In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een consumentenkoop van een pony. De appellant, die handelt onder de naam [naam1], heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, dat op 24 juli 2024 werd uitgesproken. De kern van de zaak betreft de koop van de pony [naam pony1] door de geintimeerde, die deze voor zijn dochter heeft aangeschaft. Na aflevering van de pony is door een dierenarts kreupelheid vastgesteld aan het rechter voorbeen. De geintimeerde heeft de koop buitengerechtelijk ontbonden, omdat hij meent dat het gebrek al aanwezig was ten tijde van de koop. De kantonrechter heeft de vorderingen van de geintimeerde grotendeels toegewezen, maar de appellant is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft de procedure in hoger beroep gevolgd, waarbij diverse stukken zijn ingediend, waaronder de dagvaarding, memorie van grieven en memorie van antwoord. Het hof heeft vastgesteld dat de kreupelheid zich binnen de wettelijke termijn van een jaar na aflevering heeft geopenbaard, wat volgens artikel 7:18a lid 2 BW betekent dat het gebrek vermoed wordt aanwezig te zijn geweest ten tijde van de koop. De appellant heeft in hoger beroep geen overtuigend bewijs kunnen leveren dat de pony ten tijde van de koop niet kreupel was. Het hof heeft de argumenten van de appellant, waaronder verwijzingen naar eerdere uitspraken, verworpen en geconcludeerd dat de pony niet aan de overeenkomst voldeed. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en de appellant veroordeeld in de proceskosten van de geintimeerde.