Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1134

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
25/851
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2 Wet IB 2001Art. 3.4 Wet IB 2001Art. 3.6 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen winst uit onderneming en geen recht op ondernemersfaciliteiten

Belanghebbende had een eenmanszaak ingeschreven en gaf voor 2020 een belastbare winst uit onderneming aan van -€7.697, gebaseerd op een omzet van €203. De inspecteur kwalificeerde dit als resultaat uit overige werkzaamheden en liet ondernemersfaciliteiten buiten toepassing. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Hof.

Het Hof overwoog dat voor het bestaan van een onderneming sprake moet zijn van een duurzame organisatie gericht op deelname aan het economische verkeer met een objectieve winstverwachting. Belanghebbende had geen investeringen gedaan, geen duurzame organisatie opgezet en de uren waren grotendeels vrijwilligerswerk. De omzet was marginaal en er was geen aannemelijk bewijs voor ondernemersrisico of een realistisch bedrijfsplan.

Daarom concludeerde het Hof dat geen sprake was van winst uit onderneming en dat belanghebbende geen recht had op zelfstandigenaftrek, startersaftrek of MKB-winstvrijstelling. Het zorgvuldigheidsbeginsel was niet geschonden omdat de inspecteur voldoende tijd gaf voor het aanleveren van informatie en redelijkerwijs kon aannemen dat nadere informatie niet relevant was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat geen sprake is van winst uit onderneming en geen recht op ondernemersfaciliteiten bestaat.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 25/851
14 april 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Y] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 13 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/67 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.457, en heeft bij gelijktijdig gegeven beschikking een bedrag van € 193 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij haar uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Met toestemming van beide partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

2.Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft per 21 februari 2020 bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel een eenmanszaak onder de naam ‘ [bedrijf 1] ’ ingeschreven.
2.2.
Belanghebbende heeft over het jaar 2020 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 5.557. Naast een inkomen uit vroegere dienstbetrekking
van € 13.254 is een belastbare winst uit onderneming van - € 7.697 aangegeven. Belanghebbende heeft ingevuld dat zij een onderneming voor eigen rekening/risico heeft, die ‘ [bedrijf 1] ’ heet met als activiteiten ‘ Yoga lerares ’. Het bedrag van de belastbare winst uit onderneming bestaat uitsluitend uit een omzet van € 203; er zijn geen kosten vermeld en op de balans staan geen bedrijfsmiddelen. De belastbare winst uit onderneming is op basis van de door belanghebbende opgegeven gegevens als volgt berekend:
Fiscale winst € 203
Zelfstandigenaftrek € 7.030 -
Startersaftrek € 2.123 -
MKB-winstvrijstelling € 1.253 +
Belastbare winst € 7.697 -
2.3.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2020 tot en met 2024 als volgt aangifte IB/PVV gedaan:
2020
2021
2022
2023
2024
Winst uit onderneming
- € 7.697
x
x
x
x
Loon
x
x
€ 6.487
€ 17.616
€ 67.098
Loon uit vroegere dienstbetrekking
€ 13.254
€ 7.866
x
x
Resultaat uit overige werkzaamheden
x
x
x
€ 5.487
- € 3.709
2.4.
De inspecteur heeft bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 het verzamelinkomen vastgesteld op € 13.457. Hierbij heeft verweerder het bedrag van € 203 in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden en de ondernemersfaciliteiten buiten toepassing gelaten. De aanslagen IB/PVV 2021 tot en met 2024 zijn overeenkomstig de gedane aangiften vastgesteld.
2.5.
Na de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende het volgende uren-overzicht bij de inspecteur ingediend:
Activity
hours
details
Agile coach support
100
volunteer [bedrijf 7]
Yoga classes instructor
100
volunteer, rebase
[bedrijf 5] organiser
30
volunteer ( [naam 2] coach, meditation, yoga, nature, gathering, bandanas setup)
Standup comedian & storyteller
20
volunteer (face to face [bedrijf 13] and other cafes and shows online during covid)
Social Media
50
[bedrijf 11] - [bedrijf 12]
Photoshoots
60
[bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , shorts with [naam 1] ( meditation, promotion book, mead, self reflection )
[bedrijf 8]
50
Yoga for Empaths
Administration
80
Creating the company, documents, declaring taxes, invoices, setting up accounts, etc
Looking for clients
10
Yoga studios mostly face to face visits
Design brochures
5
Massage brochure, outbreakin, hatha, logo – [bedrijf 9]
Insight timer
10
Creating account, content
Medium content
20
Creating and publishing content, creating followers, sharing the content
[bedrijf 10] channel content
20
Recording, editing, publishing and sharing
Meditation course
100
[bedrijf 14]
Relaxation of the hours covid
720
1375
2.6.
Belanghebbende heeft verder vijf bladzijden aan schermafdrukken ingediend van:
  • enkele onlineprofielen;
  • 4 [bedrijf 10] -filmpjes van [bedrijf 1] ;
  • een lijst van 12 yoga-sessies van [bedrijf 1] , en van
  • de website [bedrijf 6] met daarop zelfgemaakt promotiemateriaal.

