Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1470

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.362.631
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 3 lid 2 WwftArt. 5 lid 3 WwftArt. 6:248 lid 2 BWArt. 35 ABV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging bancaire relatie wegens onvoldoende medewerking Wwft-onderzoek

De rekeninghouder stelde in kort geding een vordering in tegen ASN Bank om de beëindiging van zijn bankrekening te verbieden, omdat hij onvoldoende had meegewerkt aan het Wwft-cliëntenonderzoek. ASN beëindigde de relatie en plaatste hem op de BOVA-lijst. De voorzieningenrechter verklaarde de rekeninghouder niet-ontvankelijk wegens schending van artikel 21 Rv Pro, omdat hij onjuiste feiten had aangevoerd over het gebruik en de afhankelijkheid van zijn bankrekening en het bestaan van andere rekeningen.

In hoger beroep handhaafde het hof deze niet-ontvankelijkverklaring. De rekeninghouder had ook in hoger beroep niet naar waarheid verklaard dat zijn ASN-rekening zijn primaire betaalrekening was en dat hij geen bruikbare alternatieven had. Uit analyses van ASN bleek dat zijn AOW op de rekening van zijn vrouw werd gestort en dat hij meerdere bruikbare bankrekeningen had, waaronder bij ING en in Duitsland.

Het hof oordeelde dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid niet disproportioneel was en dat de rekeninghouder geen spoedeisend belang had bij zijn vordering. De beëindiging van de bankrelatie was niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het hoger beroep werd afgewezen en de rekeninghouder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de rekeninghouder niet-ontvankelijk is wegens schending van de waarheidsplicht en ontbrekend spoedeisend belang, en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.631
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 456200
arrest in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[de rekeninghouder]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. F.L.P. Vulto
en
ASN Bank N.V. (hierna: ASN)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. G.T. Flapper

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[de rekeninghouder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 5 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep waarin de grieven zijn opgenomen
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 19 februari 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
ASN heeft aangekondigd de bankrekening van [de rekeninghouder] (en zijn echtgenote) te beëindigen (en heeft dat na het vonnis ook gedaan) omdat [de rekeninghouder] volgens ASN onvoldoende heeft meegewerkt aan het Wwft-cliëntenonderzoek zodat ASN dat niet kon afronden. ASN heeft verder aangekondigd [de rekeninghouder] te plaatsen op de interne Bancaire Opzeggingshistorie en Verscherpte Acceptatiecriteria-lijst (hierna: BOVA-lijst) en heeft dat na het vonnis ook gedaan.
2.2.
[de rekeninghouder] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd, kort gezegd, ASN te verbieden de bancaire relatie te beëindigen althans te gebieden de beëindiging op te schorten totdat in een bodemprocedure is beslist en hem hangende die opschorting niet te registreren op de BOVA-lijst, met dwangsommen en kosten. [de rekeninghouder] heeft aangevoerd dat de beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat daardoor [de rekeninghouder] toegang tot het bancaire systeem wordt afgesneden. [de rekeninghouder] heeft toegelicht dat hij, een 85-jarige man, de bankrekening gebruikt om zijn AOW en pensioeninkomsten op te ontvangen en zijn vaste lasten te betalen en dat hij geen andere Nederlandse bankrekening heeft, zodat hij door de beëindiging geen dagelijkse transacties meer kan verrichten en niet meer bij zijn geld kan. Daarin is ook zijn spoedeisend belang gelegen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft [de rekeninghouder] niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat [de rekeninghouder] de voor de beslissing van belang zijnde feiten niet naar waarheid heeft aangevoerd en zo in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld. Gebleken is dat [de rekeninghouder] nog drie Nederlandse en vier buitenlandse bankrekeningen heeft. Bij die stand van zaken ontbreekt ook het spoedeisend belang bij de vordering, aldus de voorzieningenrechter. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4.
