ECLI:NL:GHARL:2025:8435

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/1233
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland over een naheffingsaanslag Bpm. De Inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.724, welke na bezwaar werd verminderd tot € 1.679. Belanghebbende betwist de hoogte van de naheffingsaanslag en stelt dat de handelsinkoopwaarde van de auto, een Volvo XC60, te laag is vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende in hoger beroep ging. Tijdens de zitting werd de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 62.365. Het Hof oordeelde dat zowel de door belanghebbende als de Inspecteur voorgestelde handelsinkoopwaarden niet bruikbaar waren voor het bepalen van de afschrijving. Uiteindelijk stelde het Hof de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op € 22.500. Het Hof concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en het hoger beroep ongegrond verklaarde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1233
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 april 2023, nummer ARN 22/315, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. P.A.J.M. Lodestijn, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , taxateur, en [naam2] als toehoorder. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam3] en mr. [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Op 27 oktober 2020 heeft belanghebbende aangifte Bpm gedaan naar een bedrag van € 2.120 voor een Volvo XC60 2.0 D4 Momentum AWD (hierna: de auto) met een CO2-uitstoot van 139 gram per kilometer. De datum van eerste toelating van de auto is 27 april 2018.
2.2.
In onderdeel 8c van het aangifteformulier heeft belanghebbende bij de keuze voor de verminderingsmethode "taxatierapport" aangekruist. Het aangifteformulier bevat als bijlage een taxatierapport van [naam5] van [bedrijf1] B.V. van 22 oktober 2020 (hierna: het taxatierapport). Het taxatierapport vermeldt onder meer:
  • een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.305 gebaseerd op een koerslijst van XRAY van een referentievoertuig Volvo XC60 2.0 D4 FWD Polar + met een CO2-uitstoot van 117 gram per kilometer (hierna: de referentieauto);
  • een waardevermindering wegens reparatiekosten van € 5.630, bestaande uit een bedrag van € 6.030,42 aan (gecorrigeerde) reparatiekosten verminderd met een bedrag van € 400 voor gebruikssporen conform XRAY matrix;
  • een correctie van € 2.500 wegens ‘geen oordeel kilometerstand’ door Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW);
  • handelsinkoopwaarde na correcties van € 9.175.
2.3.
Volgens de bij de aangifte gevoegde inkoopfactuur heeft belanghebbende de auto op 18 september 2020 met een kilometerstand van 97.753 gekocht van [bedrijf2] nv/sa in België voor € 23.150 (€ 22.800 + € 350 handling fee).
2.4.
De auto is op 15 oktober 2020 bij de RDW gekeurd.
2.5.
Belanghebbende heeft de auto op 29 oktober 2020 getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft op 2 november 2020 op basis van haar bevindingen een rapport opgemaakt. Volgens DRZ is de historische nieuwprijs van de auto € 57.385, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 17.305 en bedraagt de meer dan normale gebruiksschade aan de auto € 1.863, waarvan 72% in mindering wordt gebracht op de handelsinkoopwaarde. DRZ heeft aldus de handelsinkoopwaarde van het voertuig in het rapport vastgesteld op € 15.964.
2.6.
Na de tenaamstelling van de auto op 10 februari 2021 heeft belanghebbende voor de auto uiteindelijk een bedrag van € 2.007 aan Bpm aangegeven en betaald.
2.7.
Met dagtekening 18 juni 2021 heeft de Inspecteur op grond van de bevindingen van DRZ aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 1.724. Daarbij heeft de Inspecteur gelet op de tenaamstelling van het kenteken op 10 februari 2021 rekening gehouden met een extra leeftijdskorting.
2.8.
De Inspecteur heeft het daartegen gerichte bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, en de naheffingsaanslag – uitgaande van een hogere historische nieuwprijs van € 57.918 en een meer dan normale gebruiksschade aan de auto van € 1.929, waarvan 72% in mindering wordt gebracht op de handelsinkoopwaarde, – verminderd tot € 1.679.
2.9.
De Rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10, tweede lid, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna Wet Bpm):
i) de handelsinkoopwaarde van de auto kan worden gebaseerd op de koerslijst van de Volvo XC60 2.0 D4 FWD POLAR+;
ii) de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden verminderd volgens de in het taxatierapport opgenomen correcties ‘conform bijlage schadecalculatie’ en vanwege de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar niet te hoog is. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat kan volgens de Inspecteur niet op de door belanghebbende bepleite koerslijst worden gebaseerd, omdat de auto een fourwheeldrive (AWD) is en daarmee te veel afwijkt van de referentieauto, zijnde een frontwheeldrive (FWD). Hij voert voorts aan dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen ter onderbouwing van de door haar verdedigde handelsinkoopwaarde van de auto. Volgens hem heeft belanghebbende niet meer schade aannemelijk gemaakt dan de schade die de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar reeds in aanmerking heeft genomen en is evenmin aannemelijk gemaakt dat van herstelkosten van die schade meer dan 72% in mindering komt op de handelsinkoopwaarde. Van het feit dat de auto op winterbanden staat en dat de RDW ‘geen oordeel kilometerstand’ heeft gegeven gaat volgens de Inspecteur geen waardevermindering uit.
