die uitbetalingen slechts geschiedden met de inleggelden van nieuwe klanten. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] lichtten hun klanten op door middel van listige kunstgrepen, een samenweefsel van verdichtsels en het aannemen van een valse naam, en wel op zodanige wijze dat de klanten het bedrog niet behoefden te onderkennen of te doorzien. Verdachte gaf daar feitelijke leiding aan. Door aldus te handelen is door verdachte financiële schade berokkend aan een groot aantal personen. Verdachte heeft middels zijn bedrijven in totaal een geldbedrag van € 2.533.231,68 verworven en voorhanden gehad. Het grootste deel daarvan heeft hij witgewassen onder meer door er privé-uitgaven van te doen. Hij heeft zichzelf en zijn partner daarmee van een ongekend luxueuze levensstijl voorzien.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 5 november 2025 volgt dat hij voorafgaand aan het plegen van deze feiten eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Daarnaast blijkt uit het strafblad van veroordelingen op een datum die liggen na de pleegperiode van de onderhavige bewezen feiten, zodat toepassing moet worden gegeven aan artikel 63 Sr.
Verdachte heeft ter zitting van 10 december 2025 over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij samenleeft met zijn partner in een huurwoning. Gezamenlijk hebben zij twee (minderjarige) kinderen. Verdachte werkt in de motorsport-branche en zijn partner werkt parttime als chemisch analist in een ziekenhuis. Verdachte is eerder persoonlijk failliet verklaard, maar dit faillissement is inmiddels opgeheven wegens een gebrek aan baten. Een in een andere strafzaak aan verdachte opgelegde ontnemingsmaatregel ter grootte van ruim een miljoen euro is op dit moment nog aanhangig bij de Hoge Raad. Verder heeft verdachte een contactallergie.
Verzoek tot onderzoek naar detentie(on)geschiktheid
De raadsman van verdachte heeft ter zitting van 10 december 2025 verzocht om nader onderzoek te laten verrichten naar mogelijke detentieongeschiktheid van verdachte, in verband met zijn contactallergie. Daartoe zijn medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat verdachte aan deze allergie lijdt en dat verdachte daarvan tijdens een eerdere detentieperiode grote en blijvende nadelige gevolgen heeft ondervonden.
Het hof stelt voorop dat van detentieongeschiktheid sprake kan zijn, indien in of vanuit geen van de justitiële inrichtingen de zorg kan worden geleverd die noodzakelijk is, gezien de gezondheidstoestand van een gedetineerde. Vanwege het uitzonderlijke karakter van detentieongeschiktheid moeten volgens de Hoge Raad indringende argumenten worden aangevoerd bij een verzoek tot onderzoek daartoe (HR 24 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016,
NJ2016/389, m.nt B.F. Keulen en HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:3051).
Dat verdachte lijdt aan een contactallergie is met stukken onderbouwd en staat niet ter discussie. Uit de ter onderbouwing van het verzoek overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van het hof echter niet dat er (sterke) aanwijzingen zijn dat verdachte daardoor detentieongeschikt zou zijn. Uit die stukken komt juist naar voren dat de inrichtingsarts meermalen heeft aangegeven dat een detentie
nietschadelijk is voor de gezondheid van verdachte en dat de zorg die hij nodig heeft ook binnen de inrichting kan worden geleverd. Van een situatie waarin blijkt dat het onmogelijk is om tijdens de detentie rekening te houden met de aandoening van verdachte is niet gebleken. Dat verdachte tijdens een eerdere detentie niet tijdig naar een specialist is doorverwezen, doet aan dat oordeel niet af. Het hof acht het daarom niet noodzakelijk nader onderzoek te doen naar de detentie(on)geschiktheid van verdachte en wijst dit verzoek af.
De strafoplegging
Het hof houdt bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. Daarnaast heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in het geval van ‘fraude’, waarbij het bedrag dat met de fraude gemoeid is in grote mate bepalend is voor de hoogte van de straf. Voor een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger hanteert het LOVS als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vierentwintig maanden tot de maximale gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat, gelet op het grote aantal gedupeerden en het hoge benadelingsbedrag, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf en ziet geen aanleiding om een gedeelte van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het hof ziet geen aanleiding bij de strafoplegging rekening te houden met de contactallergie van verdachte, aangezien bij de executie van de straf in overleg met verdachte passende maatregelen te nemen zijn, zodat hij daar geen nadelige gevolgen van hoeft te ondervinden.
De redelijke termijn
In deze strafzaak is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM aangevangen met een doorzoeking van de woning van verdachte op 21 november 2018. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat redelijkerwijs de behandeling ter zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de verdachte weet heeft dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek loopt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is niet gebleken. Op 20 maart 2023 heeft de rechtbank haar vonnis gewezen, wat een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaren en vier maanden oplevert.
Voor de procesfase in hoger beroep geldt dat de behandeling van de zaak binnen twee jaren na het instellen van het appel op 31 maart 2023 moet zijn afgerond. Het hof doet uitspraak op 7 januari 2026, wat een overschrijding van de redelijke termijn met negen maanden oplevert.
