ECLI:NL:GHARL:2026:1006

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/74
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BPMArt. 6a Uitvoeringsregeling BPMHR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens CO2-uitstoot en waardevermindering auto

Belanghebbende kocht een gebruikte Audi A3 Sportback met een ABT-tuning en diende BPM-aangifte in op basis van een CO2-uitstoot van 189 gram per kilometer, ondersteund door een certificaat van overeenstemming. De Inspecteur stelde echter een hogere CO2-uitstoot van 286 gram per kilometer vast, gebaseerd op de Scandinavische methode en de RDW-registratie, en legde een naheffingsaanslag op.

De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof oordeelde dat de bewijslast voor een lagere CO2-uitstoot bij belanghebbende ligt en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto ten tijde van invoer niet was uitgerust met de ABT-tuning. Ook de betwiste waardevermindering wegens schade werd niet voldoende onderbouwd.

Het Hof bevestigde dat de hogere CO2-uitstoot een waardeverhogend effect heeft op de handelsinkoopwaarde en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Wel werd belanghebbende een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, en werden proceskosten van €233,50 aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM bevestigd, met een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/74
uitspraakdatum: 17 februari 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 december 2023, nummer ARN 22/4348 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur) en
de
Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 4.438.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 10 mei 2021 in Zwitserland een personenauto van het merk Audi (A3 Sportback 2.5 TFSI RS 3
;hierna: de auto) gekocht voor een prijs van CHF 21.000 (incl. btw). De datum van eerste toelating van de auto is 24 juni 2016. Op de factuur is vermeld dat sprake is van een ‘Unfall-Fahrzeug’.
2.2.
De auto is op 18 mei 2021 door de RDW gekeurd. De RDW is ervan uitgegaan dat de CO2-uitstoot van de auto 286 gram per kilometer bedraagt. De auto had van 18 mei 2021 tot 23 juli 2021 een WOK-status.
2.3.
Belanghebbende heeft op 6 juni 2021 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 1.348, waarbij is uitgegaan van een historische bruto BPM van € 68.099 (2016) gebaseerd op een CO2-uitstoot van 289 gram per kilometer. De kilometerstand beliep 124.146. De gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam3] van [handelsnaam] op 2 juni 2021 opgesteld taxatierapport. In dat taxatierapport is vermeld dat de auto een Pro line Plus uitvoering betreft, het vermogen 270 KW/367 PK is, en de CO2-uitstoot van de auto 289 gram per kilometer bedraagt. Voorts is de taxateur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto van € 25.957 op basis van een ‘referentievoertuigenonderzoek’ en van een schade van € 33.742 waarvan € 72% (= € 24.294) als waardevermindering in aanmerking is genomen zodat de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat volgens de taxateur € 1.663 bedraagt. In het verslag is vermeld dat de historische nieuwprijs € 83.728 beloopt. Voorts behelst het taxatierapport de volgende passage:
‘(…)
LET OP I!
Betreffende auto is ingevoerd met een vermogen van 317 KW, afkomstig van een ABT Tuning die er
momenteel niet meer op zit. Tijdens de RDW-keuring is een CVO aangeleverd die aantoont dat de
CO2 Uitstoot 189 is bij een origineel vermogen van 270 KW. De RDW heeft deze niet goedgekeurd
door het verschil in KW.
De RDW heeft besloten de CO2 uitstoot op zijn hoogst te noteren. Dit is uiteraard onterecht
voornamelijk omdat de ABT Tuning er niet meer in zit, begrijpelijk is aan de andere kant dat dit niet
aangetoond kon worden tijdens de keuring en de RDW geen andere keus had.
Hierdoor is uiteraard uitgegaan tijdens het uitvoeren van deze taxatie van dezelfde uitstoot als
genoteerd is bij de RDW. Echter is de enorm hoge BPM daarvan afkomstig. De realistische CO2
uitstoot is niet zo hoog als op papier. Helaas is er geen andere keus en uiteraard moet de genoteerde
CO2 uitstoot overgenomen worden bij dit taxatie rapport en dat is ook gebeurd. Dit bericht is
bijgevoegd ter ondersteuning.
(…)’.
2.4.
Belanghebbende heeft de auto op 10 juni 2021 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 15 juni 2021 een rapport opgesteld. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat bedraagt volgens DRZ op basis van een koerslijst van Autotelex € 27.682. DRZ heeft verder een schade vastgesteld van € 27.920 en daarvan 72%, is € 20.102, als waardevermindering in aanmerking genomen, zodat de handelsinkoopwaarde van de auto volgens DRZ € 7.580 bedraagt. De historische nieuwprijs van de auto bedraagt volgens DRZ € 87.272.
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 10 juni 2021 plaatsgevonden.
2.6.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de auto een te laag bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan. Volgens de Inspecteur bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM een bedrag van € 5.786. Om die reden heeft de Inspecteur een bedrag van € 4.438 (€ 5.786 -/- € 1.348) van belanghebbende nageheven. Bij deze naheffing is de Inspecteur uitgegaan van een bruto BPM van € 66.665 op basis van een CO2-uitstoot van 286 gram per kilometer, een historische nieuwprijs van € 87.272 en een handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) van € 7.580. Wat betreft de historische nieuwprijs heeft de Inspecteur een bruto-BPM gehanteerd van € 20.299, gebaseerd op 189 gram per kilometer.
2.7.
Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar en beroep tegen de naheffingsaanslag aangetekend.
2.8.
Belanghebbende heeft op 27 december 2023 hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij met betrekking tot de auto een certificaat van overeenstemming overgelegd waarin een CO2-uitstoot is vermeld van 189 gram per kilometer.
2.9.
In hoger beroep heeft belanghebbende een aangepaste koerslijst van XRAY overgelegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) van € 23.632 vermeld, een historische nieuwprijs van € 128.630 en een bruto BPM van € 66.665, gebaseerd op een CO2-uitstoot van 286 gram per kilometer.

