Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2715

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
25/2238
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 31 Wet LB 1964Art. 31a Wet LB 1964Art. 3.84 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gerichte vrijstelling kostenvergoeding piloot in hoger beroep inkomstenbelasting 2016

Belanghebbende, piloot werkzaam in 2016 voor een Ierse luchtvaartmaatschappij via een uitzendbureau en twee Ierse Ltd-vennootschappen, betwistte de aanslag inkomstenbelasting en de toerekening van kostenvergoedingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigde dit, maar de Hoge Raad stelde de Inspecteur in het gelijk en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof onderzocht welke arbeidsverhouding als dienstbetrekking geldt en wie de werkgever was. Uit de feiten en de overeenkomst met de Ltd-vennootschappen bleek dat deze geen gezag uitoefenden en slechts als kassier fungeerden. Belanghebbende stond daarom niet in dienstbetrekking tot de Ltd’s, maar tot het uitzendbureau of de luchtvaartmaatschappij.

De 'out of base allowance' van € 3.493,33 werd door de Inspecteur erkend als gerichte vrijgestelde kostenvergoeding. De overige vergoedingen ('expenses') van de Ltd’s konden dat niet zijn omdat deze niet van de werkgever kwamen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

De aanslag werd vastgesteld op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.307,91. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/2238
uitspraakdatum:
29 april 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 december 2020, nummer BRE 19/5673, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het gerechtshof). Het gerechtshof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 7 september 2022, nr. 21/00277, ECLI:NL:GHSHE:2022:3100, vernietigd en de aanslag en de belastingrente verminderd.
1.5.
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 5 september 2025, nr. 22/03914, ECLI:NL:HR:2025:1236, (hierna ook: het arrest) is het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof vernietigd en is het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.
1.6.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het arrest.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. R.M. Vermeulen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De Hoge Raad is uitgegaan van de volgende feiten.
‘2.1 Belanghebbende woonde in 2016 in Nederland. Hij is piloot en heeft in 2016 gewerkt voor een Ierse luchtvaartmaatschappij als gezagvoerder van passagiersvliegtuigen. De luchtvaartmaatschappij huurde belanghebbende in via een uitzendbureau voor vliegend personeel (hierna: het uitzendbureau).
2.2
De diensten van belanghebbende werden aan het uitzendbureau ter beschikking gesteld door tussenkomst van naar Iers recht opgerichte vennootschappen. Van 1 januari 2016 tot 18 oktober 2016 gebeurde dit via [Ltd1] en van 19 oktober 2016 tot 18 april 2017 via [Ltd2] . Van deze vennootschappen was belanghebbende minderheidsaandeelhouder en mededirecteur.
2.3
De luchtvaartmaatschappij, het uitzendbureau, [Ltd1] en [Ltd2] zijn geen van alle inhoudingsplichtig voor de loonbelasting in Nederland.
2.4
Het uitzendbureau verrichtte in 2016 betalingen aan [Ltd1] die zijn gebaseerd op het aantal door belanghebbende gewerkte blokuren, op basis van een tarief van € 145 per gewerkt blokuur. Daarnaast betaalde het uitzendbureau aan [Ltd1] en [Ltd2] onder bepaalde voorwaarden een ‘out of base allowance’ van € 20 per volledig gepland blokuur van belanghebbende. In 2016 hebben [Ltd1] en [Ltd2] ter zake van de werkzaamheden van belanghebbende tezamen een bedrag aan € 121.829,55 als ‘invoice value' aan het uitzendbureau in rekening gebracht.
2.5
[Ltd1] en [Ltd2] hebben in 2016 aan belanghebbende bedragen uitbetaald ter zake van zijn werkzaamheden als piloot. Zij hebben die bedragen deels als kostenvergoeding aangemerkt (onder de benaming ‘expenses’, op basis van door belanghebbende als kosten gedeclareerde bedragen) en deels als loon. Het totaal van de ‘expenses’ vermeld op de loonstroken die over 2016 door [Ltd1] en [Ltd2] aan belanghebbende zijn verstrekt, bedraagt € 19.580,73.
