Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2023:5528

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 oktober 2023
Publicatiedatum
6 oktober 2023
Zaaknummer
ARN 22_2910
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30fc AWRArt. 30hb AWRArtikel 1 onderdeel a Besluit belasting- en invorderingsrenteArtikel 9 Invorderingswet 1990EVRM artikel 1 Eerste Protocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingrente niet buitensporig hoog en geen schending vertrouwensbeginsel

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020, waarbij belastingrente van €817 in rekening is gebracht. Eiser stelde dat de belastingrente onterecht en te hoog was, mede vanwege een tijdelijke renteverlaging tijdens de coronacrisis en een beroep op het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank overwoog dat de tijdelijke verlaging van de belastingrente niet van toepassing was op de periode waarover de rente is berekend. Verweerder heeft de rente correct berekend conform de wettelijke bepalingen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de informatie waarop eiser zich baseert betrekking heeft op invorderingsrente en niet op belastingrente.

Verder is het rentepercentage van 4% wettelijk vastgesteld en niet gekoppeld aan de marktrente. De rechtbank acht dit binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever en niet buitensporig, mede gelet op het inkomen van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van kosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de belastingrente terecht en correct is berekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/2910

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 17 februari 2022.
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 141.018.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens verweerder [naam 1] en [naam 2].

Feiten

1. Op 27 februari 2021 is eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2020.
2. Eiser heeft op 25 april 2021 verzocht om uitstel tot het doen van aangifte IB/PVV 2020. Verweerder heeft op 12 mei 2021 uitstel verleend tot 1 september 2021.
3. Eiser heeft op 31 augustus 2021 zijn aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een verzamelinkomen van € 141.018.
4. Met dagtekening 22 oktober 2021 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2020 conform de ingediende aangifte opgelegd. Gelijktijdig heeft verweerder een bedrag van € 817 aan belastingrente in rekening gebracht.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht en naar een juist bedrag belastingrente in rekening heeft gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7. Eiser stelt dat de Belastingdienst de mogelijkheid bood voor uitstel van de aangifte IB/PVV ten gevolge van de coronacrisis, waarbij de belastingrente en de invorderingsrente tot 31 december 2021 is verlaagd tot 0,01%, indien de aangifte voor 1 september is ontvangen. Eiser verwijst hiervoor naar de tekst op de website van de Belastingdienst. Ook zou verweerder hem ten onrechte niet hebben geïnformeerd dat belastingrente moet worden betaald indien om uitstel van de aangifte is gevraagd. Daarnaast stelt eiser dat het tarief van 4% te hoog is, omdat de marktrente veel lager is.
8. Verweerder stelt dat terecht belastingrente in rekening is gebracht. De tekst op de website waar eiser naar verwijst, heeft volgens verweerder alleen betrekking op de invorderingsrente. Verder stelt verweerder dat hij niet verplicht is om eiser bij de aanvraag van uitstel van de aangifte te informeren over de belastingrente. Verweerder stelt dat de belastingrente naar een juist bedrag is berekend. Op grond van de Verzamelspoedwet COVID-19 is de belastingrente tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01% voor de periode 1 juli 2020 tot 1 oktober 2020. De belastingrente is voor eiser berekend over de periode 1 juli 2021 tot 3 december 2021.De tijdelijke verlaging is daarom niet van toepassing. Met betrekking tot de hoogte stelt verweerder dat de belastingrente berekend is zoals in de wet staat opgenomen, en dat hij geen vrijheid heeft om daar van af te wijken. Van bijzondere omstandigheden om toch af te wijken is volgens hem geen sprake.
Is terecht belastingrente in rekening gebracht?
9. Artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), voor zover van toepassing, luidt:
“1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag of een navorderingsaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, onderscheidenlijk die navorderingsaanslag, aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, onderscheidenlijk de navorderingsaanslag, invorderbaar is ingevolge artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.
3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte.
4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, onderscheidenlijk zesde, maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.”
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht belastingrente in rekening gebracht. Voor zover eiser met zijn stellingen een beroep wil doen op het vertrouwensbeginsel en om die reden geen belastingrente zou hoeven te betalen, slaagt die stelling niet. De informatie waar eiser naar verwijst niet voor hem van toepassing. De tekst waar eiser naar verwijst heeft betrekking op invorderingsrente die betaald moet worden bij het terugbetalen van een toeslag. In het geval van eiser is belastingrente in rekening gebracht in verband met de aanslag IB/PVV. De stelling van eiser, dat verweerder hem had moeten informeren over het betalen van belastingrente op het moment dat verweerder het door eiser verzochte uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend, vindt geen steun in het recht.
Is de belastingrente buitensporig hoog?
11. Met betrekking tot de hoogte van de belastingrente overweegt de rechtbank dat met het opleggen van belastingrente wordt beoogd om een preventieve en afschrikwekkende werking uit te doen gaan zodat tijdig aangifte wordt gedaan, de verzuimgedachte. [1] Dat eiser om uitstel voor het doen van aangifte heeft verzocht, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, aangezien dit geen grond is om af te zien van vaststelling van belastingrente of voor een lagere belastingrente.
12. Ten aanzien van de hoogte van het percentage belastingrente overweegt de rechtbank dat dit rentepercentage op grond van artikel 30hb van de AWR in samenhang met artikel 1, onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente, 4% bedraagt. De rechtbank ziet geen ruimte om van deze dwingendrechtelijke bepalingen af te wijken. Weliswaar is de hoogte van de belastingrente hoger dan de rente op de kapitaalmarkt, maar de belastingrente is niet gerelateerd aan de rente op de kapitaalmarkt maar aan de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank met een opslag. Daarbij is de belastingrente in vergelijking met andere rentetarieven aanzienlijk lager (Kamerstukken II, 2019-2020, 35 303, nr. 6, p. 30-31). [2]
13. De rechtbank overweegt daarnaast dat zij niet bevoegd is de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Wel kan de rechtbank toetsen aan internationale verdragen, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser doet in dat kader een beroep op het recht op ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM. Uit de wetsgeschiedenis van Hoofdstuk VA van de AWR maakt de rechtbank op dat de wetgever wel degelijk bewust ervoor heeft gekozen om het rentepercentage te koppelen aan de wettelijke rente, maar met een ondergrens van 4%. [3] De rechtbank is van oordeel dat de wetgever op regelniveau binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven. Het minimumniveau is immers niet zodanig hoog dat de beoordeling van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is. Tot slot kan de heffing van belastingrente in het geval van eiser niet worden gezien als een individuele en buitensporige last. Hiervoor dient met de totale inkomens- en vermogenspositie van eiser rekening te worden gehouden. In het licht van wat uit de stukken in het geding bekend is over de inkomens- en vermogenspositie van eiser is de belastingrente van € 817 niet van een dergelijk grote omvang dat die kwalificeert als een buitensporige last. Eiser heeft in het onderhavige jaar een verzamelinkomen van meer dan € 140.000.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de belastingrente terecht in rekening heeft gebracht. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, voorzitter, en mr. L.Y. Gramsbergen en mr. W.E. van Asbeck, leden, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 14 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3106.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7832.
3.Vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 755, nr. 3, blz. 4.