Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende
inspecteur van de Belastingdienst(hierna: de inspecteur).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2011 opgelegd, met een vergrijpboete en heffingsrente. Tegen deze aanslag en boete werd bezwaar gemaakt, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep eveneens niet-ontvankelijk verklaarde.
Het hof onderzocht of het beroep tijdig was ingediend en of de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De brief die als beroepschrift gold was volgens de inspecteur pas na de termijn ontvangen. Belanghebbende stelde dat de brief tijdig was verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken. Het hof bevestigde daarom de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de navorderingsaanslag.
Voor de boete geldt een andere bewijslastverdeling volgens oudere jurisprudentie, omdat het beroepschrift vóór 1 augustus 2019 was ingediend. De inspecteur kon niet aantonen dat de brief te laat was ontvangen, waardoor het beroep tegen de boete ontvankelijk is. Het hof wees deze zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling. Het hoger beroep tegen het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering werd ongegrond verklaard.
De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep bij het hof, vastgesteld op €525. De uitspraak werd op 7 april 2020 in het openbaar gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond voor de ontvankelijkheid van het beroep tegen de boete en terugverwezen naar de rechtbank, en ongegrond voor het beroep tegen de navorderingsaanslag.