Deze forse overschrijding van de termijn in beide instanties, dienen naar het oordeel van het hof tot strafmatiging te leiden.
Het hof is, gelet op de aard en de ernst van de feiten en persoon van verdachte, een gevangenisstraf voor de duur van vierenveertig maanden in beginsel recht doet aan het bewezenverklaarde. Het hof zal daarop zes maanden in mindering brengen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Concluderend acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achtendertig maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen van benadeelde partijen

Inleiding
In deze strafzaak hebben zich 48 personen als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Een aantal van deze personen heeft op de zitting van 15 februari 2023 bij de rechtbank en/of op de zitting van 10 december 2025 bij het hof een toelichting op de vordering gegeven. De benadeelde partijen vorderen verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de daartoe geldende wettelijke rente.
De rechtbank heeft de vorderingen geheel of gedeeltelijk toegewezen. In hoger beroep hebbende meeste benadeelde partijen de oorspronkelijke vordering gehandhaafd. In die gevallen is de gehele vordering ter beoordeling van het hof. Voor zover de vordering niet is gehandhaafd, heeft het hof alleen te oordelen over het deel van de vordering dat door de rechtbank is toegewezen. In één geval is de vordering in hoger beroep verlaagd tot het door de rechtbank toegewezen bedrag.
Standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging
Zowel de advocaat-generaal als de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – in het geval het hof tot een bewezenverklaring van feit 1 komt - de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich grotendeels verenigen met de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vorderingen. Het hof zal daarom (delen van) de overwegingen die het hof overneemt en tot de zijne maakt hieronder cursief opnemen. Afwijkingen en aanvullingen worden vervolgens niet-cursief weergegeven.
Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun respectieve vorderingen
De rechtbank beoordeelt allereerst aan de hand van artikel 361 lid 2 Sv of de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in de vorderingen. Omdat aan verdachte een straf wordt opgelegd, is voldaan aan het eerste daar genoemde ontvankelijkheidsvereiste.
De aansprakelijkheid van een bestuurder
(…)
De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat alleen de vennootschap zelf aansprakelijk is voor haar schulden. In twee situaties, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, kan er grond zijn voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder naast die van de vennootschap. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan aanleiding bestaan i) indien de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld, terwijl hij wist – of redelijkerwijze behoorde te weten – dat de vennootschap niet aan haar verplichting zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden en de bestuurder hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt (de zogenoemde Beklamel-norm) [78] of ii) indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent, terwijl dit handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (het zogenoemde Ontvanger/Roelofsen-arrest) [79] . Van een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt zal in het algemeen geen sprake zijn als sprake is van betalingsonmacht van de vennootschap.
Daar vaststaat dat verdachte als enig aandeelhouder en bestuurder namens [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] koopovereenkomsten/servicecontracten met de benadeelde partijen is aangegaan, gaat het in dit geval om de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld onder i).
De rechtbank overweegt op basis van de bewijsmiddelen en de eerder door haar gedane vaststellingen dat verdachte reeds bij het aangaan van de koopovereenkomsten/servicecontracten wist dat [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] niet aan de contractuele verlichtingen zou(den) kunnen voldoen en geen verhaal zou(den) bieden, en ook feitelijk zodanig heeft gehandeld dat de overeenkomsten niet werden nagekomen. Verdachte heeft bewust en van meet af aan niet de bedoeling gehad om [bedrijf 1] en [bedrijf 2] haar contractuele verplichtingen te laten nakomen en aldus een vertekend beeld van de werkelijkheid gegeven door een samenweefsel van onwaarheden. Hij is de persoon die de handelwijze heeft geïnitieerd en heeft uitgevoerd.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft. Verdachte is dus – naast de vennootschappen – persoonlijk als bestuurder aansprakelijk voor schade die de klanten van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] rechtstreeks door zijn handelen hebben geleden, voor zover de rechtbank die schade kan vaststellen. De benadeelde partijen zijn in deze strafzaak aldus ontvankelijk in de vordering.
De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen
Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BW).(…)
Beoordeling van de gevorderde materiële schade
De rechtbank heeft in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad [80] onder meer als volgt overwogen:
De aanschafkosten van een miner (geleden verlies)
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting van 15 februari 2023 vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partijen gestelde schade die gelegen is in het door hen overgemaakte geldbedrag voor aanschaf van een miner. Deze schadeposten, die door de verdediging niet zijn betwist, zijn op basis van de koopovereenkomsten/de servicecontracten en de betalingstransacties voldoende onderbouwd en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, voor zover daaruit volgt dat de aanschafkosten door de benadeelde partij daadwerkelijk zijn voldaan. De rechtbank acht deze schadeposten (geleden verlies in de zin van artikel 6:96 lid 1 BW) ten aanzien van alle vorderingen toewijsbaar nu zij in voldoende mate zijn komen vast te staan, maar overweegt ten aanzien van de benadeelde partijen die namens een rechtspersoon een vordering hebben ingediend, in afwijking op het voorgaande, het volgende.
