Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
.”
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 november 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak kocht verweerster op 4 december 2015 een paard van eiser voor €6.000. Het paard werd geleverd en voorafgaand aan de koop was een klinische en röntgenologische keuring zonder significante bevindingen uitgevoerd. Kort na de koop bleek het paard echter kreupel en niet geschikt als sportpaard, wat door een dierenarts werd vastgesteld. Verweerster stelde eiser aansprakelijk en vorderde ontbinding van de koopovereenkomst en schadevergoeding.
De kantonrechter ontbond de overeenkomst en veroordeelde eiser tot betaling van een deel van de koopsom en schadevergoeding. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat op grond van art. 7:18 lid 2 BW Pro bij consumentenkoop wordt vermoed dat het gebrek al bij aflevering bestond indien het binnen zes maanden aan het licht komt. Het hof oordeelde dat eiser tegendeelbewijs moet leveren om dit vermoeden te weerleggen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde dat het bewijsvermoeden richtlijnconform moet worden uitgelegd. De verkoper moet voldoende bewijs leveren dat het gebrek na aflevering is ontstaan. Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW wordt bevestigd.