Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[vennootschap 1]en
[vennootschap 1],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
In randnummer 28 van de conclusie van repliek valt niet te lezen dat de curator zich zijn recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt (er staat niet meer dan dat blijkens rechtspraak van de Hoge Raad de bank een bijzondere zorgplicht heeft die gezien haar maatschappelijke functie niet alleen geldt ten opzichte van haar klant, maar tevens ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt). Ook overigens is niet gebleken van stuiting overeenkomstig artikel 3:317 lid 1 BW Pro in de vijf jaar voorafgaand aan 9 oktober 2012. Deze nieuwe rechtsvordering is derhalve verjaard. De vraag of de brief van 27 juni 2006 stuitende werking had, kan onbeantwoord blijven, nu tussen die brief en 9 oktober 2012 meer dan vijf jaar is gelegen.
5.Slotsom
€ 4.836,-
€ 2.290,-(0,5 punt x tarief VIII)