BTW
Als een onderneming schade heeft geleden vanwege een strafbaar feit en er in verband met de schade (herstel)kosten zijn gemaakt, dan zal de vordering exclusief BTW worden toegewezen. Een onderneming kan de betaalde BTW in een voornoemde situatie immers terugvragen. De rechtsvorm van de onderneming is niet relevant, want elke onderneming die regelmatig en zelfstandig economische activiteiten verricht is BTW-plichtig.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de BTW in het geval van de door [benadeelde 8] ,
[benadeelde 17] , [benadeelde 34] en [benadeelde 36] de door hen namens de onderneming(en) ingediende vorderingen in mindering moet worden gebracht op het gevorderde bedrag, omdat op basis van het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van deze ondernemingen genoegzaam kan worden aangenomen dat deze ondernemingen de betaalde BTW kunnen terugvragen.
Door [benadeelde 8] geïmporteerde computer(onderdelen)
Voor wat betreft de vordering die door [benadeelde 8] is ingediend geldt verder in het bijzonder dat de gevorderde schadepost die verband houdt met het overhandigen van uit China geïmporteerde computer(onderdelen) aan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld dat voor dat gedeelte sprake is van rechtstreekse schade. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze schadepost in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De reiskosten van [benadeelde 27] voor het doen van aangifte
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 27] is de rechtbank van oordeel dat tussen de schadepost van de reiskosten naar het politiebureau ten behoeve van de aangifte van
13 januari 2018 en het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen onvoldoende verband bestaat om deze schade als rechtstreekse schade aan te merken, nu niet is gesteld of gebleken dat deze kosten gemaakt zijn voor het vaststellen van aansprakelijkheid of schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW.(…)
De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De niet-uitbetaalde rendementsuitkeringen (gederfde winst)
Het hof is van oordeel dat dit geen schade is die geleden is als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partijen zijn opgelicht waardoor zij een geldbedrag ten behoeve van
minershebben overgemaakt. Zij hebben echter nimmer een
minerin eigendom gehad en hebben daardoor dus ook geen rendement kunnen maken. De schade die de benadeelde partijen werkelijk hebben geleden als gevolg van de oplichting is het door hen overgemaakte geldbedrag. Het hof zal de benadeelde partijen daarom voor dit gedeelte in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De verbeurde dwangsommen en de advocaatkosten die zien op civiele procedures
Uit de vorderingen van de benadeelde partijen volgt dat enkelen niet-ontvangen dwangsommen en advocaatkosten die zien op eerder gevoerde civiele procedures vergoed willen hebben, al dan niet onder de noemer van proceskosten.(…)
Een beoordeling van gevorderde verbeurde dwangsommen en de advocaatkosten die zien op eerder gevoerde civiele proceduresvallen
buiten het bestek van deze strafzaak (zoals bedoeld in artikel 532 Sv). De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom voor dit gedeelte in de vorderingen niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partijen de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat door verdachte aan de benadeelden uitbetaalde geldbedragen (die hij omschreef als “rendementen” maar dat in werkelijkheid niet waren), in mindering dienen te worden gebracht op de vorderingen, voor zover die uitbetaalde bedragen op grond van het dossier (in het bijzonder DOC-117) kunnen worden vastgesteld. Door de betaling van deze bedragen is de daadwerkelijk door de benadeelde partijen geleden schade immers lager dan het door hen betaalde geldbedrag voor de aanschaf van de
miners.Concreet betekent dit dat de toewijsbare geldbedragen in hoger beroep lager zullen uitvallen voor de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 9] , [benadeelde 21] , [benadeelde 28] , [benadeelde 30] , [benadeelde 34] namens de eenmanszaak [winkel] te [plaats] , [benadeelde 37] , [benadeelde 42] , [benadeelde 46] en [benadeelde 47] .
In een aantal gevallen hebben de benadeelde partijen zelf reeds de door verdachte uitgekeerde geldbedragen in mindering gebracht op hun vorderingen. Voor hen wijzigt er in dit opzicht niets ten opzichte van de beslissing van de rechtbank.
Immateriële schade
Het hof overweegt, naar aanleiding van door benadeelde partijen gevorderde immateriële schade, het volgende. Op basis van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW kan een benadeelde aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van niet-vermogensschade, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn/haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn of haar persoon is aangetast. Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen slachtoffer zijn geweest van een vermogensdelict, namelijk oplichting. Van lichamelijk letsel of een schending in zijn of haar eer of goede naam is dan ook geen sprake. Verder maakt een vermogensdelict op zichzelf niet dat de benadeelde partij ‘op andere wijze in zijn of haar persoon is aangetast’. Bij het ontbreken van een wettelijke grondslag zal het hof de benadeelde partijen ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
Slotsom
Het hof wijst de vorderingen van de benadeelde partijen toe ten aanzien van het overgemaakte bedrag voor de aanschaf van
miners, minus het vastgestelde bedrag dat ze aan “rendement” hebben ontvangen en bij de hiervoor vermelde benadeelde partijen minus de gevorderde BTW. Verdachte is ten aanzien van elk van de in de hierna weergegeven tabel met de beslissing van het hof ten aanzien van de vorderingen (hierna: de tabel) genoemde benadeelde partij (genummerd 1 tot en met 48) naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de door die benadeelde partij geleden schade.
Al het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat, indien en voor zover een vordering van een benadeelde partij niet wordt toegewezen, die benadeelde in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en dat elk van de benadeelde partijen zijn/haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De wettelijke rente
De rechtbank is van oordeel dat de onrechtmatige daad van de verdachte jegens de benadeelde partijen telkens ontstond toen verdachte de betreffende benadeelde partij oplichtte. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting op
15 februari 2023 volgt dat verdachte dit voor verschillende geldbedragen en op verschillende momenten heeft gedaan.(…)
De rechtbank zal, voor zover kan worden vastgesteld, voor het bepalen van de datum van de wettelijke rente aldus uitgaan van de datum waarop een koopsom van de miner(s) op de bankrekening of in een wallet van verdachte, [bedrijf 1] of [bedrijf 2] is ontvangen, omdat feitelijk op dat moment ten aanzien van dat bedrag de schade bij de benadeelde partij is ontstaan.
De schadevergoedingsmaatregelen
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank ter zake van elke toegewezen vordering als vermeld in de tabel in de kolom “Toewijsbaar:” telkens aan verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij (telkens) de verplichting zoals bedoeld in artikel 36f Sr kan opleggen tot betaling aan de Staat van het geldbedrag zoals dat in de tabel in genoemde kolom bij iedere benadeelde partij afzonderlijk is vermeld. De rechtbank zal daar ook toe overgaan. De schadevergoedingsmaatregel kan bovendien worden opgelegd als een slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd, zoals naar het oordeel van de rechtbank bij [benadeelde 25] het geval is. De rechtbank zal daarom ten aanzien van het slachtoffer [benadeelde 25] wel de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 11.076,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2017, en bepalen, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van drie (3) dagen kan worden toegepast.
De rechtbank zal ten aanzien van elk van de in de tabel genoemde benadeelde partijen (genummerd als 1 tot en met 48) op de voet van artikel 36f de op te leggen betalingsverplichting vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum respectievelijk data en over het bedrag onderscheidenlijk de bedragen zoals in de tabel in de kolom “Wettelijke rente per:” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd. Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan de betalingsverplichting telkens worden aangevuld met een aantal dagen gijzeling zoals in de hierna weergegeven tabel in de klom “Aantal dagen gijzeling:” is vermeld, waarbij toepassing van de gijzeling ter zake van een toegewezen vordering de betalingsverplichting ter zake van die vordering niet opheft. Dit geldt ook voor de schadevergoedingsmaatregel tegen behoeve van [benadeelde 25] . Omdat sprake is van meerdere schadevergoedingsmaatregelen, beloopt de aan de schadevergoedingsmaatregelen te verbinden gijzeling volgens bestendige jurisprudentie ten hoogste een jaar. De rechtbank stelt daartoe vast dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten vóór 25 januari 2020 zijn gepleegd en dat een jaar aldus 360 dagen bedraagt. [81]
Het hof neemt bovenstaande overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Evenals de rechtbank zal het hof een verdeelsleutel hanteren ten aanzien van het totaalbedrag van toegewezen bedragen, inhoudende dat per schadevergoedingsmaatregel minimaal een dag gijzeling wordt opgelegd en dat voor het overige naar evenredigheid van het toegewezen bedrag per benadeelde partij het maximale aantal dagen gijzeling zal worden opgelegd.
Het hof zal verder, overeenkomstig de rechtbank, bepalen dat als verdachte met betrekking tot een van de hiervoor genoemde benadeelde partijen heeft voldaan aan zijn verplichting tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de
verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en
andersom, als verdachte aan een van de hiervoor genoemde benadeelde partijen het aan die
partij verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de
Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het volgende overzicht.
