ECLI:NL:GHARL:2025:8083

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.330.544/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomst en verjaring van vorderingen in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een effectenleaseovereenkomst tussen een afnemer en Dexia Nederland B.V. De afnemer had hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. Het hof heeft in een tussenarrest op 8 juli 2025 geoordeeld dat de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst vergunningsplichtig advies heeft gegeven aan de afnemer. Dexia werd verweten dat zij wist of had moeten weten van deze advisering en dat zij de restschuld en kosten aan de afnemer moest vergoeden.

Dexia voerde aan dat de vordering van de afnemer was verjaard, maar het hof oordeelde dat de afnemer tijdig had gereageerd op het verjaringsverweer en dat de verjaring was gestuit. Het hof concludeerde dat Dexia niet kon volhouden dat de vordering van de afnemer was verjaard, omdat de afnemer tijdig stuitingsbrieven had gestuurd. Het hof oordeelde verder dat Dexia rekening moest houden met de schadevergoeding die aan de afnemer verschuldigd was, zonder dat de door de afnemer genoten fiscale voordelen in mindering konden worden gebracht.

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling van de proceskosten in zowel de eerste aanleg als het hoger beroep. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat Dexia de veroordeling moet naleven, ook als zij de zaak aan de Hoge Raad voorlegt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.330.544
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 10059189
arrest van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
tegen
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof heeft op 8 juli 2025 een tussenarrest gewezen. Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de akte uitlaten van de afnemer
  • de antwoordakte van Dexia.