Het hof zal het vonnis bekrachtigen. De niet-ontvankelijkverklaring is niet disproportioneel. Daarbij komt dat [de rekeninghouder] ook in hoger beroep de feiten die voor de beslissing relevant zijn, niet naar waarheid heeft aangevoerd. Ook in hoger beroep heeft [de rekeninghouder] geen spoedeisend belang bij zijn vordering. Het hof licht dit oordeel hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten en achtergronden
3.1.
[de rekeninghouder] heeft al 38 jaar een bankrekening, met nummer eindigend op [nummer] , bij (voorgangers van) ASN. ASN heeft [de rekeninghouder] vanaf 12 juni 2024 vragen gesteld over transacties op zijn bankrekening en gewaarschuwd dat deze privé-rekening niet zakelijk gebruikt mag worden. De vragen van ASN maakten deel uit van haar klantonderzoek op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). [de rekeninghouder] heeft de vragen gedeeltelijk beantwoord. Nadere (herhaalde) vragen, ook om nadere onderliggende documentatie, onder andere over verschillende vastgoedprojecten waarvan geldstromen over de bankrekening liepen, heeft [de rekeninghouder] niet beantwoord. Kort gezegd vond [de rekeninghouder] dat hij deze vragen al had beantwoord, deze disproportioneel waren en sprake was van een
fishing expedition.
3.2.
Bij brief van 28 mei 2025 heeft ASN [de rekeninghouder] bericht dat zij de relatie met hem opzegt en de bankrekening zal beëindigen per 29 juli 2025, omdat [de rekeninghouder] onvoldoende heeft meegewerkt aan het klantonderzoek. ASN heeft daarbij verwezen naar artikel 5 lid 3 Wwft Pro en onder meer artikel 35 van Pro de algemene bankvoorwaarden (ABV). [de rekeninghouder] heeft bij brief van 9 juni 2025 gereageerd, verklaard dat het afscheid van ASN niet als straf wordt ondervonden maar dat een langere termijn, tot medio september 2025, nodig is om alle zaken over te zetten. ASN heeft op 19 juni 2025 laten weten het gevraagde uitstel te verlenen en de bankrekening te zullen beëindigen per 15 september 2025. Desgevraagd heeft ASN aan [de rekeninghouder] advocaat laten weten de beëindiging te zullen opschorten hangende de uitkomst van het door [de rekeninghouder] aangekondigde kort geding.
3.3.
Na het vonnis van 5 november 2025 heeft ASN op 10 november 2025 aan [de rekeninghouder] aangekondigd dat de bankrekening per 17 november 2025 wordt beëindigd. [de rekeninghouder] heeft de bankrekening op 14 november 2025 voor het laatst gebruikt. ASN heeft [de rekeninghouder] vervolgens ook geplaatst op de BOVA-lijst, die volgens ASN wordt geraadpleegd op het moment dat [de rekeninghouder] weer een product zou aanvragen bij (een merk van) ASN.
Juridisch kader
3.4.
Op grond van de Wwft is ASN verplicht om cliëntenonderzoek te doen. ASN heeft voor dit cliëntenonderzoek geen eigen opsporingsbevoegdheden; zij is dus afhankelijk van openbare bronnen en de informatie die de klant, in dit geval [de rekeninghouder] , zelf verstrekt in antwoord op vragen van ASN. Daarom is [de rekeninghouder] op grond van de ABV verplicht om informatie te verschaffen aan ASN en ook om mee te werken aan controle van die informatie door ASN. ASN moet zich ervan verzekeren dat de transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel, met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen die gebruikt worden (artikel 3 lid 2 aanhef Pro en onder d Wwft). Als ASN haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien en daarmee niet kan voldoen aan haar verplichting op grond van artikel 3 Wwft Pro, is zij wettelijk verplicht om de relatie met die klant te beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft Pro). Artikel 35 ABV Pro bepaalt dat ASN de relatie kan opzeggen en dat ASN daarbij de zorgvuldigheid moet betrachten als bedoeld in artikel 2 ABV Pro.
3.5.
Het gebruik maken van een in wet of overeenkomst voorziene bevoegdheid tot opzegging kan gelet op alle omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). [2] Bij de opzegging van een bankrelatie komt binnen die toetsing betekenis toe aan de belangen van partijen en ook aan de bancaire zorgplicht op grond waarvan de bank bij haar dienstverlening zorgvuldigheid in acht moet nemen. Het belang van de rekeninghouder, namelijk dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer, moet binnen deze toets zwaar worden meegewogen. [3]
3.6.
Artikel 21 Rv Pro bepaalt dat partijen in een procedure verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Doet een partij dat niet, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Schending van artikel 21 Rv Pro
3.7.
[de rekeninghouder] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat door de beëindiging van zijn bankrekening bij ASN zijn toegang tot het bancaire systeem wordt afgesneden. Als 85-jarige man gebruikt hij de bankrekening om zijn AOW en (aanvullend) pensioen (huurinkomsten) op te ontvangen en zijn vaste lasten te betalen. Hij heeft geen andere Nederlandse bankrekening, zodat hij door de beëindiging geen dagelijkse transacties meer kan verrichten en niet meer bij zijn geld kan.
3.8.
In eerste aanleg is gebleken dat [de rekeninghouder] nog drie Nederlandse en vier buitenlandse bankrekeningen heeft. [de rekeninghouder] advocaat heeft toen ter zitting ook erkend dat onjuist is dat er geen andere Nederlandse bankrekeningen zijn, maar heeft betoogd dat het om zakelijke rekeningen gaat. Niettemin was dit voor de voorzieningenrechter reden om [de rekeninghouder] wegens schending van artikel 21 Rv Pro niet-ontvankelijk te verklaren.
3.9.
In hoger beroep heeft [de rekeninghouder] aangevoerd dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens [de rekeninghouder] heeft hij de feiten niet bewust onjuist aangevoerd met de intentie om de rechter te misleiden; er is sprake van “een feitelijke onjuistheid voortkomend uit de definitie van ‘beschikbare betaalrekening’ ”, die hij in hoger beroep wil corrigeren. Zijn andere bankrekeningen zijn volgens [de rekeninghouder] geen bruikbare privé-rekeningen die inzetbaar zijn als vervanging voor de privé-huishoudrekening bij ASN en dus geen volwaardig alternatief. Zijn bankrekening bij ASN is zijn primaire leefrekening, waarop hij zijn AOW ontvangt en waarvan hij zijn vaste lasten voldoet. De sanctie van niet-ontvankelijkheid is bovendien disproportioneel.
3.10.
Dit betoog slaagt niet. De stellingen van [de rekeninghouder] , ook de in hoger beroep gecorrigeerde stellingen, blijken regelrecht in strijd met de waarheid en niet-ontvankelijkheid is geen disproportionele sanctie.
3.11.
ASN heeft bij memorie van antwoord in hoger beroep aan de hand van een analyse van de betalingen op en van de bankrekening laten zien dat hierop geen AOW werd ontvangen, anders dan [de rekeninghouder] heeft verklaard in de appeldagvaarding onder 4 en 11. [de rekeninghouder] heeft dat bij de mondelinge behandeling in hoger beroep erkend; zijn AOW wordt al sinds lange tijd op de Rabo-rekening van zijn vrouw gestort. [de rekeninghouder] heeft toegelicht dat hij via een volmacht over die bankrekening kan beschikken, ook via een betaalapp of digitale bankpas op zijn telefoon, en dat hij zijn AOW naar behoefte overmaakt naar zijn bankrekening bij ASN. ASN heeft vervolgens aan de hand van haar analyse uitgelegd dat over de periode 2010-2025 een bedrag van in totaal € 2.250 vanaf de Rabo-rekening van zijn vrouw naar de bankrekening van [de rekeninghouder] is overgemaakt (en € 99.650, kennelijk onder meer aan vastgoedinkomsten, in omgekeerde richting). [de rekeninghouder] heeft dit niet betwist.
3.12.
Verder wordt, anders dan [de rekeninghouder] heeft betoogd in de appeldagvaarding onder 4, 11 en 17, de bankrekening bij ASN niet of nauwelijks gebruikt voor de betaling van [de rekeninghouder] vaste lasten en kosten van de huishouding. Uit de analyse van ASN blijkt niet of nauwelijks van het betalen van boodschappen, woonlasten, tanken en dergelijke. Desgevraagd heeft [de rekeninghouder] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij al sinds geruime tijd zijn privé-uitgaven doet via zijn Duitse bankrekening – hij heeft verklaard ook in Duitsland te wonen – en via de Rabo-rekening op naam van zijn vrouw. [de rekeninghouder] heeft toegelicht dat hij zijn dagelijkse uitgaven met zijn telefoon betaalt en daarbij verschillende digitale bankpassen gebruikt, van verschillende banken en bankrekeningen, waarbij hij telkens de eerste digitale bankpas gebruikt die de “wallet” op zijn telefoon op dat moment toont. De bankrekening bij ASN gebruikt hij daarvoor niet.
3.13.
Uit het voorgaande blijkt ook dat [de rekeninghouder] beschikt over andere bankrekeningen die wel degelijk bruikbaar blijken voor zijn inkomsten en dagelijkse uitgaven en betaling van vaste lasten. Anders dan [de rekeninghouder] in de appeldagvaarding onder 14 aanvoert is er dus geen sprake van dat ASN hem “de toegang tot het bancaire verkeer ontzegt” en dat hij in een “acute noodsituatie” verkeert. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [de rekeninghouder] desgevraagd verklaard dat de huurinkomsten die hij tot juli 2025 op de bankrekening bij ASN ontving, op zijn verzoek nu worden betaald op zijn Duitse bankrekening. Verder heeft [de rekeninghouder] verklaard dat ook zijn bankrekening bij ING bruikbaar is voor privégebruik. Eerst had [de rekeninghouder] verklaard (appeldagvaarding onder 17) dat die bankrekening, hoewel die op zijn naam en niet op een bedrijfsnaam staat, slechts zakelijk zou zijn en “niet inzetbaar als vervanging voor de privé-huishoudrekening bij ASN” en “niet ingericht voor de dagelijkse privé-huishouding”. Duidelijk is geworden dat niets in de weg stond aan het gebruik van deze ING-rekening voor privé-uitgaven.
3.14.
Anders dan [de rekeninghouder] in de appeldagvaarding onder 5 heeft verklaard is daarom de bankrekening bij ASN niet te beschouwen als zijn “financiële slagader”, en raakt [de rekeninghouder] door de beëindiging van die bankrekening, anders dan de appeldagvaarding onder 29 wil doen geloven, niet “financieel verlamd”. Op vragen van het hof heeft [de rekeninghouder] ook erkend dat hij, doordat hij nu de ING-rekening gebruikt als betaalrekening en verder nog steeds gebruik maakt van de Rabo-rekening van zijn vrouw, op dit moment geen problemen ondervindt door de beëindiging van zijn ASN-rekening eindigend op nummer [nummer] . Dit gegeven is, net als de analyse die ASN bij memorie van antwoord heeft overgelegd en de conclusies die zij daaraan in de memorie van antwoord heeft verbonden over het gebruik van de bankrekening (geen AOW, nauwelijks huishoudelijke uitgaven), voor [de rekeninghouder] (en zijn advocaat) kennelijk geen reden geweest om het hoger beroep, waarvoor behandeling als spoedappel is gevraagd en gekregen, alsnog in te trekken, dan wel om in de spreekaantekeningen de onjuiste stellingen in de appeldagvaarding bij te stellen. Integendeel, in de spreekaantekeningen (o.a. onder 15 en 37) is zijdens [de rekeninghouder] volhard in de onjuiste stellingname dat andere rekeningen niet zouden zijn ingericht voor het dagelijkse particuliere betalingsverkeer, en dat de inzet van de zaak zou zijn het existentiële belang van [de rekeninghouder] om deel te blijven nemen aan het maatschappelijk verkeer.
3.15.
