Belanghebbende, piloot werkzaam in 2016 voor een Ierse luchtvaartmaatschappij via een uitzendbureau en twee Ierse Ltd-vennootschappen, betwistte de aanslag inkomstenbelasting en de toerekening van kostenvergoedingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigde dit, maar de Hoge Raad stelde de Inspecteur in het gelijk en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof onderzocht welke arbeidsverhouding als dienstbetrekking geldt en wie de werkgever was. Uit de feiten en de overeenkomst met de Ltd-vennootschappen bleek dat deze geen gezag uitoefenden en slechts als kassier fungeerden. Belanghebbende stond daarom niet in dienstbetrekking tot de Ltd’s, maar tot het uitzendbureau of de luchtvaartmaatschappij.
De 'out of base allowance' van € 3.493,33 werd door de Inspecteur erkend als gerichte vrijgestelde kostenvergoeding. De overige vergoedingen ('expenses') van de Ltd’s konden dat niet zijn omdat deze niet van de werkgever kwamen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De aanslag werd vastgesteld op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.307,91. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen.