ECLI:NL:GHARL:2025:6561

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
200.347.913
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenkoop van een pony met kreupelheid na aflevering en buitengerechtelijke ontbinding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een consumentenkoop van een pony. De appellant, die handelt onder de naam [naam1], heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, dat op 24 juli 2024 werd uitgesproken. De kern van de zaak betreft de koop van de pony [naam pony1] door de geintimeerde, die deze voor zijn dochter heeft aangeschaft. Na aflevering van de pony is door een dierenarts kreupelheid vastgesteld aan het rechter voorbeen. De geintimeerde heeft de koop buitengerechtelijk ontbonden, omdat hij meent dat het gebrek al aanwezig was ten tijde van de koop. De kantonrechter heeft de vorderingen van de geintimeerde grotendeels toegewezen, maar de appellant is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft de procedure in hoger beroep gevolgd, waarbij diverse stukken zijn ingediend, waaronder de dagvaarding, memorie van grieven en memorie van antwoord. Het hof heeft vastgesteld dat de kreupelheid zich binnen de wettelijke termijn van een jaar na aflevering heeft geopenbaard, wat volgens artikel 7:18a lid 2 BW betekent dat het gebrek vermoed wordt aanwezig te zijn geweest ten tijde van de koop. De appellant heeft in hoger beroep geen overtuigend bewijs kunnen leveren dat de pony ten tijde van de koop niet kreupel was. Het hof heeft de argumenten van de appellant, waaronder verwijzingen naar eerdere uitspraken, verworpen en geconcludeerd dat de pony niet aan de overeenkomst voldeed. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en de appellant veroordeeld in de proceskosten van de geintimeerde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.913
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10857187
arrest van 21 oktober 2025
in de zaak van
[appellant]
(ook handelend onder de naam [naam1] )
hierna [appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.A. Wensing
en
[geintimeerde]
Hierna [geintimeerde]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. B.E.J. Loeffen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 24 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • een akte van [appellant] met productie 6
  • een akte van [geintimeerde] met productie 30
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 september 2025 is gehouden

2.De kern van de zaak

2.1.
Bij de door [geintimeerde] van [appellant] gekochte pony [naam pony1] is na aflevering door de dierenarts kreupelheid aan het rechter voorbeen vastgesteld. Daarop heeft [geintimeerde] de koop buitengerechtelijk ontbonden. [appellant] meent dat dit niet terecht is.
2.2.
[geintimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat vastgesteld wordt dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, de koopsom wordt terugbetaald, de pony wordt opgehaald en de door hem geleden schade wordt vergoed door [appellant] .
2.3.
De kantonrechter heeft deze vorderingen voor het grootste deel toegewezen en alleen één van de gestelde schadeposten afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en de (stallings)kosten die [appellant] na het terugnemen van de pony heeft gemaakt door [geintimeerde] worden vergoed.
2.4.
Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand en zal beslissen dat de vorderingen van [appellant] in hoger beroep worden afgewezen waarbij [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof licht dit oordeel hierna toe waarbij het eerst ingaat op de achtergrond van de zaak.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Achtergrond van de zaak
3.1.
[geintimeerde] heeft op 23 juni 2023 van [appellant] de pony [naam pony1] gekocht voor zijn destijds 15-jarige dochter. Voor aankoopbegeleiding en -advies had [geintimeerde] [naam2] ingeschakeld. Voorafgaande aan de koop heeft de dochter van [geintimeerde] een proefrit gemaakt op 11 juni 2023 in het bijzijn van [naam2] en op 14 juni 2023 buiten aanwezigheid van [naam2] . De pony is op 19 juni 2023 klinisch en op 21 juni 2023 röntgenologisch goedgekeurd door dierenarts [naam dierenarts1] en vervolgens op 25 juni 2023 aan [geintimeerde] geleverd. Op 8 en 19 augustus 2023 heeft [geintimeerde] aan [appellant] geschreven dat er een gebrek is omdat de pony kreupel zou zijn. Op 20 september 2023 heeft [geintimeerde] de koop ontbonden en [appellant] gesommeerd om binnen 14 dagen de pony op te halen en de koopsom terug te betalen. Na daartoe te zijn veroordeeld in het bestreden vonnis heeft [appellant] de pony opgehaald en op zijn kosten gehuisvest.
Toelichting op de beslissing
3.2.
[geintimeerde] heeft de pony als rijpony voor zijn dochter gekocht bij [appellant] die bedrijfsmatig handelt in paarden en pony’s. Er is daarom sprake van een koopovereenkomst die kwalificeert als een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat geval geldt volgens artikel 7:18a lid 2 BW dat als een afwijking van wat is overeengekomen (hierna ook: een gebrek) zich binnen een jaar na aflevering van de gekochte zaak openbaart, dat gebrek wordt vermoed aanwezig te zijn geweest ten tijde van de koop, tenzij de aard van de zaak of de aard van het gebrek zich daartegen verzet. [appellant] heeft ook in hoger beroep op de tenzij-bepaling in dit artikel een beroep gedaan (de uitzondering), maar dat beroep gaat niet op. Het hof is het eens met de kantonrechter op dit punt en neemt de motivering over. Daarbij merkt het hof op dat [appellant] ook in hoger beroep zich (deels) baseert op achterhaalde uitspraken. Voor de leesbaarheid van dit arrest citeert het hof de kantonrechter:
“(…) 3.3 Op die regel wordt een uitzondering gemaakt als de aard van de zaak of de aard van het gebrek zich daartegen verzet. Dat is hier niet het geval. [appellant] heeft daar wel een beroep op gedaan, maar verwijst daarbij enkel naar een paar oude uitspraken die inmiddels zijn achterhaald [1] . Uit de wetsgeschiedenis volgt dat zowel bij de vaststelling van Richtlijn 1999/44/EG betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen d.d. 7-7-1999, als van het daarop gebaseerde artikel 7:18 lid 2 BW de problematiek van levende dieren is onderkend maar dat dit er niet toe heeft geleid dat deze categorie als een uitzondering in het kader van de voormelde tenzij-clausule beschouwd moet worden. De aard van het gestelde gebrek (in dit geval kreupelheid) en de gesteld omstandigheid dat deze binnen een korte periode kan ontstaan, staat evenmin in de weg aan toepassing van het wettelijke vermoeden uit artikel 7:18 lid 2 BW. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat gedacht is aan een situatie als de onderhavige. In de Memorie van Toelichting wordt daarover opgemerkt:”(..) bij de aard van de afwijking denke men aan de situatie waarin duidelijk is dat de afwijking is ontstaan door de handelwijze van de koper (bijvoorbeeld een overduidelijk door een val niet meer functionerende videorecorder).” (Tweede Kamer 2001-2002, 27809, nr. 3, pag. 20). Uit de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer blijkt dat het wettelijke vermoeden wel effect heeft indien deze duidelijkheid ontbreekt (Eerste Kamer 2001-2002, 27809, nr. 323b, pag. 8). (…)”
3.3.
Omdat na levering van de pony is waargenomen dat de pony onregelmatig liep, is [geintimeerde] naar een dierenarts gegaan. Dierenarts [naam dierenarts2] heeft de pony gezien op 14 augustus 2023 maar kon toen geen diagnose stellen vanwege een hoefabces. De dierenarts heeft de pony vervolgens onderzocht op 5 september 2023. Volgens het verslag van de dierenarts is sprake van een kreupel rechter voorbeen van de pony en is de kreupelheid duidelijk erger bij een buigproef. Door de kreupelheid is de pony niet geschikt om recreatief te berijden zoals is overeengekomen en voldoet daarmee dus niet aan de overeenkomst (artikel 7:18 BW). Anders dan [appellant] meent, is [geintimeerde] niet verplicht om te (laten) onderzoeken wat de oorzaak van de kreupelheid is. Het hof verwijst naar hetgeen de kantonrechter hierover heeft overwogen onder verwijzing naar relevante jurisprudentie. [2]
3.4.
Omdat de kreupelheid zich heeft geopenbaard binnen de in artikel 7:18a lid 2 BW genoemde termijn van een jaar, wordt vermoed dat de kreupelheid aanwezig is geweest ten tijde van de levering van de pony aan [geintimeerde] . De kantonrechter heeft overwogen dat het aan [appellant] is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de pony ten tijde van de koop nog niet kreupel was; het hof neemt dit oordeel over en maakt het tot het zijne. [3] [appellant] beroept zich daarvoor op de door een dierenarts voor de koop uitgevoerde klinische en röntgenologische keuring en verklaringen van [naam2] , [naam3] , [naam4] en [naam5] . Daarnaast heeft [appellant] in hoger beroep een Expertiserapport veterinair overgelegd van schade-expert/dierenarts [naam dierenarts3] . Verder voert [appellant] aan dat door onervarenheid en mismanagement bij de verzorging van de pony door (de dochter van) [geintimeerde] de kreupelheid en een hoefzweerabces zijn ontstaan. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] hiermee onvoldoende gesteld. Hij kan daarom niet worden toegelaten tot bewijs. Dit wordt hierna uitgelegd.
3.5.