2.6
Op 23 april 2019 heeft belanghebbende de volgende verklaring opgemaakt (vertaald uit het Engels):
“Belanghebbende, als directeur van de Ltd’s, verklaart hierbij het volgende: Belanghebbende was in zijn functie als werknemer van de Ltd’s bevoegd om overeenkomsten aan te gaan met dienstverleners zoals trainers, hotels, telefoonproviders enz. voor rekening van de Ltd’s voor dienstverlening door deze bedrijven aan de Ltd’s in het kader van de activiteiten van belanghebbende als piloot.
Er was overeengekomen dat de facturen voor deze diensten van de bedrijven zouden worden voorgeschoten door belanghebbende en nadien gedeclareerd.
Belanghebbende was naast zijn overeengekomen salaris niet bevoegd om een andere onkostenvergoeding te ontvangen en heeft die niet ontvangen.”
2.7
Belanghebbende heeft verder een verklaring van 9 februari 2021 overgelegd, die is opgesteld door een medewerker van het advieskantoor dat is opgetreden als ‘Irish tax agent’ voor belanghebbende. In die verklaring staat onder andere:
“(…)
[Ltd1] held contracts with [uitzendbureau1] (up to February) and [uitzendbureau2] (from February). [Ltd2] held a contract with [uitzendbureau2] . Income generated by each company from these contracts was first used to settle any business expenses and any funds remaining were then available to paid as remuneration to [belanghebbende] .”
2.8
Belanghebbende heeft aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.220. Dat belastbare inkomen uit werk en woning bestaat uit een belastbaar loon van € 97.565 verminderd met uitgaven voor inkomensvoorzieningen van € 1.345. Bij het belastbare loon is als de werkgever de luchtvaartmaatschappij ingevuld.
2.9
De Inspecteur heeft de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld naar een belastbaar inkomen van € 111.207. Hij heeft daarbij de bedragen die aan belanghebbende onder de benaming ‘expenses’ zijn uitbetaald, tot het loon gerekend.’
2.2.
Op 7 januari 2011 heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten met [Ltd3] . Deze overeenkomst luidt onder meer als volgt:
‘These terms & conditions represent an agreement BETWEEN [Ltd3] (hereinafter referred to as [Ltd3] ) and the consultant, [naam specialist] (hereinafter referred to as the SPECIALIST) whereby the specialist becomes a director and shareholder of [Ltd1] . (the Company) and [Ltd3] agrees to supply the services described in [Ltd3] brochure “ The Information Pack ” to the Specialist, through this Limited Company structure subject to these terms and conditions.
1. In order to provide the services [Ltd1] takes the part of the Employer of the Specialist, however in signing the agreement the Specialist understands that [Ltd1] will not exercise nor does it wish to exercise any form of direction or control over the actions of the Specialist other than as specified in the [Ltd3] Information Pack
2 The Specialist is employed by [Ltd1] in de capacity of a director and shareholder and will be paid a salary calculated from the revenue received on the Specialists behalf from third parties who enter into agreements for the Specialists services. If no money is received then [Ltd1] will not make any payments.
3 1 For avoidance of doubt it is expressly agreed that it shall be the sole responsibility of the Specialist to ensure that [Ltd1] has the resources to discharge all obligations of [Ltd1] arising from the employment or other participation of the Specialist by or in [Ltd1] whether to the Specialist or third parties (“the obligations”) so that if the Specialist fails or refuses to provide or otherwise make available to [Ltd1] the resources needed to meet the obligations, [Ltd1] shall be discharged from doing so. In so far as this provision may not be effective to discharge [Ltd1] from any of the obligations the Specialist shall indemnify und keep indemnified [Ltd1] from and against any claims made in respect of the obligations save such as are covered by an effective policy of insurance.
3 2 Without derogation from the foregoing the Specialist will not be paid by [Ltd1] during sickness, holidays or other non-revenue earning periods.
(…)
6 The Specialist will be under de direction and control of third parties and therefore [Ltd1] will not exercise any disciplinary action against the Specialist. The Specialist in turn will not have any recourse to a grievance procedure within [Ltd1] .
7. [Ltd1] will not be responsible for any actions of the Specialist, to any third party with which the Specialist provides services to, or [Ltd1] enters into an agreement.’