3.4.
Ter zitting hebben partijen verklaard dat niet langer in geschil is dat de historische nieuwprijs (catalogusprijs plus historische Bpm) van de auto moet worden gebaseerd op het bedrag aan Bpm dat voor de auto is verschuldigd, en niet aan de hand van de Bpm die voor de referentieauto is verschuldigd en dat de historische nieuwprijs van de auto daarom moet worden bepaald op € 62.365.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Hieronder bespreekt het Hof de aangevoerde geschilpunten. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft, zodat partijen terecht ervan uitgaan dat het bedrag aan Bpm mag worden berekend met inachtneming van een afschrijving die wordt bepaald aan de hand van een taxatierapport. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de omvang van die afschrijving rusten op de belastingplichtige. [1]
4.2.
De taxateur van belanghebbende heeft voor het berekenen van de afschrijving een handelsinkoopwaarde voor de auto bepaald in twee stappen. Ten eerste heeft hij de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bepaald. Ten tweede heeft hij een bedrag aan correcties bepaald dat op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat in mindering moet komen.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.3.
Het Hof is van oordeel dat de door belanghebbende verdedigde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto niet bruikbaar is voor het bepalen van de afschrijving. Daartoe overweegt het Hof dat belanghebbende zich daarbij baseert op een X-Ray koerslijst van een referentieauto die, anders dan de auto, een frontwheeldrive is en een substantieel lagere CO2-uitstoot kent. Daarmee wijkt het referentievoertuig te veel af van de auto, terwijl belanghebbende niet inzichtelijk heeft gemaakt welke waardeverminderingen en/of waardevermeerderingen in aanmerking moeten worden genomen wanneer de auto wordt vergeleken met de referentieauto.
4.4.
Dat betekent dat, nu de door belanghebbende toegepaste koerslijst niet bruikbaar is, het aan de Inspecteur is bewijs te leveren van de door hem voorgestane handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. Voor deze situatie heeft de Inspecteur gesteld dat de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat moet worden gesteld op primair het bedrag dat belanghebbende voor de auto heeft betaald, namelijk € 23.150, subsidiair een bedrag van € 23.404 conform de koerslijst van AutotelexPro (marge) en meer subsidiair dat het Hof deze waarde in goede justitie moet vaststellen.
4.5.
Het Hof oordeelt dat ook de door de Inspecteur verdedigde handelsinkoopwaarden niet bruikbaar zijn voor het bepalen van de afschrijving. De eigen aankoopprijs is niet bruikbaar, reeds omdat deze prijs niet is gerealiseerd op de Nederlandse markt. Met de enkele verwijzing naar de koerslijst van AutotelexPro (marge) heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om de handelsinkoopwaarde van het motorvoertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken (zoals merk en model, type aandrijving, uitrusting, leeftijd en kilometrage, en de staat van onderhoud) het dichtst aanleunen bij die van de auto. [2]
4.6.
Nu zowel de door belanghebbende verdedigde als de door de Inspecteur verdedigde handelsinkoopwaarden van de auto niet bruikbaar zijn voor het bepalen van de afschrijving ervan, stelt het Hof de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat in goede justitie vast op € 22.500. [3]
Correcties op de handelsinkoopwaarde
4.7.
Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat de correcties uit het taxatierapport moeten worden gevolgd. Het betreft een waardevermindering vanwege het ‘oordeel geen kilometerstand en vanwege reparatiekosten.
Kan het taxatierapport als bewijs dienen?
4.8.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het taxatierapport niet als bewijs kan dienen. De Inspecteur zet vraagtekens bij de betrouwbaarheid van het taxatierapport, onder andere omdat tijdstippen niet overeenkomen en stelt dat dit een formeel gebrek is waardoor de taxatierapporten niet kunnen dienen als bewijs voor enige waardevermindering. Ook uit de Inspecteur twijfel over de hoeveelheid werkzaamheden die in een half uur zijn verricht.
4.9.
In het taxatierapport is als inspectiedatum 22 oktober 2020 en als inspectiemoment 20:01 tot 20:31 uur opgenomen. Uit de fotorapportage volgt dat de foto’s zijn genomen bij daglicht en op één foto is het tijdstip 13:06 uur te zien. Het Hof heeft gelet op het tijdsverloop en de verklaring van de taxateur ter zitting geen aanknopingspunten aan te nemen dat het maken van de foto’s en het opmaken van het taxatierapport niet op dezelfde dag hebben plaatsgevonden. Er bestaat daarom geen aanleiding een zo ver strekkende consequentie te verbinden aan het niet op de bedoelde wijze vermelden van tijdstippen als de Inspecteur voorstaat. Ook de hoeveelheid werkzaamheden die de taxateur in een half uur heeft verricht, is voor het Hof geen reden het taxatierapport ter zijde te schuiven.
Waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’?
4.10.
Belanghebbende heeft gesteld dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand en dat dit de auto blijvend volgt, reden is om de waarde van de auto te verminderen met € 2.500. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
4.11.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand in beginsel een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, op belanghebbende (vgl. bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22).
4.12.
Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat er geen aanwijzingen zijn voor een onjuiste of onbetrouwbare kilometerstand van de auto. Gelet daarop is belanghebbende er niet in geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.
Waardevermindering in verband met reparatiekosten?
4.13.
Belanghebbende stelt dat rekening moet worden gehouden met een hoger bedrag aan reparatiekosten, namelijk € 6.030,42, dan waarmee de Inspecteur rekening heeft gehouden. Daarnaast stelt belanghebbende in het taxatierapport met een beroep op de Autotelex matrix dat met het verdwijnen van normale gebruikssporen voldoende rekening is gehouden door € 400 van de totale begrote reparatiekosten niet als waardevermindering aan te merken. De Inspecteur stelt dat de schade niet hoger is dan waarmee in de bezwaarfase rekening is gehouden en dat niet meer dan 72% van de herstelkosten als waardevermindering geldt.
4.14.
Het Hof stelt voorop dat de 72%-regel is ontleend aan onderdeel 3.5 van bijlage I bij artikel 8, vierde lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling Bpm. Dit onderdeel bevat een bewijsvermoeden, inhoudende dat de waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm dan dient dit volgens genoemd onderdeel 3.5 gemotiveerd te worden aangegeven, gestaafd met een deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.
4.15.
Een raming van herstelkosten geeft niet zonder meer de waardevermindering als gevolg van schade weer, reeds omdat in het kader van het herstellen van schade aan (onder)delen van een personenauto onvermijdelijk ook de normale sporen van gebruik – die reeds in de volgens de koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig worden verdisconteerd – verdwijnen. In de 72%-regel komt dit tot uitdrukking. De 72%-regel is niet strijdig met artikel 110 VWEU, omdat hiervan kan worden afgeweken wanneer die waardevermindering hoger is (vgl. HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822, r.o. 2.4.1 tot en met 2.4.3).
4.16.
Belanghebbende heeft met een beroep op de Autotelex matrix in het taxatierapport en met hetgeen zij overigens heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat voor de onderhavige auto een hoger waardeverminderingspercentage dan 72% in aanmerking moet worden genomen. Voor de vraag of er aanleiding is om meer dan 72% van de berekende reparatiekosten in aanmerking te nemen, moet worden gekeken naar diverse feiten en omstandigheden ten aanzien van de auto in kwestie. Een dergelijke beoordeling vergt dus een op de auto toegesneden beoordeling. Het Hof verwerpt daarom de door belanghebbende gehanteerde algemene benadering in de vorm van een algemene tabel. Voorts acht het Hof, gezien de leeftijd van de auto (2,5 jaar) en het aantal gereden kilometers van 97.837, niet aannemelijk dat het waardeverminderende effect van de gecalculeerde herstelkosten meer bedraagt dan de in aanmerking genomen 72%.
4.17.
De beoordeling of de door belanghebbende gestelde herstelkosten van € 6.030 verband houden met meer dan normale gebruiksschade kan in het midden blijven. Zelfs als het Hof zou uitgaan van € 6.030 aan herstelkosten die tot een waardevermindering van 72% daarvan zou leiden, is de naheffingsaanslag van € 1.679 zoals die luidt na uitspraak op bezwaar eerder te laag dan te hoog. Uitgaande van de niet ter discussie staande historische nieuwprijs van € 62.365 en bruto Bpm van € 14.416, een handelsinkoopwaarde van € 22.500, een waardevermindering van 72% van € 6.030 (leidend tot een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 18.158) en een extra leeftijdskorting van € 291, zou de verschuldigde Bpm € 3.905 bedragen. Aangezien belanghebbende op aangifte € 2.007 Bpm heeft betaald, zou een naheffingsaanslag van € 1.898 resteren.
4.18.
Ten overvloede merkt het Hof op dat belanghebbende op basis van de foto’s in het dossier en de toelichting ter zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een surplus aan ‘meer dan normale gebruiksschade’ ten opzichte van waarmee de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar al rekening heeft gehouden. Op de close-up foto’s is wel enige (lak)schade te zien, maar de Inspecteur heeft terecht aangegeven, dat daaruit onvoldoende volgt dat sprake is van (aanvullende) meer dan normale gebruiksschade voor deze auto van 2,5 jaar oud met een kilometerstand van 97.837.
Conclusie en gevolgen
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag Bpm, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.5 en HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.
2.Vgl. HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, ECLI: EU: C:2013:857, punt 23.
3.Vgl. HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, rechtsoverweging 3.2.7.