De dierenarts die de aankoopkeuring heeft gedaan maakt geen melding van een onregelmatige loop maar tegenover diens klinische en röntgenologische bevindingen staat de verklaring van [naam6] , manege eigenaresse en rij-instructrice van de dochter van [geintimeerde] . [naam6] ziet op het filmpje dat is gemaakt van de eerste proefrit voor de koop dat de pony onregelmatig loopt. Volgens de verklaring van [naam6] gaat het om een onregelmatigheid rechtsvoor. Deze waarneming is niet betwist door [appellant] , ook niet nadat ter gelegenheid van de zitting bij het hof het betreffende filmpje (dat als productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd maar door het hof niet bij de processtukken is aangetroffen) is afgespeeld. In het licht van dat beeldmateriaal had het op de weg van [appellant] gelegen om nader te onderbouwen dat er desalniettemin geen sprake was van een afwijking van dat wat bij de koop was overeengekomen. De door [appellant] in eerste aanleg als productie 5 overgelegde nadere verklaring van 14 juni 2024 van de dierenarts die de aankoopkeuring heeft gedaan werpt daar echter geen licht op. Daarin wordt namelijk zonder inhoudelijke toelichting verwezen naar de bevindingen in het keuringsrapport en wordt niet ingegaan op wat op het filmpje van de proefrit is te zien. [naam2] is bij de eerste proefrit de onregelmatige loop niet opgevallen volgens een Whatsappbericht van 3 augustus 2023 van haar aan de dochter van [geintimeerde] . Maar [naam6] en [naam2] hebben de onregelmatige loop wel waargenomen bij de eerste rijles die de dochter van [geintimeerde] begin juli 2023 kreeg van [naam2] , net voor de vakantie en vervolgens weer op 3 augustus 2023, de eerste rijles die [naam6] na de vakantie aan de dochter van [geintimeerde] heeft gegeven. [appellant] heeft ook deze waarnemingen niet betwist. Verder heeft [appellant] de waarnemingen van de osteopaat van 10 augustus 2023 dat de pony op RV (rechtsvoor) lijkt te vallen niet betwist (ongeacht of dit zou betekenen dat de pony dan linksvoor kreupel zou zijn, zoals [naam dierenarts3] betoogt in voetnoot 1 van zijn rapport) en ook niet de vaststelling op 5 september 2009 van de door [geintimeerde] ingeschakelde dierenarts dat sprake is van kreupelheid in het rechter voorbeen.
3.6.
In het licht van die onbestreden, deels op film vastgelegde waarnemingen en bevindingen van [naam2] , [naam6] , de osteopaat en dierenarts [naam dierenarts2] kunnen de verklaringen van [naam3] en [naam4] [appellant] niet baten. De verklaring van [naam4] is daarvoor te algemeen, alleen al omdat niet duidelijk is of haar waarnemingen betrekking hebben op de periode waarin de pony is gekocht door en geleverd aan [geintimeerde] . En weliswaar verklaart [naam3] dat zij in juni 2023 de pony ‘on numerous occasions for potential clients’ heeft gezien en dat naar haar professionele mening de pony ‘100% sound’ was en ‘absolutely no sign of lameness on any of these occasions’ vertoonde, maar dat is geen ontkrachting van de niet bestreden verklaring van [naam6] dat de onregelmatige loop daadwerkelijk is te zien op het filmpje van de eerste proefrit op 11 juni 2023. Datzelfde geldt voor de verklaring van [naam5] , die meerdere keren heeft meegedaan aan het WK jonge paarden en internationale kampioenschappen op grand prix niveau. Bovendien is in het licht van het filmpje van de proefrit niet duidelijk waarop [naam5] baseert dat de pony medio mei/juni 2023 desondanks klinisch goed in orde was.
3.7.
Van door [appellant] gesteld mismanagement door (de dochter van) [geintimeerde] bij de huisvesting en verzorging van de pony is het hof niet gebleken. Dat is door [appellant] niet (voldoende) onderbouwd en het blijkt niet uit de door [appellant] niet bestreden feiten dat [geintimeerde] met betrekking tot huisvesting en verzorging steeds in overleg met en op advies van [naam2] heeft gehandeld, zoals volgt uit de bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde Whatsappberichten tussen (de dochter van) [geintimeerde] en [naam2] . [appellant] heeft niet gesteld dat die adviezen niet goed waren en/of dat [geintimeerde] die adviezen niet heeft opgevolgd. Voor zover [appellant] daarbij suggereert dat de dochter van [geintimeerde] de pony de wei heeft ‘ingejaagd’ waarbij de pony is gebeten door andere dieren in de wei miskent [appellant] dat de pony in overleg met [naam6] en [naam2] in eerste instantie in de wei is geplaatst, dat er zich inderdaad een bijtincident heeft voorgedaan, maar dat de pony na dit incident in overleg met [naam2] en [naam6] direct uit de wei is gehaald en bij een rustigere pony is gezet. Het door [appellant] als productie 4 bij memorie van grieven overgelegde Whatsappbericht van [naam2] aan [geintimeerde] staat in schril contrast met alle hiervoor genoemde Whatsappberichten die tussen hen zijn gewisseld. Het hof leest daarin dat [naam2] zich verweert tegen de verwijten die [geintimeerde] haar maakt, waaruit [naam2] kennelijk afleidt dat [geintimeerde] haar financieel verantwoordelijk houdt voor de miskoop van de pony. [appellant] heeft die productie verder niet toegelicht in zijn memorie. Het causaal verband tussen het gestelde mismanagement, de hoefzweer aan het achterbeen van de pony en de door de dierenarts op 5 september 2023 vastgestelde kreupelheid is niet onderbouwd door [appellant] , zodat het niet is vast komen te staan.
3.8.
Tot slot kan het door [appellant] overgelegde keuringsrapport van de pony van 9 augustus 2024 en het expertiserapport van [naam dierenarts3] hem niet baten, omdat beide rapporten niets zeggen over de (medische) conditie van de pony op het moment van levering aan [geintimeerde] .
De conclusie van het vorenstaande is dat [appellant] er niet in is geslaagd om bewijs van het tegendeel te leveren. Voor het hof staat daarom vast dat de pony bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord.
3.9.
Ten onrechte verwijt [appellant] [geintimeerde] dat hij aan hem niet de mogelijkheid heeft geboden om het gebrek te herstellen. [geintimeerde] heeft op 8 augustus 2023 voor het eerst aan [appellant] gemeld dat de pony niet zuiver loopt. [appellant] heeft daarop voorgesteld dat [geintimeerde] met de pony bij hem langs zou komen voor onderzoek. Dat is niet gebeurd, naar het hof begrijpt om logistieke redenen en omdat [geintimeerde] daar geen vertrouwen in had. [geintimeerde] heeft geen trailer en niet is gebleken dat [appellant] heeft aangeboden om de pony (kosteloos) op te halen. Nadien heeft [geintimeerde] op 19 augustus 2023 via Whatsapp weer aan [appellant] gemeld dat de pony een onregelmatigheid heeft waarbij de pony niet zuiver loopt. Daarbij heeft [geintimeerde] dit aangemerkt als een verborgen gebrek dat de ontbinding van de koop rechtvaardigt en heeft hij verzocht aan [appellant] om dit samen af te ronden. Daarop heeft [appellant] niet gereageerd. Op 6 september 2023 schrijft [geintimeerde] aan [appellant] dat hij een belletje van [appellant] had verwacht en geen andere keuze heeft dan het uit handen te geven. Ook daarop is door [appellant] niet gereageerd. Vervolgens heeft zijn gemachtigde namens [geintimeerde] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden bij brief van 20 september 2023. Daarop heeft de gemachtigde van [appellant] bij e-mail van 22 september 2023 gereageerd met de mededeling dat geen sprake is van non-conformiteit. Uit het vorenstaande volgt dat [appellant] niet meer heeft gereageerd op de berichten van [geintimeerde] en op geen enkel moment (kosteloos) herstel heeft aangeboden, ook niet via zijn gemachtigde in reactie op de door [geintimeerde] ingeroepen ontbinding en nadat de dierenarts op 5 september 2023 de kreupelheid heeft vastgesteld. [appellant] heeft via zijn gemachtigde enkel de non-conformiteit betwist in zijn bericht van 22 september 2023. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat [appellant] niet bereid is geweest om binnen een redelijke termijn tot herstel over te gaan. Bij die stand van zaken komt [geintimeerde] de bevoegdheid toe om de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Dat geen sprake is geweest van een blijvend(e) gebrek/ongeschiktheid van de pony, zoals [appellant] in zijn eerste grief heeft aangevoerd staat gelet op de bevindingen van dierenarts [naam dierenarts2] niet vast, maar is bij deze stand van zaken niet (meer) relevant.
De conclusie
3.10.
Het hoger beroep slaagt niet en de vordering wordt afgewezen. Gelet op de uitkomst van de zaak heeft het hof geen behoefte meer aan overlegging van het filmpje van de proefrit dat ontbrak in het dossier (zie hiervoor 3.5.). Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [4]
3.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 juli 2024;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geintimeerde] :
€ 798,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van [geintimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Hoogland, L.A. de Vrey en M. Kool, is ondertekend door de oudste raadsheer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9228
2.HvJ EU 04-06-2015, ECLI:EU:C:2015:357.
3.Vgl. HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666
4.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.