ECLI:NL:GHARL:2025:7176

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
24/1458
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake parkeerbelasting en proceskostenvergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, die op 2 juli 2024 een bezwaar tegen een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting gegrond verklaarde. De heffingsambtenaar had op 19 maart 2023 een naheffingsaanslag van € 77,00 opgelegd, omdat belanghebbende geen parkeerbelasting zou hebben voldaan voor zijn auto. Belanghebbende voerde aan dat hij wel degelijk had betaald, maar dat hij per ongeluk een verkeerd kenteken had ingevoerd in de parkeerapp. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd en kende een proceskostenvergoeding toe van € 218,75. In hoger beroep was de hoogte van deze proceskostenvergoeding in geschil, waarbij belanghebbende een wegingsfactor van 0,5 voorstelde en de heffingsambtenaar een wegingsfactor van 0,25. Het Hof oordeelde dat de rechtbank terecht een wegingsfactor van 0,25 had gehanteerd, gezien de eenvoudige aard van de zaak en de geringe inspanning die van de rechtsbijstandverlener was vereist. Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1458
uitspraakdatum: 11 november 2025
Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 juli 2024, nummer LEE 23/2576, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan het
Noordelijk Belastingkantoor(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 19 maart 2023 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van € 77,00 (€4,10 aan parkeerbelasting en € 72,90 aan kosten, hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland. (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en een vergoeding voor proceskosten en griffierecht toegekend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 19 maart 2023 een auto met kenteken [nummer1] (hierna: de auto) geparkeerd aan de [adres1] te [plaats1] , een plaats in parkeerzone 3033 waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Belanghebbende heeft parkeerbelasting voldaan door gebruik te maken van de parkeerapplicatie van ParkMobile. Daarbij heeft hij als kenteken ingetoetst, [nummer2] . De heffingsambtenaar heeft naheffingsaanslag opgelegd, omdat geen parkeerbelasting was voldaan voor de auto met kenteken [nummer1] .
2.2.
In de bezwaarfase is zonder enige toelichting een screenshot van de parkapp ParkMobile overgelegd waaruit blijkt dat belanghebbende voor 14:40 tot 16:40 op 19 maart 2023 parkeerbelasting heeft voldaan voor het parkeren van een auto met kenteken [nummer2] in zone 3033 in [plaats1] .
2.3.
Op 17 mei 2023 is het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard. Daartegen is beroep ingesteld. In het beroepschrift is voor het eerst gesteld dat bij het voldoen van parkeerbelasting een verkeerd kenteken was ingevoerd. Hierin heeft de heffingsambtenaar aanleiding gezien om de naheffingsaanslag in de beroepsfase te vernietigen. Van het besluit tot vernietiging is belanghebbende op 4 mei 2024 op de hoogte gesteld.
2.3.
Belanghebbende laat zich in alle fases van het geschil bijstaan door een professionele gemachtigde. De Rechtbank heeft voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding vastgesteld van € 218,75. De hoogte daarvan is ingevolge het artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) als volgt berekend:
  • i) beroepschrift: 1 punt,
  • ii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (€ 875 per 1 januari 2024), en
  • iii) de in onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit opgenomen wegingsfactor van zeer licht: 0,25.

3.Geschil

3.1.
In geschil is de hoogte van de voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding. Zowel voor de Rechtbank als voor het Hof is uitsluitend de hoogte van de wegingsfactor in geschil.
3.2.
Belanghebbende staat een wegingsfactor voor van 0,5, de heffingsambtenaar een wegingsfactor van 0,25.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ingevolge het Besluit wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld aan de hand van een puntensysteem per proceshandeling, een waarde per punt en een vermenigvuldigingsfactor voor de zwaarte van de zaak. Voor de zwaarte van de zaak kent het Besluit de volgende wegingsfactoren: zeer licht, licht, gemiddeld, zwaar en zeer zwaar. In de Bijlage bij het Besluit zijn onder C1 de wegingsfactoren opgenomen. Deze variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak, 0,5 voor een lichte zaak, 1 voor een gemiddelde zaak, 1,5 voor een zware zaak, tot 2 voor een zeer zware zaak.
4.2.
De wegingsfactor genoemd in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit kan worden bepaald aan de hand van de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en tevens door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang dat met het aanwenden van het rechtsmiddel is gemoeid [1] . In hoeverre een bezwaar of (hoger) beroep gegrond wordt verklaard is in zoverre niet relevant.
4.3.
De Rechtbank heeft een wegingsfactor van 0,25 gehanteerd. Redengevend daarvoor acht de Rechtbank het in omvang beperkte beroepschrift, dat een korte, door belanghebbende zelf geschreven toelichting op de situatie bevat. Ook de omstandigheid dat reeds parkeerbelasting was betaald, weegt de Rechtbank mee. De Rechtbank concludeert dat er sprake is van evident eenvoudige werkzaamheden van de rechtsbijstandsverlener die een wegingsfactor van 0,25 rechtvaardigen.
4.4.
Belanghebbende vindt dat langs gebruikelijke paden rechtsbijstand is verleend en dat daarom wegingsfactor 0,5 aangewezen is. Wegingsfactor 0,25 geldt voor situaties waarin sprake is van tik- en rekenfouten, of waarin nauwelijks inspanning is geweest van de rechtsbijstandverlener. Daarvan is in het onderhavige geval volgens belanghebbende geen sprake.
4.4.
De belastingkamers van de gerechtshoven hanteren ter vaststelling van de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase en de (hoger) beroepsfase het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (hierna: het Richtsnoer) [2] . Vooropgesteld wordt dat de Rechtbank niet is gebonden aan het Richtsnoer. De Rechtbank dient zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Dit laat onverlet dat door belanghebbende in hoger beroep kan worden aangevoerd dat de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding te laag is vastgesteld. Bij de beantwoording van de vraag welk gewicht aan de zaak moet worden toegekend voor elke fase van de procedure, kunnen de gronden die hebben geleid tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak, een rol spelen. [3] De toetsing door het Hof van de door de Rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding zal het Hof zonder terughoudendheid uitvoeren. Het Hof voert de toetsing van de voor de bezwaar toegekende proceskostenvergoeding dus ten volle uit. Daarbij neemt het Hof het Richtsnoer als uitgangspunt.
4.6.
In het Richtsnoer is onder andere het volgende opgenomen (zonder voetnoten):

