Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hof
uitzendkracht” in de zin van de Uitzendrichtlijn:
iedere persoon is die
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat centraal of Fortec Engineering B.V. onrechtmatig heeft gehandeld door zich te beroepen op een relatiebeding dat de indiensttreding van [appellante] bij de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) verhindert. Partijen sloten in 2016 een overeenkomst van opdracht waarbij [appellante] als zelfstandige werkzaamheden verrichtte bij ODRA. Na afloop van deze opdracht wilde [appellante] bij ODRA in dienst treden, maar Fortec beriep zich op het relatiebeding.
De Hoge Raad vernietigde eerder een arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden om te beoordelen of het belemmeringsverbod van artikel 9a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) van toepassing is. Dit verbod voorkomt dat een uitlener belemmeringen opwerpt voor een arbeidsovereenkomst tussen de arbeidskracht en de inlener na afloop van de terbeschikkingstelling.
Het hof beoordeelde of [appellante] kwalificeert als uitzendkracht die onder toezicht en leiding van de inlener werkte. Het hof concludeerde dat [appellante] haar stelling niet heeft onderbouwd en dat Fortec aannemelijk heeft gemaakt dat zij zelfstandig en zonder toezicht werkte. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het belemmeringsverbod en is het relatiebeding rechtsgeldig.
Omdat [appellante] geen andere feiten aanvoerde die wijzen op onrechtmatig handelen door Fortec, wees het hof haar vordering af en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Tevens werd zij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank; het relatiebeding is rechtsgeldig en Fortec heeft niet onrechtmatig gehandeld.