ECLI:NL:GHARL:2019:7308
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen toelating wettelijke schuldsaneringsregeling
Appellante en haar echtgenoot hebben gezamenlijk een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft appellante toegelaten tot de regeling, terwijl het verzoek van haar echtgenoot is afgewezen. Appellante is in hoger beroep gekomen tegen haar toelating, met het verzoek het vonnis te vernietigen indien haar echtgenoot niet alsnog wordt toegelaten.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 292 lid 2 Fw Pro geen hoger beroep mogelijk is tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, tenzij sprake is van doorbrekingsgronden zoals onjuiste toepassing van de wet of essentieel vormverzuim. De rechtbank heeft geen essentieel vormverzuim begaan door appellante niet te vragen of zij haar verzoek wil handhaven indien haar echtgenoot wordt afgewezen.
De wet staat toe dat één echtgenoot wel en de ander niet wordt toegelaten, ook bij gemeenschap van goederen. De situatie van appellante en haar echtgenoot is niet afwijkend van andere gehuwden. De bezwaren van de beschermingsbewindvoerder over praktische problemen leiden niet tot doorbreking van het appelverbod. Het hof verklaart appellante daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.