Naast de schending van artikel 21 Rv Pro in eerste aanleg zijn [de rekeninghouder] “gecorrigeerde” stellingen in hoger beroep over de afwezigheid van bruikbare alternatieve bankrekeningen ook in strijd met de waarheid. Daarnaast is in hoger beroep aan het licht gekomen dat [de rekeninghouder] niet naar waarheid heeft verklaard dat hij zijn AOW op de bankrekening bij ASN ontvangt. Ook is duidelijk dat hij deze bankrekening, anders dan hij beweert, niet heeft gebruikt voor het voldoen van zijn dagelijkse uitgaven en vaste lasten. Overigens heeft [de rekeninghouder] in de appeldagvaarding onder 4 verklaard dat de bankrekening bij ASN per 15 september 2025 is beëindigd (althans is geblokkeerd) en hij sindsdien verstoken is geraakt van zijn primaire betaalrekening. Ook dat klopt niet, omdat die bankrekening pas op 17 november 2025, na het vonnis, is beëindigd en [de rekeninghouder] daar kort voordien nog gebruik van heeft gemaakt. [de rekeninghouder] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat sprake is van een vergissing, maar hij heeft (ook) dat niet uit eigen beweging gecorrigeerd.
3.16.
De gestelde feiten die [de rekeninghouder] afhankelijkheid van de bankrekening bij ASN, en de door beëindiging te verwachten noodsituatie, beogen te onderbouwen, zijn van wezenlijk belang voor de beslissing van deze zaak. In de eerste plaats zijn die feiten van belang voor de beoordeling van het spoedeisend belang van [de rekeninghouder] bij de gevorderde voorziening. Maar deze feiten zijn ook relevant voor de vraag of het gebruik van de opzeggingsbevoegdheid door ASN naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, in het bijzonder disproportioneel, is.
3.17.
In het licht van het voorgaande is de niet-ontvankelijkverklaring een passende sanctie op [de rekeninghouder] schendingen van de waarheidsplicht.
Spoedeisend belang
3.18.
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof.
3.19.
Gelet op al het voorgaande heeft [de rekeninghouder] geen spoedeisend belang. Hij beschikt over verschillende bruikbare bankrekeningen voor de ontvangst van zijn inkomsten en het doen van zijn uitgaven. Van een noodsituatie als gevolg van de beëindiging van de bankrekening bij ASN is geen sprake.
3.20.
Ook wat betreft de vordering hem niet op de BOVA-lijst te plaatsen ontbreekt spoedeisend belang. De BOVA-lijst is een interne lijst, die op zichzelf geen belemmering vormt voor het openen van een bankrekening bij een andere bank. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de vermelding op de BOVA-lijst [de rekeninghouder] (nu) in de weg zit: hij hoeft geen andere bankrekening te openen want die heeft hij al.
3.21.
Aldus komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Overigens heeft ASN in ruime mate toegelicht ten aanzien van welke vragen [de rekeninghouder] niet heeft voldaan aan de voor het klantonderzoek benodigde medewerking. [de rekeninghouder] is daar ook in hoger beroep niet (voldoende) op ingegaan, zodat niet aannemelijk is dat ASN niet voldoende reden had voor de beëindiging of deze anderszins naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De conclusie
3.22.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [de rekeninghouder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de rekeninghouder] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. ASN heeft gevraagd [de rekeninghouder] in de werkelijke proceskosten te veroordelen, maar heeft die kosten, in het licht van de betwisting door [de rekeninghouder] , niet voldoende onderbouwd. Omdat [de rekeninghouder] door de volharding in zijn schending van de waarheidsplicht ASN nodeloos op kosten heeft gejaagd, zal het hof [de rekeninghouder] wel veroordelen tot betaling van het dubbele van het liquidatietarief. Onder de te betalen proceskosten vallen ook (niet verdubbeld) de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]
3.23.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 november 2025;
4.2.
veroordeelt [de rekeninghouder] tot betaling van de volgende proceskosten van ASN:
€ 827 aan griffierecht;
€ 5.160 aan salaris van de advocaat van ASN (2 procespunten x het toepasselijke tarief II, verdubbeld);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, L.J. de Kerpel-van de Poel en G.R. den Dekker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

2.Zie voor de beëindiging van een kredietovereenkomst: HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929.
3.Vergelijk HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652, r.o. 3.2.
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.