2.3.
De Hoge Raad heeft geoordeeld:
‘5.1.2 De klacht roept de vraag op of en, zo ja, tot welk bedrag belanghebbende gericht vrijgestelde vergoedingen heeft gekregen in de zin van artikel 31, lid 1, letter f, en artikel 31a, lid 2, van de Wet LB 1964. Daarvoor is vereist dat het gaat om bedragen die aan belanghebbende in het kader van zijn dienstbetrekking zijn toegekend als vergoedingen voor in artikel 31a, lid 2, van de Wet LB 1964 bedoelde uitgaven. De Inspecteur heeft voor het Hof betwist dat dit het geval is met betrekking tot de ‘out of base allowance’ die door het uitzendbureau is betaald, terwijl daarover tussen partijen geen geschil bestaat met betrekking tot bedragen tot € 17.000 die door [Ltd1] en [Ltd2] als 'expenses’ zijn betaald. Het bedrag van € 3.493,33 dat volgens de Inspecteur als ‘out of base allowance’ is betaald, wijkt bovendien af van het totale bedrag dat onder de benaming ‘expenses’ is betaald en dat volgens partijen voor een gerichte vrijstelling in aanmerking zou komen indien [Ltd1] en [Ltd2] als werkgever zouden zijn aan te merken. Om te kunnen beoordelen of en, zo ja, in hoeverre in dit geval aan de vereisten voor een gerichte vrijstelling is voldaan, is het daardoor noodzakelijk vast te stellen welke rechtsverhouding als dienstbetrekking van belanghebbende is aan te merken, en wie dus zijn werkgever was.
(…)
5.5.1
Het verwijzingshof zal alsnog de vraag moeten beantwoorden welke arbeidsverhouding van belanghebbende als dienstbetrekking is aan te merken en tot wie belanghebbende dus in dienstbetrekking stond. Daarvoor is maatgevend of de rechtsverhouding tussen belanghebbende en zijn wederpartij een arbeidsovereenkomst is in de zin van artikel 7:610 BW Pro. De inhoud van de tussen partijen gemaakte afspraken is bij die beoordeling relevant, evenals de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Deze beoordeling dient uit te wijzen of is voldaan aan de in artikel 7:610 BW Pro gestelde vereisten, te weten een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, loon en een gezagsverhouding. (…) De inbedding van het werk en van degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, kan voor deze beoordeling van belang zijn. (…)
5.5.2
Anders dan de Inspecteur heeft betoogd, is voor de beoordeling wie de werkgever is in de zin van artikel 7:610 BW Pro niet bepalend voor wiens rekening en risico de werkzaamheden van de werknemer worden verricht. (…)
5.5.3
Opmerking verdient dat op belanghebbende de stelplicht en bewijslast rusten met betrekking tot feiten en omstandigheden waaruit volgt welke rechtsverhouding als zijn dienstbetrekking is te beschouwen en wie dus zijn werkgever is. Belanghebbende beroept zich namelijk op een gerichte vrijstelling, en gelet op wat hiervoor in 5.1.2 is overwogen, is voor de beoordeling of en, zo ja, in hoeverre aan de voorwaarden voor die vrijstelling is voldaan, onder meer van belang wie zijn werkgever is.
5.6.1
In het geval dat de luchtvaartmaatschappij of het uitzendbureau moet worden aangemerkt als de werkgever van belanghebbende, zal het verwijzingshof in de eerste plaats moeten beoordelen of de ‘out of base allowance’ is aan te merken als een met belanghebbende overeengekomen vergoeding, zoals bedoeld in artikel 31, lid 1, letter f, van de Wet LB 1964.
5.6.2
Indien sprake is van een dergelijke vergoeding, kan een gerichte vrijstelling daarvoor niet meer belopen dan de som van de bedragen die als ‘out of base allowance’ zijn betaald. Het verwijzingshof zal de omvang daarvan zo nodig moeten vaststellen.