3.Geschil

In hoger beroep is in primair in geschil of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd en (meer) subsidiair of de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende heeft verder aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting heeft belanghebbende zijn grief inzake – kort gezegd – een waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
4. Beoordeling van het geschil
CO2-uitstoot; bruto BPM als maatstaf van heffing
4.1.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de Inspecteur voor de naheffing van BPM niet had mogen uitgaan van een op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot van 286 gram per kilometer, omdat uit het certificaat van overeenstemming blijkt dat de CO2-uitstoot van de auto 189 gram per kilometer bedraagt. De Inspecteur heeft dit betoog gemotiveerd weersproken.
4.2.
De heffing van BPM is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) verschuldigde bedrag aan BPM hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze auto uitstoot.
4.3.
Niet in geschil is dat in het Nederlandse kentekenregister is vermeld dat de auto 286 gram per kilometer uitstoot en dat dit is berekend volgens de Scandinavische methode.
4.4.
Op grond van artikel 9, lid 11 en 12, Wet BPM (tekst 2021) wordt de CO2-uitstoot bepaald op basis van de WLTP- of NEDC-methode
.Dat is hier niet gebeurd.
4.5.
Hoewel als uitgangspunt geldt dat de CO2-uitstoot van een auto blijkt uit de registratie in het kentekenregister biedt art. 6a van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021) – in weerwil van zijn letterlijke tekst – belanghebbende vier – via een vaste rangorde te volgen – methoden om aan te tonen dat de CO2-uitstoot van de auto minder bedraagt dan 286 gram per kilometer (vgl. conclusie A-G Ettema van 30 mei 2025, PHR:2025:626, onderdeel 5.21). Die methoden zijn – kort gezegd – (a) de typegoedkeuring dan wel het certificaat van overeenstemming, (b) een individuele goedkeuring door de RDW, (c) een testrapport van een individuele keuring en (d) een goedkeuring overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa en de Verenigde Naties dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.
4.6.
Belanghebbende heeft met betrekking tot de auto het op 9 juni 2016 gedagtekende certificaat van overeenstemming (übereinstimmungsbescheinigung) overgelegd. Daarop is een CO2-uitstoot vermeld van (‘Kombiniert) 189 gram per kilometer. Op dat moment was de auto niet voorzien van een ABT-tuning. Deze is nadien aan de auto toegevoegd.
4.7.
Belanghebbende stelt dat de auto ten tijde van de taxatie (en de aangifte en de tenaamstelling) niet langer was uitgerust met een ABT-tuning zodat daarmee ten onrechte door de RDW en de Inspecteur rekening is gehouden bij het bepalen van de CO2-uitstoot. Conform het certificaat van overeenstemming dient bij het bepalen van de verschuldigde BPM te worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 189 gram per kilometer. Voor het bewijs van het ontbreken van de ABT-tuning verwijst belanghebbende naar het door hem ingebrachte taxatierapport (zie 2.3). De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de auto ten tijde van de aangifte (en tenaamstelling in het kentekenregister) niet langer beschikte over de ABT-tuning.
4.8.
De bewijslast dat de CO2-uitstoot van de auto minder beloopt dan 286 gram per kilometer, zoals vermeld in het kentekenregister, rust op belanghebbende. In die bewijslast is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. Vaststaat dat de auto nadat het certificaat van overeenstemming in 2016 was uitgegeven is voorzien van ABT-tuning dat tot een groter vermogen van de auto heeft geleid dan het oorspronkelijke vermogen en dat de auto ten tijde van de invoer van de auto in Nederland nog steeds over deze ABT-tuning beschikte. Hoewel bij de RDW is aangevoerd dat de auto niet langer beschikte over een ABT-tuning en de CO2-uitstoot moest worden bepaald op 186 gram per kilometer – conform het certificaat van overeenstemming – is de RDW, die de auto heeft gezien, daarin niet meegegaan. In dat licht bezien acht het Hof de enkele opmerking van de taxateur dat de ABT-tuning ‘er niet meer in zit’ zonder nader bewijs – dat echter ontbreekt – niet voldoende voor de conclusie dat hier ter bepaling van de door belanghebbende verschuldigde BPM, in afwijking van de registratie in het kentekenregister, van een CO2-uitstoot van 186 gram per kilometer dient te worden uitgegaan.
Vermindering:
schade