Tabel met de beslissing van het hof ten aanzien van de vorderingen:
Benadeelde partij
Toewijsbaar:
Wettelijke rente per:
Aantal dagen gijzeling:
1
[benadeelde 1]
€ 6.155,--
18 september 2017
2
2
[benadeelde 2]
€ 63,82
17 augustus 2021
1
3
[benadeelde 3]
€ 53.100,--
18 oktober 2017
11
4
[benadeelde 4]
€ 11.950,--
7 september 2017
– € 6.100,--
26 september 2017
– € 5.850,--
3
5
[benadeelde 5]
€ 98.427,45
4 oktober 2017
21
6
[benadeelde 6]
€ 6.100,--
30 november 2017
2
7
[benadeelde 7]
€ 23.400,--
13 oktober 2017
5
8
[benadeelde 8] ,
namens de eenmanszaak [naam]
€ 32.999,64
31 mei 2017
– € 6.086,--
6 juni 2017
– € 3.043,--
9 juni 2017
– € 6.086,--
12 juni 2017
– € 13.382,14
24 augustus 2017
– € 4.402,50
7
9
[benadeelde 9]
€ 6.884,16
5 juni 2017
2
10
[benadeelde 10]
€ 147.111,40
27 maart 2017
– € 13.446,--
4 mei 2017
– € 59.712,40
16 mei 2017
– € 73.953,--
30
11
[benadeelde 11]
€ 6.220,--
30 november 2017
2
12
[benadeelde 12] ,
namens [naam]
€ 50.913,--
28 november 2017
10
13
[benadeelde 13]
€ 18.509,18
9 september 2017
5
14
[benadeelde 14]
€ 13.395,22
12 juni 2017
– € 4.347,61
8 augustus 2017
– € 4.347,61
10 september 2017
– € 4.700,--
3
15
[benadeelde 15]
€ 14.265,--
21 september 2017
4
16
[benadeelde 16]
€ 6.155,--
18 september 2017
2
17
[benadeelde 17] ,
namens [naam]
€ 10.192,64
28 november 2017
3
18
[benadeelde 18]
€ 6.155,--
27 november 2017
2
19
[benadeelde 19]
€ 8.930,--
17 augustus 2017
3
20
[benadeelde 20]
€ 67.230,--
28 maart 2017
13
21
[benadeelde 21]
€ 12.309,87
4 mei 2017
4
22
[benadeelde 22]
€ 19.417,24
28 maart 2017
– € 13.446,--
4 mei 2017
– € 5.971,24
5
23
[benadeelde 23]
€ 17.390,44
13 juni 2017
– € 4.347,61
9 augustus 2017
– € 13.042,83
4
24
[benadeelde 24]
€ 13.207,50
13 september 2017
3
25
[benadeelde 25]
€ 140.653,26
30 november 2017
– € 10.192,64
15 december 2017
– € 66.252,16
27 december 2017
– € 64.208,46
31
26
[benadeelde 26] ,
namens [naam]
€ 199.091,--
8 november 2017
– € 22.534,--
27 november 2017
– € 13.600,--
29 november 2017
– € 48.000,--
4 december 2017
– € 3.000,--
1 januari 2018
– € 100.000,--
41
27
[benadeelde 27]
€ 4.755,--
30 augustus 2017
– € 4.755,--
2
28
[benadeelde 28]
€ 27.033,55
6 september 2017
6
29
[benadeelde 29]
€ 9.510,--
4 september 2017
3
30
[benadeelde 30]
€ 6.157,25
5 september 2017
2
31
[benadeelde 31]
€ 4.755,--
13 september 2017
2
32
[benadeelde 32]
€ 30.774,99
28 november 2017
– € 6.155,--
15 december 2017
– € 24.619,99
7
33
[benadeelde 33]
€ 17.860,--
17 augustus 2017
4
34
[benadeelde 34] , namens de eenmanszaak [winkel] [plaats]
€ 5.790,49
8 september 2017
2
35
[benadeelde 35]
€ 61.217,61
12 juni 2017
– € 4.347,61
17 augustus 2017
– € 13.395,--
21 augustus 2017
– € 25.000,--
22 augustus 2017
– € 18.475,--
12
36
[benadeelde 36] ,
namens de eenmanszaak [naam] en [naam]
€ 147.530,35
6 juli 2017
– € 32.628,08
1 augustus 2017
– € 3.471,07
4 augustus 2017
– € 16.314,05
8 augustus 2017
– € 16.314,05
16 augustus 2017
– € 8.157,02
17 augustus 2017
– € 8.157,02
25 augustus 2017
– € 8.157,02
28 augustus 2017
– € 8.157,02
6 september 2017
– € 16.314,05
11 september 2017
– € 19.785,13
18 september 2017
– € 1.900,83
29 september 2017
– € 8.175,02
30
37
[benadeelde 37]
€ 1.173,27
31 mei 2017
1
38
[benadeelde 38]
€ 66.466,65
1 augustus 2017
– € 44.141,65
4 september 2017
– € 22.325,--
13
39
[benadeelde 39]
€ 6.166,55
13 december 2017
2
40
[benadeelde 40]
€ 22.319,08
15 juni 2017
– € 3.682,03
4 september 2017
– € 26.415,--
5
41
[benadeelde 41] ,
namens [naam]
€ 12.310,--
6 december 2017
3
42
[benadeelde 42]
€ 5.110,--
26 september 2017
3
43
[benadeelde 43]
€ 19.020,--
24 augustus 2017
– € 4.755,--
4 september 2017
– € 14.265,--
5
44
[benadeelde 44]
€ 12.200,--
13 september 2017
3
45
[benadeelde 45]
€ 6.155,--
7 december 2017
2
46
[benadeelde 46]
€ 49.246,53
25 november 2017
11
47
[benadeelde 47]
€ 21.351,10
5 september 2017
6
48
[benadeelde 48]
€ 70.200,--
11 oktober 2017
– € 11.700,--
16 oktober 2017
– € 11.700,--
18 oktober 2017
– € 11.700,--
8 november 2017
– € 23.400,--
6 december 2017
– € 11.700,--
14

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 51, 57, 63, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
38 (achtendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Schadevergoedingen

- Wijst de
vorderingen van elk van de in de hierna weergegeven tabel (hierna: de tabel) genoemde benadeelde partijen (genummerd als 1 tot en met 48)ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde toe tot het bedrag zoals dat in de tabel in de kolom “Toegewezen:” staat vermeld en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan de betreffende benadeelde partij, bestaande uit materiële schade, iedere vordering telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum respectievelijk data en over het bedrag onderscheidenlijk de bedragen zoals in de tabel in de kolom “Wettelijke rente per:” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd, welke tabel inhoudt:
Benadeelde partij
Toewijsbaar:
Wettelijke rente per:
Aantal dagen gijzeling:
1
[benadeelde 1]
€ 6.155,--
18 september 2017
2
2
[benadeelde 2]
€ 63,82
17 augustus 2021
1
3
[benadeelde 3]
€ 53.100,--
18 oktober 2017
11
4
[benadeelde 4]
€ 11.950,--
7 september 2017
– € 6.100,--
26 september 2017
– € 5.850,--
3
5
[benadeelde 5]
€ 98.427,45
4 oktober 2017
21
6
[benadeelde 6]
€ 6.100,--
30 november 2017
2
7
[benadeelde 7]
€ 23.400,--
13 oktober 2017
5
8
[benadeelde 8] ,
namens de eenmanszaak [naam]
€ 32.999,64
31 mei 2017
– € 6.086,--
6 juni 2017
– € 3.043,--
9 juni 2017
– € 6.086,--
12 juni 2017
– € 13.382,14
24 augustus 2017
– € 4.402,50
7
9
[benadeelde 9]
€ 6.884,16
5 juni 2017
2
10
[benadeelde 10]
€ 147.111,40
27 maart 2017
– € 13.446,--
4 mei 2017
– € 59.712,40
16 mei 2017
– € 73.953,--
30
11
[benadeelde 11]
€ 6.220,--
30 november 2017
2
12
[benadeelde 12] ,
namens [naam]
€ 50.913,--
28 november 2017
10
13
[benadeelde 13]
€ 18.509,18
9 september 2017
5
14
[benadeelde 14]
€ 13.395,22
12 juni 2017
– € 4.347,61
8 augustus 2017
– € 4.347,61
10 september 2017
– € 4.700,--
3
15
[benadeelde 15]
€ 14.265,--
21 september 2017
4
16
[benadeelde 16]
€ 6.155,--
18 september 2017
2
17
[benadeelde 17] ,
namens [naam]
€ 10.192,64
28 november 2017
3
18
[benadeelde 18]
€ 6.155,--
27 november 2017
2
19
[benadeelde 19]
€ 8.930,--
17 augustus 2017
3
20
[benadeelde 20]
€ 67.230,--
28 maart 2017
13
21
[benadeelde 21]
€ 12.309,87
4 mei 2017
4
22
[benadeelde 22]
€ 19.417,24
28 maart 2017
– € 13.446,--
4 mei 2017
– € 5.971,24
5
23
[benadeelde 23]
€ 17.390,44
13 juni 2017
– € 4.347,61
9 augustus 2017
– € 13.042,83
4
24
[benadeelde 24]
€ 13.207,50
13 september 2017
3
25
[benadeelde 25]
€ 140.653,26
30 november 2017
– € 10.192,64
15 december 2017
– € 66.252,16
27 december 2017
– € 64.208,46
31
26
[benadeelde 26] ,
namens [naam]
€ 199.091,--
8 november 2017
– € 22.534,--
27 november 2017
– € 13.600,--
29 november 2017
– € 48.000,--
4 december 2017
– € 3.000,--
1 januari 2018
– € 100.000,--
41
27
[benadeelde 27]
€ 4.755,--
30 augustus 2017
– € 4.755,--
2
28
[benadeelde 28]
€ 27.033,55
6 september 2017
6
29
[benadeelde 29]
€ 9.510,--
4 september 2017
3
30
[benadeelde 30]
€ 6.157,25
5 september 2017
2
31
[benadeelde 31]
€ 4.755,--
13 september 2017
2
32
[benadeelde 32]
€ 30.774,99
28 november 2017
– € 6.155,--
15 december 2017
– € 24.619,99
7
33
[benadeelde 33]
€ 17.860,--
17 augustus 2017
4
34
[benadeelde 34] , namens de eenmanszaak [winkel] [plaats]
€ 5.790,49
8 september 2017
2
35
[benadeelde 35]
€ 61.217,61
12 juni 2017
– € 4.347,61
17 augustus 2017
– € 13.395,--
21 augustus 2017
– € 25.000,--
22 augustus 2017
– € 18.475,--
12
36
[benadeelde 36] ,
namens de eenmanszaak [naam]
€ 147.530,35
6 juli 2017
– € 32.628,08
1 augustus 2017
– € 3.471,07
4 augustus 2017
– € 16.314,05
8 augustus 2017
– € 16.314,05
16 augustus 2017
– € 8.157,02
17 augustus 2017
– € 8.157,02
25 augustus 2017
– € 8.157,02
28 augustus 2017
– € 8.157,02
6 september 2017
– € 16.314,05
11 september 2017
– € 19.785,13
18 september 2017
– € 1.900,83
29 september 2017
– € 8.175,02
30
37
[benadeelde 37]
€ 1.173,27
31 mei 2017
1
38
[benadeelde 38]
€ 66.466,65
1 augustus 2017
– € 44.141,65
4 september 2017
– € 22.325,--
13
39
[benadeelde 39]
€ 6.166,55
13 december 2017
2
40
[benadeelde 40]
€ 22.319,08
15 juni 2017
– € 3.682,03
4 september 2017
– € 26.415,--
5
41
[benadeelde 41] ,
namens [naam]
€ 12.310,--
6 december 2017
3
42
[benadeelde 42]