3.Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of belanghebbende winst uit onderneming geniet dan wel resultaat uit overige werkzaamheden. Daarnaast is in geschil of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.

4.De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende als ‘eiseres’ aangeduid en de inspecteur als ‘verweerder’):
“Winst uit onderneming
10. Artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bepaalt dat belastbare winst uit onderneming het gezamenlijke bedrag is van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen verminderend met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Wil er sprake zijn van winst uit onderneming dan dient er sprake te zijn van een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer met de bedoeling om voordeel te behalen en waarbij het voordeel ook redelijkerwijs te verwachten is. Dit betekent dat er naast een subjectief oogmerk om winst te behalen ook sprake moet zijn van een objectieve winstverwachting. Met de activiteiten moet redelijkerwijs voordeel te verwachten zijn. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelverwachting dient in beginsel te worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348).
Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming met een subjectief winstoogmerk en objectieve winstverwachting moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.
11. Op eiseres rust de last om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een door haar gedreven onderneming zoals hiervoor is omschreven.
12. (…)
13.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiermee niet aan haar bewijslast heeft voldaan om aannemelijk te maken dat sprake is van winst uit onderneming. De overgelegde bewijsstukken zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat er sprake is van een onderneming en ondernemersrisico. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd komt weliswaar naar voren dat zij deel wil nemen aan het economische verkeer met het oogmerk daarmee winst te behalen, maar naar het oordeel van de rechtbank kon met de door eiseres verrichte activiteiten het behalen van winst redelijkerwijs niet worden verwacht. De door eiseres verrichte activiteiten hebben in 2020 volgens de aangifte ib/pvv slechts een omzet van € 203 gegenereerd, en volgens de aangiften omzetbelasting van dat jaar € 467 aan omzet, zonder dat sprake is geweest van enige voor de onderneming gemaakte kosten. Eiseres heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat enige investering in de onderneming is gedaan, heeft slechts marginale marketing activiteiten ondernomen en nagenoeg geen ondernemers- of debiteurenrisico gelopen. In 2021 en 2022 heeft eiseres helemaal geen omzet gegenereerd of winst gerealiseerd. In 2023 heeft zij weliswaar een inkomen genoten van € 5.487 uit werkzaamheden, maar dit wordt in haar aangifte aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden en niet als winst uit onderneming. Dat in 2020 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting is daarmee niet aannemelijk gemaakt.
14. Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van winst uit onderneming, komt eiseres niet in aanmerking voor de toepassing van de ondernemersaftrekken. Of eiseres al dan niet voldoet aan het urencriterium behoeft dan geen behandeling meer, aangezien er voor de toepassing van de ondernemersaftrekken sprake moet zijn van werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit eiseres als ondernemer winst geniet (artikel 3.6 van de Wet IB 2001).
Schending zorgvuldigheidsbeginsel
15. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar had moeten wijzen op het feit dat het versoepelde urencriterium in verband met corona kon gelden. Nog afgezien van de vraag of deze verplichting op verweerder rust, was er geen reden om eiseres op het versoepelde urencriterium te wijzen aangezien er geen sprake is van een onderneming en het urencriterium daarmee niet relevant is. Deze klacht slaagt niet.
16. Eiseres stelt verder dat verweerder haar in de bezwaarfase geen uiterlijke termijn heeft gegeven om nadere informatie te verstrekken en dat voordat zij die informatie heeft kunnen verstrekken de uitspraak op bezwaar op 5 december 2023 zonder aankondiging is gedaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Redengevend hiervoor is dat eiseres zelf op 20 oktober 2023 aangeeft dat zij hoopt voor het eind van diezelfde maand informatie te kunnen verstrekken. Verweerder reageert op 24 oktober 2013 op dit bericht met de mededeling dat hij de informatie graag zo spoedig mogelijk tegemoet ziet. Hierna heeft verweerder niets meer vernomen van eiseres en heeft hij met dagtekening 5 december 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld, aangezien eiseres voldoende tijd heeft gehad om aanvullende informatie te verstrekken. Bovendien kon verweerder redelijkerwijs het standpunt innemen dat de nadere informatie betreffende de bestede uren niet relevant zou zijn voor zijn beslissing omtrent het ondernemerschap. ”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Iemand die als ondernemer winst uit onderneming geniet in fiscale zin, kan in aanmerking komen voor belastingfaciliteiten zoals de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Op die faciliteiten bestaat geen recht indien iemand geen onderneming in fiscale zin heeft, maar resultaat uit een werkzaamheid geniet.
5.2.
Indien iemand een onderneming wil gaan starten, zijn die intentie en het zich oriënteren op mogelijkheden niet genoeg om een onderneming in fiscale zin te hebben. Zoals de rechtbank op juiste wijze uiteen heeft gezet, gelden voor het bestaan van een onderneming bepaalde criteria (ro. 10 van de uitspraak van de rechtbank). Kort gezegd dient sprake te zijn van een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die door deelname aan het economische verkeer niet alleen winst beoogt te halen, maar ook redelijkerwijs kan verwachten.
5.3.
In het voorliggende geval is aan die criteria, ook naar het oordeel van het Hof, niet voldaan. Belanghebbende heeft geen bedrijfsinvesteringen gedaan en geen duurzame organisatie opgezet. De uren die zij aan werkzaamheden heeft besteed, zijn naar het Hof uit de ronde getallen opmaakt, globaal geschat en veelal omschreven als vrijwilligerswerk. Weliswaar is in geringe mate sprake van voorbereidende werkzaamheden, maar er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Belanghebbende heeft bijna geen omzet gegenereerd in het jaar 2020 en het is nergens uit af te leiden dat dit in de toekomst redelijkerwijs wel verwacht kan worden. Ook de cijfers van de in latere jaren ingediende aangiften IB/PVV (zie 2.3) laten zulks niet zien.
5.4.
Ook het Hof komt tot de conclusie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een onderneming had in het jaar 2020. Daarom heeft zij geen recht op de in 5.1 genoemde faciliteiten. De rechtbank hoefde dus – anders dan belanghebbende betoogt – niet te beoordelen of belanghebbende genoeg uren heeft gemaakt voor het toepassen van de zelfstandigenaftrek.
5.5.
Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden. In hoger beroep is hierover niets nieuws aan het licht gekomen. Het Hof neemt overwegingen 15 en 16 van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.
Slotsom
5.6.
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

6.Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, M.J. Leijdekker en A.M. van Amsterdam , leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: