ECLI:NL:GHARL:2025:7056

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.351.735
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling letselschadevergoeding, zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding

In deze zaak gaat het om de verdeling van een letselschadevergoeding, de zorgregeling voor de kinderen en de vaststelling van de kinderalimentatie na de echtscheiding van de man en de vrouw. De man en de vrouw zijn in 2018 getrouwd en hebben twee minderjarige kinderen. Hun huwelijk is op 25 februari 2025 ontbonden. De rechtbank Midden-Nederland had eerder een beschikking gegeven over de echtscheiding en de kinderalimentatie, waartegen de man in hoger beroep ging. De man was het niet eens met de hoogte van de kinderalimentatie die was vastgesteld op € 330,- per kind per maand. Hij verzocht het hof om deze te verlagen naar € 25,- per kind per maand. De vrouw voerde verweer en vroeg het hof om de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en daarnaast een verdeling van de letselschadevergoeding van de man, die hij tijdens het huwelijk had ontvangen, te bepalen. Het hof oordeelde dat de man de letselschadevergoeding van € 227.000,- niet had aangetoond dat deze verknocht was aan hem en dat deze dus verdeeld moest worden. Het hof bepaalde dat de man € 88.500,- aan de vrouw moest betalen. Wat betreft de kinderalimentatie oordeelde het hof dat de man in de periode van 17 januari 2024 tot 1 januari 2025 en daarna € 50,- per maand aan de vrouw moest betalen. De vrouw hoefde het teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie niet terug te betalen. De kosten van de procedure werden gecompenseerd, wat betekent dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.735
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 572642)
beschikking van 11 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Ilkdoğan,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , [gemeente] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. F. Özdemir-Sahin.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 29 november 2024, uitgesproken onder zaaknummer 572642, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 april 2025;
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
  • een bericht van mr. Ilkdoğan van 26 september 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De raad voor de kinderbescherming is met bericht vooraf niet verschenen.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn [in] 2018 met elkaar getrouwd in [woonplaats1] .
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
  • [minderjarige1] , geboren [in] 2020 en
  • [minderjarige2] , geboren [in] 2022.
3.3
Het huwelijk van partijen is op 25 februari 2025 ontbonden door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4.Het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 17 januari 2024 bepaald op € 330,- per kind per maand.
In het aangehechte ouderschapsplan is, voor zover hier van belang, opgenomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij vrouw hebben en in het kader van de zorgregeling afgesproken dat:
  • de kinderen om het weekend van vrijdag 18:00 tot zondag 18:00 bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag bij de man ophaalt;
  • voor doordeweekse dagen een open zorgregeling geldt, in die zin dat de man indien hij dat wenst de kinderen in overleg met de vrouw ook doordeweeks kan zien;
  • de kinderen tijdens de islamitische feestdagen in de even jaren de eerste dag bij de vrouw en de tweede dag bij de man verblijven en in de oneven jaren andersom;
  • de kinderen tijdens hun verjaardag in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man verblijven.
4.2
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man.
De man verzoekt het hof, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde kinderalimentatie te vernietigen en te bepalen dat de man met ingang van 17 januari 2024 € 25,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen dan wel een beslissing te nemen die het hof juist vindt. Daarnaast verzoekt de man de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt het hof, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde kinderalimentatie te bekrachtigen en het verzoek van de man af te wijzen.
De vrouw verzoekt het hof op haar beurt te bepalen dat de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap de helft van de door hem ontvangen schadevergoeding van € 227.000,-, te weten € 113.500,-, aan de vrouw dient te voldoen, dan wel een ander bedrag dat het hof juist vindt, en in het kader van de zorgregeling de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
  • de schoolvakanties tussen partijen bij helfte wordt verdeeld waarbij de kinderen de eerste helft van de vakanties aaneengesloten in de oneven jaren bij de vrouw doorbrengen, de tweede helft bij de man en in de even jaren andersom, waarbij voor de eenweekse vakanties geldt dat de overdracht op donderdag om 15:00 uur plaatsvindt, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt;
  • de kinderen in een cyclus van vier weken drie aaneengesloten weekenden bij de man verblijven van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag naar de man brengt en de man de kinderen op zondag terugbrengt naar de vrouw.
