ECLI:NL:HR:2025:1617
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gerichte vrijstellingen voor kostenvergoedingen piloot met niet-inhoudingsplichtige werkgever
Belanghebbende, een piloot woonachtig in Nederland, werkte in 2016 via een Ierse luchtvaartmaatschappij en een uitzendbureau, waarbij betalingen plaatsvonden via twee Ierse vennootschappen waarvan hij mede-aandeelhouder was. Deze werkgevers waren niet inhoudingsplichtig voor de Nederlandse loonbelasting. Belanghebbende ontving onder meer kostenvergoedingen ('expenses') die hij als fiscaal vrijgesteld beschouwde.
De Inspecteur rekende deze vergoedingen grotendeels tot het belastbare loon, wat leidde tot een geschil over de toepassing van gerichte vrijstellingen binnen de werkkostenregeling. Het Hof oordeelde dat hoewel de werkgever niet inhoudingsplichtig was en de vergoedingen niet als eindheffingsbestanddeel waren aangewezen, belanghebbende toch een beroep kon doen op gerichte vrijstellingen, maar dat hij niet had bewezen dat meer dan €7.700 aan kosten als vrijstelling kon gelden.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof, wijst de klachten af en benadrukt dat de Inspecteur zijn aanvankelijke standpunt dat geen kostenvergoeding was overeengekomen, heeft prijsgegeven door het compromisvoorstel. De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het Hof heeft terecht geoordeeld dat een bedrag van €7.700 als gerichte vrijstelling geldt.