Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak die voor maatschappelijke doeleinden wordt gebruikt. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2020 vast op € 2.045.000, gebaseerd op de gecorrigeerde vervangingswaardemethode inclusief btw, met onderbouwing via taxatierapporten en taxatiewijzers.
Belanghebbende betwistte de hoogte van de restwaarde van de opstallen en de grondwaarde. Zij stelde dat de restwaarde van de opstallen op 5% van de bruto vervangingswaarde moest worden gesteld in plaats van de hogere percentages uit de taxatiewijzers, en dat de grondwaarde te hoog was vastgesteld op € 165 per m² in plaats van € 120 per m².
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht de richtlijnen van de taxatiewijzers heeft gevolgd en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hiervan mocht worden afgeweken. Ook was de grondwaarde voldoende onderbouwd met vergelijkbare verkooptransacties. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het hof het gebruik van andere onderbouwingen in beroep toelaat en het beroep niet tot een hogere waarde kan leiden.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.