Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
25 januari 2022.
Hoge Raad
In deze zaak werd de verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor doodslag op zijn vriendin in Utrecht in 2019, waarbij hij haar zo hard tegen het hoofd sloeg en schopte dat ernstig hersenletsel ontstond. Het hof legde de maatregel van TBS met dwangverpleging op.
De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, maar stelde zelf geen cassatiemiddelen aan de orde. Volgens artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering moet een advocaat binnen een bepaalde termijn schriftelijk cassatiemiddelen indienen om het beroep ontvankelijk te maken.
Omdat aan deze verplichting niet was voldaan, verklaarde de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk. Er werd geen inhoudelijke beoordeling van de zaak gegeven. Het arrest werd gewezen door raadsheer E.S.G.N.A.I. van de Griend.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.