Daarnaast verzoekt de vrouw de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, kosten rechtens.
4.4
De man voert verweer en vraagt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in incidenteel hoger beroep dan wel die verzoeken af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
4.5
Het hof zal het principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5.De overwegingen voor de beslissing

(niet-)ontvankelijkheid verzoeken incidenteel hoger beroep
5.1
De man voert aan dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek in incidenteel hoger beroep tot verdeling van de letselschadevergoeding, omdat dat verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan. In eerste aanleg was de verdeling niet aan de orde.
Het hof overweegt dat in het algemeen geldt dat in hoger beroep geen zelfstandig verzoek kan worden gedaan. In geval van echtscheiding kan op grond van artikel 827 Rv echter als nevenvoorziening een (aanvullend) verzoek tot verdeling worden gedaan, ook voor het eerst in hoger beroep. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
5.2
Daarnaast voert de man aan dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek over de zorgregeling dan wel dat dit verzoek in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Dit omdat partijen in eerste aanleg volledige overeenstemming hadden over de zorgregeling en de vrouw zich bij een wijziging van omstandigheden tot de rechtbank moet wenden.
Anders dan de man stelt, kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek over de zorgregeling. Ook als een verzoek van een partij in eerste aanleg is toegewezen, kan deze partij belang hebben bij het instellen van hoger beroep. Hoger beroep kan immers ook uitsluitend dienen tot verandering of vermeerdering van verzoek of eis. [1] Van strijd met de goede procesorde is, anders dan de man stelt, naar het oordeel van het hof geen sprake.
verdeling van de letselschadevergoeding
5.3
De man heeft gedurende het huwelijk en vóór de datum van ontbinding van de gemeenschap een letselschadevergoeding ontvangen van in totaal € 227.000,-.
5.4
Partijen verschillen van mening over de vraag óf en in hoeverre die vergoeding aan de man verknocht is en buiten de ontbonden gemeenschap van goederen valt. Tussen partijen staat in lijn met de rechtspraak niet ter discussie dat voor zover het gaat om smartengeld (de immateriële schade) en een vergoeding voor schade die na het huwelijk geleden wordt de uitgekeerde bedragen in beginsel aan de man verknocht zijn. Het ligt in dat kader op de weg van de man om met stukken te onderbouwen wat het karakter van de letselschadevergoeding is geweest – immateriële schade of niet / vergoeding voor schade gedurende het huwelijk of voor de periode daarna –. Daarnaast is van belang in hoeverre enig mogelijk verknocht bedrag nog in het vermogen van de man is te identificeren. Dat alles heeft de man echter nagelaten. De door de man overgelegde e-mails van zijn letselschade advocaat met bijlagen zijn in dat kader onvoldoende. Daaruit blijkt wel dat genoemd bedrag is uitgekeerd, maar niet de opbouw daarvan. Nu de man niet heeft aangetoond dat enig deel van de letselschadevergoeding verknocht is, gaat het hof ervan uit dat het gehele bedrag in gemeenschap van goederen is gevallen. Uitgangspunt is derhalve dat het totale bedrag voor verdeling bij helfte in aanmerking komt.
5.5
De volgende vraag die dient te worden beantwoord is hoeveel geld van de letselschadevergoeding er nog aanwezig was op het moment van de ontbinding van de gemeenschap van goederen – 25 februari 2025 – en dus moet worden verdeeld.
Het hof stelt in dat kader vast dat partijen het erover eens zijn dat zij tijdens de laatste jaren van hun huwelijk van meer geld hebben geleefd dan enkel de uitkering van de vrouw en de huurinkomsten van de man. Dat dat kwam doordat sprake was van zwarte inkomsten van de man, zoals de vrouw stelt, is het hof echter onvoldoende gebleken. Hoewel de man in de loop van deze procedure verschillend heeft verklaard over wat hij met de letselschadevergoeding heeft gedaan, hetgeen zijn geloofwaardigheid geen goed doet, geldt dat de man meerdere keren duidelijk heeft verklaard dat (een gedeelte van) de voorschotten tijdens het huwelijk zijn besteed ten behoeve van het levensonderhoud van het gezin. Daar komt bij dat de vrouw zich ten aanzien van behoefte van de kinderen op het standpunt stelt dat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte daarvan terecht rekening heeft gehouden met de voorschotten die de man heeft ontvangen. Nu de rechtbank ervan uit is gegaan dat de voorschotten tot een bedrag van € 50.000,- tijdens het huwelijk ten behoeve van het levensonderhoud van het gezin zijn besteed en niet is gebleken dat dit anders is, zal ook het hof hiervan uitgaan.
Ten aanzien van de rest van de letselschadevergoeding heeft de man in eerste aanleg verklaard dat hij dat gedurende het huwelijk heeft besteed en dat hij daar onder andere twee auto’s van heeft gekocht. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dat deze auto’s inmiddels weer zijn verkocht en dat hij nog een deel van de letselschadevergoeding heeft als startkapitaal voor een eigen bedrijf. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij de door hem gestelde uitgaven heeft gedaan en welk bedrag van de letselschadevergoeding resteert, zodat ervan uit moet worden gegaan dat al het geld nog altijd aanwezig is. Het hof overweegt in dat kader dat het op de weg van de man ligt om met stukken te onderbouwen wat hij gedurende welke periode met de rest van het resterende bedrag van € 177.000,- heeft gedaan en welk bedrag van de letselschadevergoeding op het moment van de ontbinding van de gemeenschap van goederen resteerde, dat heeft de man echter nagelaten. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de rest van de letselschadevergoeding op het moment van de ontbinding van de gemeenschap van goederen nog aanwezig was.
5.6
Gelet op het voorgaande moet in totaal (227.000 – 50.000) € 177.000,- van de letselschadevergoeding worden verdeeld. Het hof zal het verzoek van de vrouw om verdeling van de letselschadevergoeding dan ook in zoverre toewijzen dat het hof zal bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de letselschadevergoeding aan de vrouw een bedrag van (177.000 / 2) € 88.500,- dient te betalen.
wettelijke rente
5.7
De vrouw maakt aanspraak op de wettelijke rente. De vrouw stelt in dat kader dat zij uit de gedragingen van de man heeft begrepen dat hij nimmer tot betaling van de helft van de schadevergoeding over wenst te gaan, zodat hij op grond van artikel 6:80 lid 1 sub b BW dan ook in verzuim en het vergoedingsrecht opeisbaar is geworden vanaf de ontbinding van het huwelijk, derhalve 25 februari 2025.
5.8
Het hof overweegt als volgt. De verschuldigdheid van wettelijke rente in het kader van de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap ontstaat eerst op het moment dat de verdeling is vastgesteld. Pas na vaststelling van hetgeen verschuldigd is, kan er sprake zijn van verzuim. [2] Nu de verdeling van de letselschadevergoeding voor het eerst in hoger beroep in onderhavige beschikking wordt vastgesteld, zal de man eerst wettelijke rente verschuldigd kunnen zijn per de datum van deze beschikking. Om de man in de gelegenheid te stellen de betaling binnen een redelijke termijn te verrichten voordat wettelijke rente verschuldigd zal zijn, beslist het hof als in het dictum bepaald.
zorgregeling
5.9
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
de reguliere zorgregeling
5.1
De vrouw verzoekt het hof om een ruimere reguliere zorgregeling tussen de kinderen en de man vast te stellen dan partijen eerder in het ouderschapsplan waren overeengekomen. De vrouw stelt in dat kader dat de ouders in het ouderschapsplan een open zorgregeling hebben afgesproken voor de doordeweekse dagen, maar dat dit niet meer passend is omdat [minderjarige1] inmiddels naar de basisschool gaat. De door de vrouw verzochte reguliere zorgregeling is in het belang van de kinderen en geeft de vrouw meer rust, aldus de vrouw.