1.Wegingsfactor C1 (gewicht van de zaak)

Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid.. De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Dit richtsnoer kan daarom slechts als niet-bindende handreiking worden beschouwd. Een afwijking van het richtsnoer vergt geen specifieke motivering. De genoemde voorbeelden zijn indicatief, niet limitatief.
(…)
Indien daar in hoger beroep over wordt geklaagd, toetst het hof de in eerdere fasen toegekende vergoeding van (proces)kosten. Deze toets betreft ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak.
Opmerking verdient dat:
(…)
(…)
voor vergoeding alleen die kosten in aanmerking komen die men redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij geldt de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Niet alleen moet de omvang van de kosten redelijk zijn, maar ook het maken van de kosten als zodanig – bijvoorbeeld door het inroepen van rechtsbijstand – moet redelijk zijn (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 154, en Kamerstukken I 1999/00, 27 024, nr. 3, blz. 10).
1.1.
Gewicht gemiddeld (wegingsfactor 1)
(…)
1.2.
Gewicht zeer licht (wegingsfactor 0,25)
Voor een zaak met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil (de zaak behoeft slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandsverlener), zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,25 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
Bij evidente tel- en rekenfouten en daarmee gelijk te stellen misslagen. Te denken valt aan evidente tel- en rekenfouten in de heffingsgrondslag of in de berekening van de (proces)kostenvergoeding (bijvoorbeeld toepassing van een onjuist tarief per punt, het abusievelijk niet of onjuist meetellen van een proceshandeling, van een toegekende vergoeding van een deskundigenrapport of het ten onrechte niet vermeerderen van de vergoeding voor een deskundigenrapport met BTW).
Bij kwesties die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen (zoals bij een gebruikersheffing waarbij de belanghebbende niet de gebruiker is).
Bij zeer eenvoudige vragen over nevenvorderingen of van formeelrechtelijke aard (zoals een evident geschil over een dwangsom of een zaak waarin een tijdig bezwaarschrift over het hoofd is gezien).
Indien het geschil in hoger beroep beperkt is tot de vraag of de rechtbank ten onrechte geen wettelijke rente heeft toegekend.
Bij een hoger beroep dat ongegrond is, maar waarvoor wel een proceskostenvergoeding wordt toegekend (bijvoorbeeld omdat een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend).
1.3.
Gewicht licht (wegingsfactor 0,5)
Voor een zaak met een gering belang en een eenvoudig geschil, zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,5 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
Indien het geschil beperkt is tot het antwoord op de vraag of de hoorplicht is geschonden en de zaak op die grond voor een nieuwe behandeling in bezwaar wordt teruggewezen naar het bestuursorgaan.
Bij vragen van formeelrechtelijke aard of over een nevenvordering met enige complexiteit (zoals een niet evidente zaak over de toekenning van een dwangsom, of over rente).
Indien het geschil beperkt is tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de (proces)kosten (behoudens bij een kennelijke misslag).
Parkeerbelastingzaken met een (voor parkeerbelastingzaken) gemiddeld belang en complexiteit.
Indien het (hoger) beroep uitsluitend slaagt omdat het bezwaar of het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard (een termijnoverschrijding blijkt verschoonbaar te zijn, of de beroepstermijn is later gaan lopen).
Indien het (hoger) beroep uitsluitend gaat over het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
4.7.
Het Hof is van oordeel dat de onderhavige zaak valt te scharen onder de gevallen zoals genoemd 1.2.b van het Richtsnoer. Het gaat om een zeer eenvoudig te beslechten geschil, dat in de bezwaarfase al opgelost had kunnen worden. Het enkel overleggen van het betalingsbewijs van de parkeerbelasting, het kentekenbewijs en een toelichting, is voldoende geweest voor de vernietiging van de naheffingsaanslag. Het beroepschrift is kort. De daarin opgenomen motivering is niet van de gemachtigde maar van belanghebbende zelf afkomstig, zodat gezegd kan worden dat er zeer geringe inspanning is geweest van zijn gemachtigde. Het Hof acht de door de Rechtbank bepaalde wegingsfactor van 0,25 in overeenstemming met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van het beroep en de daarmee verband houdende werkbelasting van de gemachtigde.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Voor een vergoeding van proceskosten in hoger beroep of van griffierecht ziet het Hof geen aanleiding.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong- Braaksma) (R.F.C. Spek)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293 en HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:116
2.Opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Dit richtsnoer is met name op het punt van de wegingsfactor voor op enige punten verduidelijkt en/of genuanceerd en aangepast aan de huidige stand van het recht ten opzichte van het richtsnoer proceskostenvergoeding, zoals opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307.
3.HR 6 juni2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2.