5.6.3
Voor het geval de ‘out of base allowance’ is aan te merken als een vergoeding zoals hiervoor in 5.6.1 bedoeld, laten de stukken van het geding geen andere slotsom toe dan dat het een vaste kostenvergoeding betreft. Bij een vaste kostenvergoeding is voor een gerichte vrijstelling volgens artikel 31a, lid 3, van de Wet LB 1964 vereist dat aan die vergoeding een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. De eis dat het onderzoek aan de vergoeding ‘ten grondslag ligt’, brengt mee dat het onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat de vergoeding wordt betaald. Verder brengt die eis mee dat het onderzoek bij de werkgever bekend moet zijn en voor hem de basis is geweest voor het vaststellen van de vergoeding. Naar het Hof terecht heeft aangenomen, stelt de wet aan toepassing van een gerichte vrijstelling voor vaste kostenvergoedingen echter niet de eis dat de vergoeding tevoren is gespecificeerd.
5.6.4
De stukken van het geding bevatten geen aanwijzing dat een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten aan de vaststelling van de ‘out of base allowance’ ten grondslag heeft gelegen. In een geval als dit, waarin de werkgever niet inhoudingsplichtig is, kan in redelijkheid echter niet worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting. (…) Artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001 moet daarom, in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, zo worden uitgelegd dat in deze gevallen voor toepassing van de gerichte vrijstelling ook kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer is gedaan zonder dat de werkgever daarbij betrokken was. Daarbij kan in redelijkheid van een werknemer niet worden verlangd dat hij dit onderzoek al heeft verricht voordat hij de vergoeding van zijn werkgever krijgt.’

3.Geschil

3.1.
In geschil is of een gedeelte van de door belanghebbende ontvangen bedragen een gericht vrijgestelde kostenvergoeding is en, zo ja, tot welk bedrag.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Gelet op de verwijzingsopdracht zal het Hof in de eerste plaats de vraag moeten beantwoorden welke arbeidsverhouding van belanghebbende als dienstbetrekking is aan te merken en tot wie belanghebbende dus in dienstbetrekking stond.
4.2.
Aangezien het geschil betrekking heeft op de vergoeding van kosten die belanghebbende voor zijn werkzaamheden als piloot heeft gemaakt, gaat het daarbij om de dienstbetrekking van belanghebbende als piloot waaruit hij de beloning voor die werkzaamheden krijgt. Het Hof acht daarom niet van belang of belanghebbende – zoals hij stelt – als directeur in (privaatrechtelijke of fictieve) dienstbetrekking stond tot [Ltd1] en [Ltd2] .
4.3.
Niet in geschil is dat belanghebbende als piloot werkzaam was in privaatrechtelijke dienstbetrekking, dus op basis van een arbeidsovereenkomst. Het gaat er nu om wie de wederpartij van belanghebbende bij deze arbeidsovereenkomst was. Dat is degene jegens wie belanghebbende zich heeft verplicht arbeid te verrichten, die belanghebbende loon moest betalen en die gezag over belanghebbende kon uitoefenen.
4.4.
Belanghebbende stelt dat hij als piloot in dienstbetrekking stond tot [Ltd1] en [Ltd2] die hem op basis van een uitzendovereenkomst ter beschikking stelden aan het uitzendbureau, dat op zijn beurt belanghebbende ter beschikking stelde aan de luchtvaartmaatschappij. Er zijn, aldus belanghebbende, weliswaar geen schriftelijke arbeidsovereenkomsten, maar voldoende duidelijk was dat zowel belanghebbende als [Ltd1] en [Ltd2] de bedoeling hadden arbeidsovereenkomsten te sluiten. Belanghebbende wijst in er dit verband op dat [Ltd1] en [Ltd2] hem hebben behandeld als werknemer, loonbelasting en sociale premies hebben ingehouden en betaald. Dat belanghebbende aanwijzingen van de luchtvaartmaatschappij moest opvolgen, vloeit volgens hem voort uit de uitzendovereenkomst.
4.5.