4.9.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Hij moet tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur aannemelijk maken dat sprake is van meer schade dan het bedrag van € 27.920 dat door de Inspecteur in aanmerking is genomen. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.10.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in deze bewijslast geslaagd. Het door hem ingebrachte taxatierapport met fotomateriaal, acht het Hof – tegenover het door de Inspecteur overgelegde rapport van DRZ met fotomateriaal – daarvoor niet toereikend. Over het gestelde door belanghebbende is bij het Hof twijfel blijven bestaan en dat werkt, zoals gezegd, in zijn nadeel.
4.11.
Opmerking verdient nog dat tussen partijen niet in geschil is dat van de schade 72% ervan als waardevermindering in aanmerking moet worden genomen.
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
4.12.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4). Dat is hier op basis van 286 gram per kilometer een bedrag van € 66.665 (en niet € 20.299 op basis van 189 gram per kilometer waarvan de Inspecteur is uitgegaan), zodat de historische nieuwprijs (in zoverre) € 133.634 bedraagt. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot
4.13.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in het geval, zoals hier ten opzichte van de bij de naheffing gebruikte koerslijst een hogere historische nieuwprijs in aanmerking moet worden genomen als gevolg van een hogere CO2-uitstoot, ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld.
4.14.
Als uitgangspunt heeft naar het oordeel van het Hof te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde in gebruikte staat zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering (Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876).
4.15.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen (HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3). Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken (Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876). Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.16.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. Anders dan belanghebbende betoogt, acht het Hof het niet aannemelijk dat de hogere CO2-uitstoot (286 gram per kilometer in plaats van 189 gram per kilometer) een gevolg is van de gehanteerde meetmethodiek (Scandinavische methode) maar – gelijk de Inspecteur ter zitting heeft gesteld - zijn oorzaak vindt in de ABT-tuning waarmee de auto op een later tijdstip dan de eerste toelating ervan is uitgerust. Een dergelijke aanpassing heeft, naar het Hof aannemelijk acht, een waardeverhogend effect op de handelsinkoopwaarde.
Nieuwe koerslijst in hoger beroep
4.17.
In het in hoger beroep overgelegde nadere stuk heeft belanghebbende een nieuwe koerslijst van XRAY ingebracht. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeld van € 23.632 en een historische nieuwprijs van € 128.630. Hierbij is hij ervan uitgegaan dat de auto geen “Pro Line +” is. Verder is volgens belanghebbende, gelet op een verklaring van een medewerker van XRAY, uitgegaan van een CO2-uitstoot van 286 gram per kilometer.
4.18.
In aanmerking genomen dat de taxateur van belanghebbende heeft vermeld dat het wat betreft de auto gaat om een “Pro Line +”, acht het Hof belanghebbende reeds hierom er niet in geslaagd de nader door hem (meer subsidair) bepleite vermindering aannemelijk te maken. In het licht van het uitgangspunt van zijn eigen deskundige, acht het hof het onvoldoende aannemelijk geworden dat de auto geen ‘Pro Line +’ is, zodat het in de nieuwe koerslijst gehanteerde referentievoertuig hier niet bruikbaar is ter bepaling van de afschrijving.
Verschuldigde BPM
4.19.
Een en ander betekent dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Vergoeding immateriële schade
4.20.
Belanghebbende heeft in deze zaak verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.21.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Wel heeft hij recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht.
5.2.
In verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, ziet het Hof aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep. Het Hof stelt deze vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 x 0,25 x € 934).

6.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
  • veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500, en
  • veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende, vastgesteld op € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.