€ 5.110,--
26 september 2017
3
43
[benadeelde 43]
€ 19.020,--
24 augustus 2017
– € 4.755,--
4 september 2017
– € 14.265,--
5
44
[benadeelde 44]
€ 12.200,--
13 september 2017
3
45
[benadeelde 45]
€ 6.155,--
7 december 2017
2
46
[benadeelde 46]
€ 49.246,53
25 november 2017
11
47
[benadeelde 47]
€ 21.351,10
5 september 2017
6
48
[benadeelde 48]
€ 70.200,--
11 oktober 2017
– € 11.700,--
16 oktober 2017
– € 11.700,--
18 oktober 2017
– € 11.700,--
8 november 2017
– € 23.400,--
6 december 2017
– € 11.700,--
14
- Bepaalt dat de in de tabel genoemde benadeelde partijen (genummerd als 1 tot en met 48) voor het
overige niet-ontvankelijkzijn in de vordering en dat elk van de benadeelde partijen zijn/haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding die door elk van de benadeelde partijen is gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook – ten aanzien van iedere benadeelde partij afzonderlijk – in de kosten van betekening van dit arrest, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- Legt ter zake van elke toegewezen vordering als vermeld in de tabel in de kolom “Toegewezen:”
telkensaan verdachte
de maatregelop dat verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij (telkens) verplicht is tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag zoals dat in de tabel in genoemde kolom bij iedere benadeelde partij afzonderlijk is vermeld, iedere toegewezen vordering telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum respectievelijk data en over het bedrag onderscheidenlijk de bedragen zoals in de tabel in de kolom “Wettelijke rente per:” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt,
dat telkens het aantal dagen gijzeling zoals in de tabel in de kolom “Aantal dagen gijzeling:” is vermeld kan worden toegepast (met een totaal aantal dagen van 357). De tenuitvoerlegging van de gijzeling ter zake van een toegewezen vordering als in de vorige zin vermeld laat de betalingsverplichting ter zake van die vordering onverlet;
- Bepaalt dat als verdachte met betrekking tot een van de hiervoor genoemde benadeelde partijen heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde bedragen daarmee de verplichting van verdachte om aan de betreffende benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan een van de hiervoor genoemde benadeelde partijen het aan die partij verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- Legt voorts de
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 11.076,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2017, ten behoeve van
[naam], en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt,
dat gijzeling voor de duur van drie (3) dagen kan worden toegepast. De tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet.
Dit arrest is gewezen door mr. M.L. Plas, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en
mr. G. Voorhorst, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 januari 2026.
Buiten staat
Mr. Voorhorst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het hof gebruikt de term
2.AMB-009, pagina 97.
3.DOC-001 en DOC-002, inhoudende uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, pagina’s 971 tot en met 974.
4.G-017-01, pagina 793.
5.V-001-005, pagina 586.
6.Met de familie [naam] worden de personen [benadeelde 10] , [benadeelde 20] , [benadeelde 21] en
7.V-001-005, pagina 586.
8.DOC-075A, pagina’s 1413 tot en met 1417.
9.V-001-005, pagina 586 en 590.
10.V-001-02, pagina 569.
11.AMB-031, pagina 228.
12.V-001-005, pagina 584.
13.V-001-005, pagina 571.
14.DOC-102, inhoudende de tekst op de website van [bedrijf 1] , pagina 1335,
15.V001-007, pagina 603, en V-001-03, pagina 568.
16.DOC-108, inhoudende de flyer van [bedrijf 1] , pagina’s 1396 en 1397.
17.GET-022-01, pagina 884.
18.GET-022-01, pagina 884.
19.GET-022-01, pagina 885.
20.V001-007, pagina 607.
21.GET-022-01, pagina 885.
22.DOC-102, inhoudende de tekst op de website van [bedrijf 1] , pagina 1335.
23.V-001-04, pagina 578.
24.V-001-05, pagina 587.
25.V-001-04, pagina 580 en 584-585.
26.GET-022-01, 884.
27.DOC-004, inhoudende een artikel van de Volkskrant van 28 november 2017, pagina 978.
28.V-001-05, pagina 584.
29.V-001-05, pagina 585.