De man voert verweer en geeft aan dat hij niet kan instemmen met een ruimere zorgregeling. De huidige zorgregeling is afgestemd op de verhuizing van de vrouw. Hoewel het voor de vrouw duidelijk was dat de man bij een verhuizing van de vrouw gezien de afstand minder zorg op zich zou kunnen nemen, heeft de vrouw toch besloten om te verhuizen, aldus de man.
5.11
Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om een andere reguliere zorgregeling vast te stellen. Gebleken is dat de huidige zorgregeling wordt nagekomen en de vader heeft mede gelet op de grote afstand tussen ouders (praktische) bezwaren tegen een ruimere zorgregeling. Daarbij merkt het hof op dat de vrouw indien nodig extra opvang voor de kinderen kan regelen, waardoor zij wordt ontlast.
de zorgregeling tijdens vakanties
5.12
De vrouw verzoekt het hof daarnaast een concrete vakantieregeling vast te stellen waarbij uitgangspunt is dat de schoolvakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld. De vrouw stelt in dat kader dat het partijen niet lukt om de verdeling in onderling overleg te regelen, nu de man weigert hierover in overleg te treden. De man benadrukt op zijn beurt dat hij zich aan de afspraken in het ouderschapsplan houdt en laat weten dat de kinderen de helft van de schoolvakanties en de zomervakantie bij hem doorbrengen. De man heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het vastleggen van de door de moeder verzochte regeling.
5.13
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Het hof acht het dan ook in het belang van de kinderen om een concrete vakantieregeling vast te leggen. Aangezien de vader geen inhoudelijke bezwaren heeft geuit tegen de door de moeder in dat kader verzochte regeling, zal het hof een verdeling tijdens de vakanties vastleggen in overeenstemming met het verzoek van de moeder.
kinderalimentatie
behoefte
5.14
Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de kinderen. De rechtbank heeft de behoefte vastgesteld op € 1.302,- per maand, dus € 651,- per kind per maand. De rechtbank heeft daarbij voor het peiljaar aan de zijde van de man een bedrag van € 25.000,- ten titel van voorschot letselschadevergoeding meegenomen als inkomen.
5.15
De man stelt - kort weergegeven - dat het door hem ontvangen bedrag aan voorschot op de letselschadevergoeding niet als inkomen kan worden beschouwd en dan ook ten onrechte als zodanig bij de berekening van de kinderalimentatie is betrokken. Daarnaast heeft de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep laten weten dat ten onrechte rekening is gehouden met inkomen in de vorm van huurinkomsten over geheel 2023, nu die huurinkomsten eerder in 2023 zijn weggevallen.
De vrouw voert op haar beurt aan dat terecht rekening is gehouden met de voorschotten die de man over de jaren 2022 en 2023 heeft ontvangen, in totaal € 50.000,-. Daarnaast voert de vrouw aan dat niet eerder is betwist de man in geheel 2023 huurinkomsten ontving en dat het in strijd met de twee conclusieregel is om dat voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep te doen. De vrouw kan zicht daartegen niet goed verweren.
5.16
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder 5.5 al is overwogen gaat het hof er evenals de rechtbank van uit dat € 50.000,- van de letselschadevergoeding tijdens het huwelijk is besteed ten behoeve van het levensonderhoud van het gezin. Nu voldoende is komen vast te staan dat partijen daar in 2022 en 2023 van hebben geleefd, heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht rekening gehouden met een bedrag van naar rato € 25.000,- aan aanvullende inkomsten van de man in 2023.
