Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1850

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
23/3023
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30fc AWRArt. 30hb AWRArt. 31 Uitvoeringsregeling AWR 1994Art. 6:119 BWArt. 1 Besluit belasting- en invorderingsrente
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen belastingrente aanslag inkomstenbelasting 2020

Belanghebbende startte in 2019 een eenmanszaak en diende zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020 in op 31 augustus 2021, binnen de uitsteltermijn tot 1 september 2021. De Inspecteur legde een aanslag op met belastingrente van 4%, wat belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat hij mocht vertrouwen op geen belastingrente omdat de Inspecteur bij het uitstel niet had geïnformeerd over renteheffing, dat het rentepercentage te hoog was, dat de rente over een te lange periode werd berekend en dat sprake was van bijzondere omstandigheden door de start van zijn onderneming. Het Hof oordeelde dat het vertrouwen niet gerechtvaardigd was, het rentepercentage van 4% niet disproportioneel is en dat de renteperiode correct is toegepast.

Wel stelde het Hof vast dat de berekende belastingrente van €817 iets te hoog was en verminderde dit naar €812. De stelling van een individuele en buitensporige last werd niet bewezen. Het Hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en vergoedde het griffierecht. De redelijke termijn voor uitspraak werd overschreden, maar gezien het geringe financiële belang volstond een constatering.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor zover de belastingrente wordt verminderd van €817 naar €812 en de Inspecteur wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/3023
uitspraakdatum: 24 maart 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 9 oktober 2023, nummer ARN 22/2910, ECLI:NL:RBGEL:2023:5528, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Amsterdam(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is tegelijk met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020 een beschikking belastingrente opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de beschikking belastingrente bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting van de zevende enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 25 september 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur mr. [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.
1.6.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft deze enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben (op voorhand) afgezien van een nadere mondelinge behandeling.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is in het jaar 2019 een eenmanszaak in bouwadvies gestart. Het jaar 2020 is het eerste volledige boekjaar van deze onderneming
2.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende op 27 februari 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2020.
2.3.
Belanghebbende heeft op 25 april 2021 verzocht om uitstel voor het doen van die aangifte.
2.4.
De Inspecteur heeft op 12 mei 2021 uitstel verleend tot 1 september 2021:
“Geachte heer, mevrouw,
Op 25 april 2021 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) 2020
Ik verleen u hiervoor uitstel tot 1 september 2021.
Hebt u nog vragen? Kijk dan op www.belastingdienst.nl.
Hoogachtend,
de inspecteur”
2.5.
Belanghebbende heeft zijn aangifte IB/PVV 2020 ingediend op 31 augustus 2021 naar een box 1 inkomen, tevens verzamelinkomen, van € 141.018.
2.6.
Met dagtekening 22 oktober 2021 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 conform de ingediende aangifte opgelegd naar een te betalen bedrag van € 48.919, waaronder een bedrag van € 817 aan belastingrente. De Inspecteur is bij de renteberekening uitgegaan van een belastingrentepercentage van 4%. Op het aanslagbiljet staat dat het bedrag van € 48.919 op 3 december 2021 op de rekening van de Belastingdienst moet staan.
2.7.
Belanghebbende heeft de aanslag op 1 november 2021 betaald.
2.8.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht belastingrente in rekening heeft gebracht, dat zij geen ruimte ziet om van de hoogte van het belastingrentepercentage af te wijken, dat de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven door het rentepercentage te koppelen aan de wettelijke rente met een ondergrens van 4% en dat van een individuele en buitensporige last geen sprake is.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 terecht en, zo ja, tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht.
3.2.