Op belanghebbende rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot feiten en omstandigheden waaruit volgt welke rechtsverhouding als zijn dienstbetrekking is te beschouwen en wie dus zijn werkgever is (zie het arrest onder 5.5.3). Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor zijn werkzaamheden als piloot in dienstbetrekking stond tot [Ltd1] en/of [Ltd2] . Er is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende enerzijds en [Ltd1] en/of [Ltd2] anderzijds. Wel is er een Engelstalige overeenkomst overgelegd, gesloten tussen belanghebbende en [Ltd3] (zie onder 2.2). In die overeenkomst staat weliswaar dat [Ltd1] ‘takes the part of the Employer’, maar daarin is ook bepaald dat [Ltd1] geen gezag uitoefent over belanghebbende. Elke verantwoordelijkheid van [Ltd1] voor het doen en nalaten van belanghebbende is uitgesloten (zie de onderdelen 3.1, 6 en 7 van de overeenkomst). [Ltd1] betaalt aan belanghebbende de door haar ‘on the specialists behalf’ (dus namens belanghebbende) ontvangen bedragen, verminderd met daarop betrekking hebbende kosten (zie artikel 2 van Pro die overeenkomst en het arrest, overweging 2.5). Op deze wijze vervult [Ltd1] veeleer de functie van kassier voor de door belanghebbende bij de luchtvaartmaatschappij en/of het uitzendbureau verdiende bedragen. Het Hof acht dan ook niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende voor zijn werkzaamheden als piloot in dienstbetrekking stond tot [Ltd1] en/of [Ltd2] .
4.6.
Uitgaande van het oordeel dat belanghebbende niet als piloot in dienstbetrekking stond tot [Ltd1] en/of [Ltd2] , is niet in geschil dat belanghebbende als piloot in dienstbetrekking stond tot het uitzendbureau of de luchtvaartmaatschappij. Ook is niet in geschil dat in dat kader aan belanghebbende een ‘out of base allowance’ is betaald van € 3.493,33. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat dan de ‘out of base allowance’ kan worden aangemerkt als gericht vrijgestelde kostenvergoeding, zowel in het geval het uitzendbureau de werkgever was, als wanneer de luchtvaartmaatschappij de werkgever was.
4.7.
Daarnaast heeft belanghebbende onder de naam ‘expenses’ vergoedingen ontvangen van [Ltd1] en [Ltd2] . Nu deze vergoedingen niet zijn ontvangen van de werkgever (zoals het Hof hiervoor heeft geoordeeld zijn [Ltd1] en [Ltd2] dat niet), kunnen deze vergoedingen geen gericht vrijgestelde vergoedingen zijn.
4.8.
Belanghebbende heeft nog verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1617. In die procedure, die ging over een vergelijkbare situatie, was de Inspecteur bereid € 7.700 als gericht vrijgestelde kostenvergoeding te accepteren, ongeacht wie als werkgever moest worden aangemerkt. Het Hof begrijpt dat belanghebbende zich daarmee beroept op het gelijkheidsbeginsel.
4.9.
Niet gesteld of gebleken is dat het standpunt van de Inspecteur in die procedure berust op een door hem gevoerd beleid of voortvloeit uit een oogmerk van begunstiging. Nu belanghebbende slechts naar één ander geval heeft verwezen, kan toepassing van het gelijkheidsbeginsel ook niet worden gegrond op de meerderheidsregel. Het Hof verwerpt daarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel. [1]
4.10.
Het belastbare loon, tevens belastbaar inkomen uit werk en woning, van belanghebbende moet dan als volgt worden berekend:
Brutoloon (invoice value) (zie het arrest, overweging 2.4)
€ 121.829,55
Af: PSRI 35%
€ 1.110,72
Af: Social security 50%
€ 1.116,93
Af: Management fee
€ 2.436,59
Af: Out of base allowance
€ 3.493,33
€ 113.671,98
Af: 1,2% (vrije ruimte werkkostenregeling)
€ 1.364,06
Fiscaal loon, tevens belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 112.307,91
4.11.
Bij het vaststellen van de aanslag is de Inspecteur uitgegaan van een lager belastbaar inkomen uit werk en woning (zie het arrest, overweging 2.9). De Rechtbank heeft het beroep dus terecht ongegrond verklaard. Het Hof zal daarom de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.
4.12.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op
29 april 2026in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (J. van de Merwe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie HR 16 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2585.