2.Het oordeel van het hof

Verjaring
2.1.
Tussen partijen is één effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen via een tussenpersoon. Het hof heeft in het tussenarrest geconcludeerd dat, anders dan de kantonrechter oordeelde, de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst vergunningsplichtig advies aan de afnemer heeft gegeven en dat Dexia wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door de tussenpersoon. Dat betekent dat Dexia de (eventuele) restschuld van de afnemer en de door hem betaalde rente, aflossing en kosten aan de afnemer dient te vergoeden. Dexia heeft bij de kantonrechter aangevoerd dat de vordering van de afnemer in dit kader is verjaard. Het hof heeft in het tussenarrest geconstateerd dat de afnemer nog niet op dit verjaringsverweer van Dexia heeft gereageerd. Vervolgens heeft het hof de afnemer in de gelegenheid gesteld om bij akte op dit verweer te reageren. De afnemer heeft van die gelegenheid gebruikt gemaakt en een akte genomen. Daarop heeft Dexia vervolgens bij antwoordakte gereageerd.
2.2.
De kantonrechter heeft het verjaringsverweer van Dexia niet behandeld. Gelet op de devolutieve werking komt het hof toe aan de behandeling van dit verjaringsverweer. Het hof volgt Dexia niet in haar betoog dat de akte van de afnemer over het verjaringsverweer van Dexia buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde en de tweeconclusieregel. Daarbij merkt het hof op dat de afnemer in eerste aanleg vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft verlangd, en dat hij onder dat kopje ook heeft opgemerkt dat Leaseproces namens hem aan Dexia meermalen een brief heeft gestuurd ter stuiting van de verjaring. Dexia heeft in haar conclusie van repliek vervolgens gesteld dat de aanspraak van de afnemer wegens schending van artikel 41 NR 99 verjaard is, en ter onderbouwing van die stelling heeft Dexia daarbij verwezen naar een passage uit een door haar overgelegd memorandum waarin wordt ingegaan op stuitingsbrieven die Leaseproces namens haar cliënten aan Dexia heeft verstuurd. Naar het oordeel van het hof was gelet op het voorgaande wel degelijk deel van het partijdebat het betoog van de afnemer dat hij de verjaring van zijn vordering tijdig heeft gestuit. Dat de afnemer in eerste aanleg geen conclusie van dupliek heeft ingediend en dat ook in de memorie van grieven niet uitdrukkelijk gereageerd is op de stelling van Dexia in de conclusie van repliek, maakt dat niet anders.
Verder is, anders dan Dexia in haar akte van 2 september 2025 (onder 12) vermeldt, in het tussenarrest van 8 juli 2025 niet vastgesteld dat de afnemer niet weersproken heeft dat de vordering op Dexia verjaard is. In het tussenarrest is vastgesteld dat de afnemer niet gereageerd heeft op de stelling in de conclusie van repliek van Dexia dat de vordering van de afnemer is verjaard. Die stelling in de conclusie van repliek (en de uitwerking daarvan in het door Dexia bij repliek overgelegde en aangeduide memorandum) vormde, naar het hof begrijpt, mede een reactie op wat de afnemer daarover in zijn conclusie van antwoord al had opgemerkt. Omdat de stellingen van partijen ten aanzien van verjaring en stuiting beknopt waren – en dat geldt ook voor Dexia, die slechts in haar memorandum, en niet in haar conclusie van repliek, uitdrukkelijk was ingegaan op de kennelijk bedoelde stuitingsbrieven – heeft het hof gelet op (onder meer) hoor en wederhoor en de goede procesorde, het aangewezen geacht dat partijen de gelegenheid krijgen zich nader over dit geschilpunt uit te laten. Het hof ziet ook geen grond of aanleiding om op dat oordeel terug te komen.
2.3.
Het verjaringsverweer van Dexia faalt. Al voor de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst en de ontvangst van de eindafrekening waaruit zijn schade bleek, heeft de afnemer een eerste sommatiebrief gestuurd. Daarin heeft de afnemer zich onder meer beroepen op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en zich het recht voorbehouden nog andere gronden aan te voeren, en heeft de afnemer Dexia gesommeerd om alle door de afnemer onder de effectenleaseovereenkomst betaalde bedragen terug te betalen. Vervolgens heeft de afnemer tijdig de zogenoemde opt-out-verklaring in 2007 aan de daartoe aangewezen notaris gezonden waardoor een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen, en zijn verschillende brieven/sommaties gestuurd (mede namens andere afnemers) waarin de afnemer telkens uitdrukkelijk verklaarde zich alle rechten jegens Dexia voor te behouden. Voor Dexia was het duidelijk, althans had het duidelijk moeten zijn, dat de afnemer met zijn brieven beoogde de verjaring te stuiten van de vordering tot vergoeding van schade die de afnemer als gevolg van de effectenleaseovereenkomst had geleden. In het licht van de WCAM-procedure en de verwijten die in het verzoekschrift van 18 november 2005 waren opgenomen, was het voor Dexia ook voldoende duidelijk welke verwijten haar werden gemaakt ten aanzien van de door haar aangeboden effectenleaseovereenkomst; het schenden van de vergunningplicht door tussenpersonen wordt daarin genoemd. Niet nodig is dat de afnemer nauwkeurig zijn vordering omschrijft met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor. [1] Daarom had het voor Dexia duidelijk moeten zijn welke feiten aanleiding gaven tot het instellen van de vorderingen en op welke juridische grondslagen die vorderingen werden gebaseerd. Gezien deze context heeft de afnemer met zijn brieven de verjaring telkens gestuit. [2] Dexia heeft in het licht van de opvolgende stuitingsbrieven onvoldoende toegelicht dat tussen de verschillende stuitingen meer dan vijf jaar zou zijn verstreken. Van verjaring van de vordering van de afnemer is dan ook geen sprake.
Verrekening van (fiscaal) voordeel en te vergoeden schade
2.4.
Dexia heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende schade rekening moet worden gehouden met de (fiscale) voordelen die de afnemer heeft genoten. Uit het voorgaande volgt dat de vergoedingsplicht van Dexia betrekking heeft op de gehele (eventuele) restschuld en de door de afnemer betaalde rente, aflossing en kosten. Dexia heeft daarbij niet, althans onvoldoende, aangevoerd en ook anderszins is niet gebleken dat de door de afnemer genoten voordelen het restantbedrag dat Dexia aan schadevergoeding moet terugbetalen, overstijgen. Dit maakt dat het er voor moet worden gehouden dat er nog steeds een nader vast te stellen bedrag resteert dat Dexia aan de afnemer moet vergoeden, waardoor de door haar gevorderde verklaring voor recht dat zij niets meer aan de afnemer is verschuldigd niet kan worden toegewezen.
2.5.
Het exacte bedrag dat Dexia aan de afnemer dient te vergoeden kunnen partijen zelf berekenen. Dit dienen zij te doen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017 en volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door afnemer niet of onvoldoende gemotiveerd is weersproken. [3]
De conclusie
2.6.
Het hoger beroep van de afnemer slaagt. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in de eerste aanleg en het hoger beroep van de afnemer veroordelen. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [4]
2.7.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 23 mei 2023 en beslist als volgt:
3.2.
wijst de vorderingen van Dexia alsnog af;
3.3.
veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer:
tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 264,- aan salaris van de gemachtigde van de afnemer;
in hoger beroep:
€ 343,- aan griffierecht;
€ 132,42 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Dexia;
€ 1.214,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (1 procespunt x appeltarief II);
3.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Voetnoten

1.HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494.
2.Vergelijk HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489.
3.HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164.
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.