Belanghebbende stelt primair dat hij erop mocht vertrouwen dat aan hem geen belastingrente zou worden berekend, omdat de Inspecteur hem bij het verlenen van uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2020 niet heeft geïnformeerd dat, als hij aangifte zou doen voor 1 september 2021, hij belastingrente verschuldigd zou zijn. Subsidiair stelt belanghebbende dat de Inspecteur hem over een te lange periode belastingrente in rekening heeft gebracht en voorts dat het belastingrentepercentage met 4% te hoog is, nu de ECB-rente in de betreffende periode nihil was, belanghebbende zelf in die periode ook geen rente over spaargeld heeft ontvangen en dat percentage niet in verhouding staat tot het destijds geldende invorderingsrentepercentage van 0,01%. Meer subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van bijzondere omstandigheden, namelijk de start van zijn onderneming, waardoor hij niet eerder aangifte kon doen, zodat geen of minder belastingrente in rekening mocht worden gebracht. Volgens belanghebbende vormt de berekende belastingrente voor hem bovendien een individuele en buitensporige last. Belanghebbende stelt verder dat de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de Rechtbank niet goed zijn gemotiveerd, dat geen evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat de Rechtbank te laat uitspraak heeft gedaan.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de belastingrente terecht en conform de wettelijke regelingen in rekening is gebracht, dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur die aanleiding zijn om de belastingrente in dit geval te matigen, en dat belanghebbende geen bewijs heeft geleverd dat de berekende belastingrente voor hem een individuele en buitensporige last vormt.

4.Beoordeling van het geschil

Wettelijke systematiek verschuldigde belastingrente
4.1.
Volgens artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) brengt de inspecteur belastingrente in rekening als hij vanaf zes maanden na het einde van het tijdvak een aanslag IB/PVV oplegt naar een te betalen bedrag. Volgens het tweede lid van dat artikel wordt de belastingrente enkelvoudig berekend met als grondslag het te betalen bedrag over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is. Als de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte loopt volgens het derde lid van die bepaling het tijdvak tot uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte en wordt volgens het vierde lid geen belastingrente in rekening gebracht als de aangifte is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.
4.2.
Voor het tijdvak waarover in onderhavige procedure belastingrente in rekening is gebracht, is in artikel 30hb AWR bepaald dat het percentage van de belastingrente een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage bedraagt. Dat percentage is neergelegd in het Besluit belasting- en invorderingsrente, dat voor het in deze procedure van toepassing zijnde tijdvak als volgt luidde:
“Artikel 1
Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen:
a. is voor de inkomstenbelasting, de erfbelasting, de loonbelasting, de dividendbelasting, de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de in artikel 1 van Pro de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen gelijk aan het percentage van de ingevolge artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Pro Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedraagt;
(…)”
4.3.
De in het Beluit belasting- en invorderingsrente bedoelde vastgestelde wettelijke rente bedroeg in het tijdvak waarover belastingrente in rekening is gebracht volgens het Besluit wettelijke rente “twee procent per jaar”. [1] Dat betekent dat in het relevante tijdvak werd gerekend met een belastingrentepercentage van (ten minste) 4.
Vertrouwen dat geen belastingrente in rekening zou worden gebracht?
4.4.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur in de bevestiging van het uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2020 geen melding heeft gemaakt dat belanghebbende, als hij zijn aangifte IB/PVV 2020 na 1 mei, maar vóór 1 september 2021 zou indienen, geconfronteerd zou kunnen worden met belastingrente, en dat hij er daarom op mocht vertrouwen dat hij, aangezien hij zijn aangifte op 31 augustus 2021 heeft ingediend, niet met belastingrente te maken zou krijgen.
4.5.
Het Hof overweegt dat belanghebbende zelf actief uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2020 heeft gevraagd en dat dat uitstel op zijn verzoek is toegekend. Uit het enkele feit dat het uitstel is toegekend en dat de Inspecteur in de bevestiging daarvan niets heeft vermeld over belastingrente en voor vragen heeft verwezen naar de website van de Belastingdienst, kan belanghebbende niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat – als hij binnen de (uit)gestelde termijn aangifte zou doen – hij in afwijking van de wettelijke bepalingen niet zou worden geconfronteerd met belastingrente. Naar het oordeel van het Hof was het aan belanghebbende geweest zich te (laten) informeren omtrent de mogelijke gevolgen van het verzoeken om uitstel voor het doen van aangifte.
4.6.
Het beroep van belanghebbende op gerechtvaardigd vertrouwen slaagt niet.