Ten aanzien van de stelling van de man over de huurinkomsten, stelt het hof vast dat hij daarmee inderdaad te laat is: op grond van de twee-conclusieregel had die in het beroepschrift moeten worden opgenomen. Feiten en omstandigheden op grond waarvan een uitzondering op deze regel zou moeten worden gemaakt zijn gesteld noch gebleken. Het hof zal de stelling van de man over de huurinkomsten dan ook buiten beschouwing laten.
5.17
Gelet op het voorgaande gaat het hof, net als de rechtbank, uit van een behoefte in 2023 van € 1.302,- per maand. Geïndexeerd naar 2024 is dit € 1.383,- per maand en naar 2025 € 1.473,- per maand.
draagkracht
5.18
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin eenieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.
de draagkracht van de man
5.19
De draagkracht van de man is in geschil. De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend op € 765,- per maand.
5.2
De rechtbank is er vanuit gegaan dat het niet reeds tijdens het huwelijk bestede bedrag aan letselschadevergoeding (hof: 227.000 – 50.000 = € 177.000,-) kan worden beschouwd als inkomensreserve en dient te worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man, uitgesmeerd over een aantal jaar. Zoals hierboven onder 5.6 al is overwogen, is het hof naar aanleiding van een grief van de vrouw echter van oordeel dat dit bedrag tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Naar het oordeel van het hof is tegen die achtergrond onvoldoende komen vast te staan dat enig bedrag aan letselschadevergoeding in het kader van de draagkracht als inkomen dient te worden meegenomen. Dit geldt zowel ten aanzien van de man als ten aanzien van de vrouw. Het hof zal, anders dan de rechtbank, bij het berekenen van de draagkracht van de man dan ook geen rekening houden met enig bedrag aan letselschadevergoeding. Ook aan de zijde van de vrouw zal het hof de haar toekomende helft niet als inkomen aanmerken.
5.21
Gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie dient de draagkracht van de man te worden beoordeeld vanaf 17 januari 2024. De man ontving in 2024 een werkeloosheidsuitkering. Het hof zal voor de hoogte van deze uitkering, net als de rechtbank, uitgaan van een inkomen van € 1.606,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.
5.22
Het vorenstaande voert tot een andere uitkomst. Uit de aangehechte berekening volgt dan dat de man gelet op het voorgaande over de periode 17 januari 2024 - 1 december 2024 een draagkracht heeft van € 50,- per maand.
Uit de stukken blijkt dat de man vanaf 2 december 2024 een Ziektewet-uitkering krijgt. De man stelt dat zijn draagkracht op basis daarvan in totaal € 50,- is. De vrouw heeft dit niet betwist. Dit brengt gelet op het voorgaande echter geen verandering van zijn draagkracht te weeg, want die blijft ook na 1 december 2024 € 50,- per maand.
de draagkracht van de vrouw
5.23
De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw berekend op € 355,- per maand op grond van een Ziektewet-uitkering. Uit de stukken blijkt echter dat de situatie van de vrouw na de bestreden beschikking is veranderd omdat zij sinds 3 januari 2025 geen Ziektewet-uitkering meer ontvangt. De vrouw stelt dat de door haar gevraagde bijstandsuitkering is afgewezen, zij geen inkomen heeft en dat haar draagkracht inmiddels € 50,- per maand bedraagt. De man heeft dit alles niet betwist, zodat de het hof daarvan uitgaat.
5.24
Omdat de draagkracht van de vrouw per januari 2025 is gewijzigd, zal het hof bij de berekening van de kinderalimentatie uitgaan van meerdere periodes, namelijk de periode van 17 januari 2024 tot 1 januari 2025 en de periode vanaf 1 januari 2025. Het hof gaat bij de eerste periode uit van een draagkracht van de vrouw van € 355,- per maand en voor de tweede periode van een draagkracht van de vrouw van € 50,- per maand.
de verdeling van de kosten
5.25
De behoefte van de kinderen bedraagt in de periode van 17 januari 2024 tot 1 januari 2025 € 1.383,- per maand en als gevolg van indexering in de periode vanaf 1 januari 2025 € 1.473,- per maand. Voor beide periodes geldt dat de ouders samen over volstrekt onvoldoende draagkracht beschikken om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Dat tekort is (1.383 – 405) € 978,- per maand in de periode van 17 januari 2024 tot 1 januari 2025 en (1.473 – 100) € 1.373,- per maand in de periode vanaf 1 januari 2025. De ouders zullen in beginsel dan ook ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken.
