ECLI:NL:GHARL:2025:8562

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.349.633
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontslag van instantie in hoger beroep na faillietverklaring van Meneer Kozijn B.V.

In deze zaak heeft Meneer Kozijn B.V. hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, dat op 29 mei 2024 is uitgesproken. Tijdens de procedure in hoger beroep is Meneer Kozijn failliet verklaard, waarna de curator heeft aangegeven het geding niet te willen overnemen. [geIntimeerde] heeft vervolgens een vordering tot ontslag van instantie ingediend, omdat de faillietverklaring gevolgen heeft voor de voortgang van de procedure. Het hof heeft de incidentele vordering tot ontslag van instantie afgewezen, omdat de vorderingen in conventie en reconventie zodanig verweven zijn dat een toewijzing van de vordering in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Het hof heeft bepaald dat de hoofdzaak opnieuw op de rol komt voor beraad partijen, waarbij iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De beslissing van het hof is op 23 december 2025 openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.349.633
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 10731012
arrest in het incident van 23 december 2025
in de zaak van
Meneer Kozijn B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: Meneer Kozijn
advocaat: mr. H.L. van der Aa
tegen
[geIntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie en gedaagde in reconventie
hierna: [geIntimeerde]
advocaat: mr. T. Steenbeek

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Meneer Kozijn heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 29 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord.
1.2.
Na de dagbepaling voor de mondelinge behandeling na memorie van antwoord, heeft [geIntimeerde] het hof bericht dat Meneer Kozijn failliet is verklaard. Daarbij heeft [geIntimeerde] het hof verzocht de procedure te schorsen om de curator op te roepen om zich uit te laten over het overnemen van het geding als bedoeld in artikel 27 Faillissementswet (Fw). Aansluitend heeft [geIntimeerde] de curator opgeroepen in het geding. De curator heeft laten weten dat hij de procedure niet zal overnemen en hij is niet in de procedure verschenen. Vervolgens heeft [geIntimeerde] een akte vordering ontslag van instantie genomen en heeft het hof arrest bepaald.
2. De beslissing van de kantonrechter en het geschil in het incident in hoger beroep
2.1.
[geIntimeerde] is een overeenkomst aangegaan met Meneer Kozijn op grond waarvan Meneer Kozijn, onder andere, raamkozijnen en deuren zou plaatsen in de woning van [geIntimeerde] . Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden door Meneer Kozijn. Dit geschil heeft ertoe geleid dat [geIntimeerde] de overeenkomst met Meneer Kozijn heeft ontbonden en een procedure is gestart.
2.2.
[geIntimeerde] heeft bij de kantonrechter (in conventie) - kort gezegd - primair gevorderd terugbetaling van het reeds betaalde gedeelte van de aanneemsom en vergoeding van de schade die hij heeft geleden door het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst door Meneer Kozijn. Subsidiair heeft [geIntimeerde] vervangende schadevergoeding gevorderd. Daarnaast heeft [geIntimeerde] vergoeding van de door hem gemaakte deskundigenkosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd vermeerderd met wettelijke rente.
2.3.
Meneer Kozijn heeft bij de kantonrechter aangevoerd dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden en heeft (in reconventie) primair betaling van het restant van de aanneemsom gevorderd. Subsidiair - voor het geval de overeenkomst wel rechtsgeldig is ontbonden - heeft Meneer Kozijn vergoeding van de waarde van de door haar geleverde prestaties gevorderd.
2.4.
De kantonrechter heeft in het vonnis de primaire vordering in conventie (grotendeels) toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. Meneer Kozijn is zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten.
2.5.
Door de uitwinning van door [geIntimeerde] gelegde beslagen heeft Meneer Kozijn voldaan aan de in het vonnis aan haar opgelegde betalingsverplichtingen.
2.6.
Meneer Kozijn is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis. Zij heeft in hoger beroep gevorderd dat het bestreden vonnis wordt vernietigd, dat de vorderingen in conventie alsnog worden afgewezen met de veroordeling van [geIntimeerde] tot terugbetaling van wat Meneer Kozijn ter voldoening aan het vonnis heeft betaald en dat de vordering in reconventie alsnog wordt toegewezen met veroordeling van [geIntimeerde] in de kosten van beide instanties. Daarnaast heeft Meneer Kozijn haar eis in reconventie vermeerderd met een vordering tot het terug leveren van de geleverde kozijnen door [geIntimeerde] onder verbeurte van een dwangsom. [geIntimeerde] wil dat ontslag van instantie wordt verleend in conventie en in reconventie, omdat Meneer Kozijn intussen failliet is verklaard en de curator heeft aangegeven het geding niet te zullen overnemen.
2.7.
Het hof zal het door [geIntimeerde] gevorderde ontslag van instantie afwijzen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.