Hoogte van het belastingrentepercentage
4.7.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, geoordeeld over het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting dat is opgenomen in het Besluit belasting- en invorderingsrente. De Hoge Raad overwoog onder meer dat de algemeen geformuleerde delegatiebepaling van artikel 30hb AWR geen grond biedt om aan te nemen dat de besluitgever het rentepercentage niet hoger mag vaststellen dan het door de Staat geleden rentenadeel. Ten overvloede heeft de Hoge Raad in dat arrest ook overwegingen gegeven die relevant zijn specifiek voor het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente, zoals in onderhavige zaak aan de orde is (zie 4.2):
“4.11.3. Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van Pro de Grondwet en in internationale verdragen.
4.11.4.
Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW Pro bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van Pro het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt.
4.11.5.
In het geval de in artikel 6:119 BW Pro bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. [2] Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat
(i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt,
(ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht,
(iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [3] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en
(iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft.
Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
4.11.6.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
4.11.7.
Van het in artikel 1, letter a, van het Besluit genoemde rentepercentage kan tot slot niet worden gezegd dat het een punitief karakter heeft en daarom getoetst zou moeten worden aan de in de artikelen 6 en 7 van het EVRM en de artikelen 48 tot en met 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen regels over punitieve sancties. De toepassing van dit percentage vindt namelijk niet plaats met het oogmerk van bestraffing; [4] het is ook geen reactie op de overtreding van een bepaalde norm. Toetsing aan artikel 4 van Pro het Zevende Protocol bij het EVRM komt om dezelfde reden niet aan de orde, nog daargelaten dat dit protocol door Nederland niet is geratificeerd.”
4.8.
Het Hof is van oordeel dat de hiervoor opgenomen argumentatie van de Hoge Raad voor de jaren 2022 en 2023, ook geldt voor de periode waarover in het geval van belanghebbende belastingrente is berekend, namelijk de tweede helft van 2021. Ook in die periode werd de wettelijke rente berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van de aldus voor die periode op 4 procent bepaalde rente kan eveneens niet worden gezegd dat deze buitenproportioneel hoog is of in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. Dat geldt ook in de situatie van belanghebbende, die - zoals hij heeft gesteld - door de start van zijn onderneming in redelijkheid niet in staat was om belastingrente te voorkomen door ofwel eerder aangifte IB/PVV 2020 te doen ofwel gedurende het jaar een voorlopige aanslag aan te vragen.
4.9.
De Inspecteur mocht daarom in het geval van belanghebbende rekenen met een belastingrentepercentage van 4%. Dat de invorderingsrente vanaf 23 maart 2020 tot en met 30 juni 2022 0,01% bedroeg als tijdelijke maatregel in het kader van de noodmaatregelen die zijn getroffen in de aanpak van de COVID-19 om de mogelijkheden voor uitstel van betaling voor ondernemers zo laagdrempelig mogelijk te maken, heeft niet tot gevolg dat het belastingrentepercentage in de tweede helft van 2021 niet 4% mocht bedragen.
Tijdvak waarover belastingrente in rekening mag worden gebracht
4.10.
Belanghebbende heeft voorts geklaagd dat de belastingrente over een te lange periode is berekend, omdat hij de aanslag ruim voor de gestelde termijn van 3 december 2021 heeft betaald.
4.11.
Volgens artikel 30fc, tweede lid, AWR vangt het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend aan 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven (in casu 1 juli 2021) en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, onderscheidenlijk de navorderingsaanslag, invorderbaar is, zodat de laatste dag van het tijdvak 2 december 2021 is.
4.12.
Anders dan belanghebbende veronderstelt, staat een eerdere betaling er niet aan in de weg dat belastingrente wordt berekend over de periode tussen de dagtekening van een aanslagbiljet en de uiterste datum waarop de desbetreffende belastingaanslag moet zijn betaald, ook in gevallen waarin die aanslag vóór het einde van de betaaltermijn is betaald. [5]
4.13.
