In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een effectenleaseovereenkomst tussen een afnemer en Dexia Nederland B.V. De afnemer had hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. Het hof heeft in een tussenarrest op 8 juli 2025 geoordeeld dat de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst vergunningsplichtig advies heeft gegeven aan de afnemer. Dexia werd verweten dat zij wist of had moeten weten van deze advisering en dat zij de restschuld en kosten aan de afnemer moest vergoeden.
Dexia voerde aan dat de vordering van de afnemer was verjaard, maar het hof oordeelde dat de afnemer tijdig had gereageerd op het verjaringsverweer en dat de verjaring was gestuit. Het hof concludeerde dat Dexia niet kon volhouden dat de vordering van de afnemer was verjaard, omdat de afnemer tijdig stuitingsbrieven had gestuurd. Het hof oordeelde verder dat Dexia rekening moest houden met de schadevergoeding die aan de afnemer verschuldigd was, zonder dat de door de afnemer genoten fiscale voordelen in mindering konden worden gebracht.
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling van de proceskosten in zowel de eerste aanleg als het hoger beroep. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat Dexia de veroordeling moet naleven, ook als zij de zaak aan de Hoge Raad voorlegt.