5.26
Wanneer de totale draagkracht van de ouders lager is dan de totale behoefte van de kinderen kan het hof rekening houden met de werkelijke woonlast indien die duurzaam aanmerkelijk lager is dan de forfaitaire woonlast waarmee in de berekening standaard is gerekend. [3] Er is een tekort aan draagkracht om in de kosten van de kinderen te voorzien, maar het hof wijkt niet af van het woonbudget van 30%. Gesteld nog gebleken is echter dat de werkelijke woonlasten van partijen aanmerkelijk lager zijn dan dit woonbudget.
de zorgkorting
5.27
Zoals vastgesteld hebben de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien en zij moeten dat samen opbrengen. Omdat het tekort meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting waar de man in beginsel aanspraak op zou kunnen maken (15% van € 1.383,- is afgerond € 207,- in de periode van 17 januari 2024 tot 1 januari 2025 en 15% van € 1.473,- is afgerond € 221,- in de periode vanaf 1 januari 2025) dient de man een bijdrage ter hoogte van zijn volledige draagkracht aan de vrouw te betalen. Aldus beschikt de vrouw over een bedrag dat lager is dan de behoefte, maar draagt de man de kosten van de zorgregeling zelf, zonder compensatie.
conclusie
5.28
Gelet op het voorgaande dient de man zowel in de periode van 17 januari 2024 tot 1 januari 2025 als in de periode vanaf 1 januari 2025 € 50,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw te betalen.
terugbetalingsverplichting
5.29
De rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, dient steeds aan de hand van hetgeen in de procedure is gebleken te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. [4]
5.3
Het hof moet gelet op het voorgaande beoordelen of en in hoeverre van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het te veel ontvangene aan de man terugbetaalt. Aangezien de kinderalimentatie van consumptieve aard is overweegt het hof dat, voor zover de vrouw ten behoeve van de kinderen meer aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen dan op grond van deze beschikking is bepaald, het teveel betaalde door haar niet aan de man terugbetaald hoeft te worden.
proceskosten
5.31
De man vraagt het hof de vrouw te veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Het hof ziet hier echter geen enkele aanleiding toe, alleen al omdat het beroep van de vrouw in meerdere opzichten terecht is ingesteld. Het hof zal de proceskosten dan ook zoals gebruikelijk in procedures tussen (gewezen) echtgenoten compenseren. Daarmee wordt bedoeld dat de man en de vrouw ieder de eigen kosten van de procedure in hoger beroep moeten dragen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bepaalt dat de man in het kader van de verdeling van de door de man ontvangen letselschadevergoeding aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 88.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot de dag der algehele voldoening;
vult de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 29 november 2024 als volgt aan:
bepaalt dat de schoolvakanties tussen partijen bij helfte wordt verdeeld waarbij de kinderen in de oneven jaren de eerste helft van de vakanties aaneengesloten bij de vrouw doorbrengen en de tweede helft bij de man. In de even jaren is dit andersom. Voor de eenweekse vakanties dient de overdracht op donderdag om 15:00 uur plaats te vinden waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 29 november 2024, voor wat betreft de beslissing over de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man in de periode van 17 januari 2024 tot 1 januari 2025 en in de periode vanaf 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] € 50,- per maand aan de vrouw zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw hetgeen zij vanaf 17 januari 2024 tot op heden te veel aan kinderalimentatie van de man heeft ontvangen niet aan de man hoeft terug te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, R. Feunekes en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.

Voetnoten

1.HR 28 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:968.
2.HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2623.
3.HR 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.
4.HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:220.