Volgens artikel 31 Uitvoeringsregeling Pro Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt bij de bepaling van het aantal dagen waarover belastingrente wordt berekend een volle kalendermaand gesteld op 30 dagen, met uitzondering van de maand op de laatste dag waarvan het tijdvak waarover de rente wordt berekend eindigt, in welk geval het werkelijke aantal dagen in aanmerking wordt genomen. Voor belanghebbende bedraagt het tijdvak waarover belastingrente mag worden berekend dan 5 maanden (juli tot en met november 2021) x 30 dagen en 2 dagen in december, dus in totaal 152 dagen.
Hoogte verschuldigde belastingrente
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat aan belanghebbende over 152 dagen belastingrente in rekening mocht worden gebracht. De belastingrente wordt dan berekend als volgt:
152 dagen / 360 dagen x 4% x € 48.102 = € 812.
4.15.
Nu de Inspecteur een bedrag van € 817 aan belanghebbende in rekening heeft gebracht, slaagt de klacht van belanghebbende dat de Inspecteur hem een te hoog bedrag aan belastingrente in rekening heeft gebracht. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.
Individuele en excessieve last?
4.16.
Belanghebbende heeft gesteld dat het bedrag van in rekening gebrachte belastingrente voor hem een individuele en buitensporige last vormt.
4.17.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust voor deze stelling, niet aannemelijk heeft gemaakt, dat in vergelijking tot andere belastingplichtigen die ook door de belastingrente zijn geraakt de last van ruim € 800 belastingrente zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen en dat daarmee sprake is van individuele en buitensporige last. De enkele stellingen dat hij vanwege een echtscheiding, een te overbruggen AOW-gat en hoge woonlasten veel kosten heeft moeten maken, zijn – mede gelet op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2020 van € 141.018 – niet voldoende om dit aannemelijk te achten.
Overig
4.18.
De overige klachten die belanghebbende naar voren heeft gebracht, zoals dat de Inspecteur en de Rechtbank in hun uitspraak niet expliciet op alle argumenten van belanghebbende zijn ingegaan en over de datering van stukken van de Rechtbank, leiden het Hof niet tot een ander oordeel.
Redelijke termijn
4.19.
Ambtshalve overweegt het Hof nog als volgt. Bij overschrijding van de redelijke termijn heeft de belanghebbende in beginsel recht op compensatie in de vorm van een vergoeding van immateriële schade. De redelijke termijn voor het doen van uitspraak in hoger beroep bedraagt in beginsel twee jaar. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade geldt als uitgangspunt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. De rechter kan in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, echter volstaan met de constatering daarvan wanneer het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. [6]
4.20.
Deze zaak gaat over € 817 euro aan belastingrente, zodat het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt. Het Hof heeft het hogerberoepschrift van belanghebbende ontvangen op 16 november 2023. Het Hof doet heden uitspraak. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden meer dan zes weken na de behandeling ter zitting van het Hof. Van bijzondere omstandigheden die tot verlenging van de redelijke termijn aanleiding kunnen geven is niet gebleken, zodat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden. Het Hof volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep is overschreden.
Slotsom
Op grond van het voorgaande is het hoger beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen de hoogte van de berekende belastingrente.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de door hem in verband met het bezwaar gemaakte kosten. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. De Inspecteur heeft voor deze situatie ter zitting verklaard dat in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht alleen de verletkosten voor uren die aan de zittingen zijn besteed voor vergoeding in aanmerking komen en dat hij het door belanghebbende daarvoor gestelde aantal uren het tarief niet bestrijdt, zijnde 2,7 uur x € 60 voor de zitting bij de Rechtbank en 2,7 uur x € 75 voor de zitting bij het Hof, in totaal € 364,50. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. Deze proceskosten en de reiskosten van belanghebbende voor de zitting bij de Rechtbank en het Hof op basis van openbaar vervoer 2e klasse heeft het Hof begroot op in totaal € 450.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de beschikking belastingrente tot € 812,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 450, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 136 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Staatsblad 2014, 491.
2.Zie artikel XI, letter A, van het Eindejaarsbesluit 2023, Stb. 2023, 511.
3.Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.
4.Vgl. HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151, rechtsoverweging 6.4.
5.HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673, rechtsoverweging 3.3.4.
6.HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.