30.DOC-075D, pagina 1510.
31.V-001-05, pagina 591-592.
32.G-018-01, pagina 807.
33.DOC-065, inhoudende een overeenkomst van geldlening, pagina’s 1139 en 1140.
34.V-002-01, pagina 633.
35.G-018-01, pagina 814.
36.De bijlage op pagina’s 1418 en 1419 van DOC-075A, inhoudende een koopovereenkomst en een servicecontract met [benadeelde 10] .
37.AMB-035, pagina 245, DOC-090, pagina’s 1220 tot en met 1225, inhoudende een overzicht van de berekende omzet met de verkoop van
38.AMB-035, pagina 247 tot en met 250, DOC-104, inhoudende een overzicht van de klanten van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] die de rendementen in Bitcoins zouden hebben ontvangen, DOC-117, pagina’s 1410 tot en met 1412, inhoudende een overzicht van de uitgekeerde rendementen via de bankrekeningen, en AMB-035, pagina 264.
39.GET-022-01, pagina 885.
40.AMB-035, pagina 247, DOC-117, pagina’s 1410 tot en met 1412, inhoudende een overzicht van de uitgekeerde rendementen via de bankrekeningen, en AMB-035, pagina 264.
41.AMB-035, pagina’s 247 tot en met 250, DOC-104, inhoudende een overzicht van de klanten van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] die de rendementen in Bitcoins zouden hebben ontvangen, en AMB-035, pagina 264.
42.V-001-08, pagina 622.
43.V-001-05, pagina 587.
44.V-001-05, pagina 588.
45.V-001-03, pagina 570 en 573.
46.DOC-092, pagina’s 1227 en 1228, inhoudende een e-mailbericht van [e-mailadres] , AMB-032, pagina’s 231-233, en DOC-075E, pagina’s 1540 tot en met 1762.
47.DOC-110, pagina 1401, inhoudende een overzicht van de reisbewegingen per week en de bestedingen per bank.
48.De bijlage op pagina’s 1956 tot en met 1958 van DOC-075H, inhoudende verslag van de informatieavond voor klanten op 13 november 2017.
49.G-002-01, pagina 662.
50.DOC-004, inhoudende een artikel van de Volkskrant van 28 november 2017.
51.Het vonnis in kort geding van 7 december 2017, pagina’s 1266 tot en met 1272, en het exploot van de deurwaarder, pagina’s 1273 tot en met 1275.
52.G-018-01, pagina 813.
53.Het vonnis in kort geding van 22 december 2017, pagina’s 1930 tot en met 1934.
54.V-001-07 pagina 613.
55.G-014-01, inhoudende een proces-verbaal van verhoor [getuige] , pagina 766.
56.G-014-01, inhoudende een proces-verbaal van verhoor [getuige] , pagina 765.
57.G-014-01, inhoudende een proces-verbaal van verhoor [getuige] , pagina 770.
58.V-001-03, inhoudende een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 574.
59.V-001-05, pagina 593-594, en DOC-079A, pagina 1179, DOC-079B, pagina 1180, DOC-80, pagina’s 1181 tot en met 1193, inhoudende foto’s van de computers met serienummers.
60.V-001-04, pagina 577 en 578, DOC-085, pagina 1207, DOC-086, pagina 1210, DOC-087, pagina 1213, en DOC-089, pagina’s 1216 en 1217, inhoudende koopovereenkomsten van [bedrijf 2] en een kopie van een ID-bewijs van [naam] .
61.G-014-01, pagina 767.
62.AMB-030, pagina 227.
63.Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 december 2025.
64.DOC-090, pagina’s 1220 tot en met 1225, inhoudende een overzicht van de berekende omzet met de verkoop van
65.DOC-075A, DOC-075K, de bijlage op pagina’s 212 tot en met 247, van AMB-039, de bijlage op pagina’s 284 tot en met 293.van AMB-039, DOC-075I, DOC-075L, de bijlage op pagina’s 266 tot en met 283.van AMB-039 en DOC-075Q.
66.DOC-075P.
67.AMB-040, pagina 2, AMB-040, pagina 1 en 2, V-002-01, pagina 630-631.
68.AMB-035, inhoudende het proces-verbaal van onderzoek naar de geldstromen, en AMB-040, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen over de wetenschap van [echtgenote van verdachte] bij (schuld)witwassen.
69.AMB-025, pagina’s 198 tot en met 200, inhoudende een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, met daaraan gehecht de beslaglijst met de vermelding van de voorwerpen die de rechter-commissaris tijdens de doorzoeking in beslag heeft genomen (pagina’s 201 tot en met 203).
70.AMB-041.
71.V-002-01, pagina’s 636 en 637.
72.Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 december 2025.
74.Ponzifraude is een methode van oplichting door het aanbieden van beleggingen waarbij de uitbetaalde gelden worden gefinancierd uit de inleg van nieuwe klanten.
75.AMB-035.
76.AMB-35, p.8 en 11.
77.AMB-35, p.12.
78.HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521.
79.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758.
80.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.
81.HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812.