3.Het oordeel van het hof

Gevolgen van het faillissement voor het vervolg van het hoger beroep
3.1.
De gevolgen die het faillissement van een procespartij heeft voor het vervolg van een al lopende procedure zijn geregeld in de artikelen 27 tot en met 29 Fw. Bij het toepassen van deze artikelen geldt de regel ‘eens eiser blijft eiser’. Dit betekent dat de hoedanigheid van partijen in de procedure in eerste aanleg ook in hoger beroep bepalend is bij het toepassen van de hiervoor genoemde artikelen. Daarbij geeft artikel 27 Fw een regeling voor rechtsvorderingen over tot de boedel behorende rechten en verplichtingen die de schuldenaar heeft ingesteld vóór zijn faillietverklaring en die tijdens de faillietverklaring aanhangig zijn. Artikel 28 Fw geeft een regeling voor rechtsvorderingen die de wederpartij heeft ingesteld tegen de schuldenaar vóór de faillietverklaring van de schuldenaar en die tijdens de faillietverklaring aanhangig zijn en die geen vordering zijn tot nakoming van een verbintenis uit de boedel. Tot slot geeft artikel 29 Fw een regeling voor rechtsvorderingen die de wederpartij heeft ingesteld tegen de schuldenaar vóór de faillietverklaring van de schuldenaar en die tijdens de faillietverklaring aanhangig zijn en betrekking hebben op de voldoening van een verbintenis uit de boedel. Procedures ten aanzien van rechtsvorderingen als bedoeld in de artikelen 27 Fw en artikel 28 Fw kunnen op verzoek van de wederpartij worden geschorst om de curator op te roepen de procedure van de schuldenaar over te nemen. Procedures ten aanzien van rechtsvorderingen als bedoeld in artikel 29 Fw zijn van rechtswege geschorst op het moment van de faillietverklaring van de schuldenaar en worden alleen voortgezet als - en voor zover - een vordering is betwist. [1]
De vorderingen in conventie
3.2.
De procedure in conventie heeft in beginsel betrekking op vorderingen als bedoeld in artikel 29 Fw. Echter, de kantonrechter heeft deze vorderingen van [geIntimeerde] grotendeels toegewezen en [geIntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld voor het deel van zijn vorderingen dat de kantonrechter niet heeft toegewezen. Na het vonnis en voorafgaand aan haar faillietverklaring heeft Meneer Kozijn voldaan aan de in het vonnis aan haar opgelegde betalingsverplichtingen. Dit alles brengt mee dat de ten tijde van de faillietverklaring aanhangige vorderingen in conventie nooit kunnen leiden tot verhaal op de boedel. Hieruit volgt dat deze vorderingen niet vallen onder de reikwijdte van artikel 29 Fw maar onder die van artikel 28 Fw. [2]
De vorderingen in reconventie
3.3.
In de procedure in reconventie gaat het om de vordering tot betaling van de resterende aanneemsom dan wel vergoeding van de waarde van de geleverde prestaties en -op grond van de eiswijziging in hoger beroep – het terug leveren van geleverde kozijnen onder verbeurte van een dwangsom. Deze vorderingen worden beheerst door artikel 27 Fw.
Het verzoek tot ontslag van instantie
3.4.
[geIntimeerde] heeft op grond van artikel 27 Fw schorsing van de procedure gevraagd om de curator op te roepen de procedure over te nemen. De curator heeft te kennen gegeven de procedure niet te willen overnemen en is niet verschenen op de oproeping. Dit betekent dat [geIntimeerde] op grond van artikel 27 lid 2 Fw de bevoegdheid heeft om ten aanzien van de procedure in hoger beroep voor zover het de reconventie betreft ontslag van instantie te vragen. De vordering tot het verlenen van ontslag van instantie wordt echter niet in alle gevallen toegewezen door de rechter. Voor afwijzing zal in ieder geval reden zijn als toewijzing van de vordering in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde. [3] Hiervan zal, onder meer, sprake zijn indien de vorderingen in conventie en in reconventie zodanig zijn verweven, dat de band tussen beide vorderingen niet zonder noodzaak dient te worden verbroken. [4]
3.5.
Voor procedures met betrekking tot vorderingen die vallen onder het bereik van artikel 28 Fw is een vordering tot ontslag van instantie niet mogelijk. [5] Dit betekent ten aanzien van de procedure in hoger beroep wat betreft de conventie dat de vordering tot ontslag van instantie van [geIntimeerde] niet voor toewijzing in aanmerking komt. Hieruit volgt dat wat betreft de vorderingen in conventie moet worden doorgeprocedeerd. Dit heeft ook gevolgen voor de vordering tot ontslag van instantie voor de procedure wat betreft de reconventie.
3.6.
In dit geval zijn de vorderingen in conventie en reconventie zodanig verweven dat de band tussen beide vorderingen niet zonder noodzaak dient te worden verbroken. Aan de vorderingen in conventie ligt ten grondslag dat Meneer Kozijn is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, terwijl zowel aan het verweer in conventie als aan de vorderingen in reconventie ten grondslag ligt dat de tekortkoming geen ontbinding rechtvaardigt dan wel Meneer Kozijn na ontbinding vanwege de verrichte prestaties aanspraken tot ongedaanmaking heeft ten opzichte van [geIntimeerde] . Het belang van [geIntimeerde] om niet het risico te lopen dat hij zijn proceskosten in hoger beroep niet kan verhalen weegt daar niet tegenop. Dit alles brengt voor de procedure in reconventie mee dat een toewijzing van de vordering tot ontslag van instantie onder deze omstandigheden in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
Voortgang
3.7.
Het hof zal de incidentele vordering tot ontslag van instantie afwijzen.
3.8.
In de hoofdzaak heeft het hof ambtshalve een mondelinge behandeling na memorie van antwoord bepaald voor 4 februari 2026. Gezien het faillissement van Meneer Kozijn komt het hof terug van deze beslissing. De hoofdzaak zal nogmaals op de rol komen voor beraad partijen zodat zij zich kunnen uitlaten over het gewenste vervolg van de procedure conform artikel 2.25 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [geIntimeerde] tot betaling van de proceskosten van het incident aan de zijde van Meneer Kozijn begroot op nihil;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
verwijst de zaak naar de roldatum van 6 januari 2026 voor beraad partijen;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, C.M.E. Lagarde en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

1.HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100
2.HR 28 oktober 1926, ECLI:NL:HR:1926:122 en Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2020, ECL:NL:GHARL:2020:3738
3.HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5197
4.HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4929
5.HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1917