Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1029

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
23-000175-26
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 359 SvArt. 27 SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen strafoplegging voor invoer van circa 2,8 kg cocaïne via Schiphol

De zaak betreft het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, waarin verdachte werd veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor het invoeren van ongeveer 2,8 kilogram cocaïne via Schiphol. De rechtbank had bij de straftoemeting afgeweken van de landelijke LOVS-oriëntatiepunten en lagere straffen gehanteerd vanwege de specifieke aard van koerierszaken en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging, die het vernietigt en vervangt door een gevangenisstraf van 24 maanden. Het hof baseert zich op de LOVS-oriëntatiepunten, die voor deze hoeveelheid cocaïne een straf van 24 tot 30 maanden voorschrijven, en houdt rekening met de schuldenproblematiek en financiële problemen van de verdachte als strafverminderende omstandigheden.

Het hof benadrukt dat de LOVS-oriëntatiepunten geen dwingend recht zijn, maar wel dienen ter bevordering van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid. Het hof wijst op de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter en het belang van een begrijpelijke motivering. De specifieke beleidswijziging van de rechtbank Noord-Holland wordt door het hof niet gevolgd, en het hof verwijst naar de Commissie Rechtseenheid voor eventuele aanpassing van de oriëntatiepunten.

De opgelegde straf zal volledig worden uitgevoerd in detentie, met aftrek van voorarrest. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 21 april 2026.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd voor invoer van circa 2,8 kilogram cocaïne, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000175-26
datum uitspraak: 21 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 januari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 15-223128-25 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 maart 2026 en 21 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2.Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voor de duidelijkheid overweegt het hof dat dit meebrengt dat de beslissingen in het vonnis omtrent de in beslag genomen goederen in stand blijven. Voorts vervangt het hof de strafmotivering door de navolgende overwegingen.

3.Oplegging van straf

3.1.
Inleiding
De onderhavige zaak is één van twaalf zaken die het hof op een zogeheten themazitting heeft behandeld. Deze themazitting is georganiseerd naar aanleiding van nieuw beleid van de rechtbank Noord-Holland bij de staftoemeting in zaken die zien op koeriers van (in- of uitgevoerde) harddrugs op de luchthaven Schiphol (hierna ‘koerierszaken’). [1] De rechtbank is in deze twaalf zaken in de straftoemeting in het voordeel van de verdachten afgeweken van de (landelijk vastgestelde) oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en zij heeft daarbij eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd. Dat nieuwe beleid houdt in dat de rechtbank op hieronder aangegeven wijze drie breder georiënteerde uitgangspunten hanteert in plaats van de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde negentien tredes (verderop in dit arrest weergegeven).
De rechtbank neemt in het nieuwe beleid bij een gewicht tot 1.500 gram aan gesmokkelde harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf; bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram een gevangenisstraf van 6 tot 24 maanden; en bij een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden. Deze straffen zijn aanzienlijk lager dan de straffen die in de LOVS-oriëntatiepunten bij vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden genoemd.
De reden voor voornoemde (beleidsmatige) aanpassing van de straftoemeting in koerierszaken heeft de rechtbank als volgt gemotiveerd:
“Ten aanzien van het hiervoor genoemde oriëntatiepunt [het hof begrijpt: met betrekking tot de in onderhavige zaak vastgestelde invoer van een hoeveelheid liggend tussen 2,3 tot 3,2 kilogram cocaïne, met als beste schatting 2,8 kilogram] overweegt de rechtbank dat daarin met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking wordt gebracht dat het bij de in/-uitvoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie, maar de rechtbank constateert wel dat al enige tijd een
disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de
luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden
opgelegd aan verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de
organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden
harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen
een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel
beperkt tot het enkele vervoer ervan. Desondanks worden deze drugskoeriers
verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan verdachten die worden berecht voor
de smokkel van, al dan niet in georganiseerd verband, grote hoeveelheden drugs. Deze
disbalans is in de afgelopen jaren vergroot door procesafspraken die regelmatig worden
gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van
grootschalige drugshandel. Bij procesafspraken is sprake van een tussen het openbaar
ministerie en de verdediging overeengekomen afdoeningsvoorstel dat – indien het door de
rechter wordt gevolgd – doorgaans leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de
gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd. In deze ontwikkelingen ziet de rechtbank
aanleiding om de straffen voor de drugskoeriers die op de luchthaven Schiphol worden
aangehouden te matigen. Voor deze matiging van de strafmaat ten opzichte van het oriëntatiepunt van het LOVS hanteert de rechtbank – voorlopige – nieuwe algemene
uitgangspunten. De rechtbank probeert met deze uitgangspunten ook te komen tot meer
maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in
veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke
omstandigheden en die (mede) onder invloed daarvan tot het plegen van hun misdrijf zijn
gekomen.”
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.
3.2.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het – naar het oordeel van het hof uitdrukkelijk onderbouwde – standpunt gesteld dat het nieuwe beleid van de rechtbank Noord-Holland niet gevolgd moet worden en dat het hof bij de straftoemeting in koerierszaken aansluiting dient te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd:
  • de LOVS-oriëntatiepunten zijn het resultaat van een zorgvuldig landelijk proces met als doel: gelijkheid, voorspelbaarheid en eenheid in de strafoplegging, en zij vormen een essentieel referentiekader voor de rechter bij het bepalen van proportionele en rechtvaardige straffen;
  • drugszaken lenen zich bij uitstek voor een afdoening middels landelijke oriëntatiepunten, er kan immers worden aangeknoopt bij de hoeveelheid verdovende middelen, het soort verdovende middel en de rol die een verdachte binnen de criminele keten heeft;
  • drugskoeriers komen niet alleen via Schiphol het land in en dienen bij alle rechtbanken en hoven op dezelfde wijze bestraft te worden;
  • de rechtbank legt nu, zonder aanziens des persoons, standaard lagere straffen op aan drugskoeriers, terwijl het de rechter al vrijstaat vanwege strafverzwarende of -verminderende omstandigheden van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken en dus maatwerk toe te passen;
  • de door de rechtbank genoemde scheefgroei tussen de bestraffing van drugskoeriers en straffen die in grote drugszaken worden opgelegd is niet concreet gemaakt;
  • procesafspraken zijn individueel van aard en toegespitst op de zaak en op de verdachte en kunnen niet als algemeen argument worden gebruikt om oriëntatiepunten voor alle zaken te verlagen;
  • buitenlandse koeriers komen in aanmerking voor strafonderbreking, onder de voorwaarde dat zij niet meer naar Nederland terugkeren, waardoor zij slechts de helft van de opgelegde gevangenisstraf uit hoeven te zitten, hetgeen een matigende werking op de straf heeft;
  • de wetgever heeft, gelet op de strafbedreiging, de invoer van drugs als een ernstig strafbaar feit gekwalificeerd, dat gepaard gaat met veel andere vormen van criminaliteit en grote gevolgen heeft voor de volksgezondheid. In de samenleving leeft de opvatting dat drugscriminaliteit zwaarder moet worden aangepakt, niet lichter. Zo is een wetsvoorstel ingediend om het strafmaximum voor drugssmokkel nog verder te verhogen;
  • Nederland heeft de internationaalrechtelijke verplichting (genoemd in o.a. het VN-drugsverdrag en het kaderbesluit van de Europese Unie (EU) 2004/757/AZ) om zich in te spannen drugssmokkel tegen te gaan, onder andere door straffen op te leggen die evenredig zijn aan de ernst van de strafbare feiten. Daarbij komt dat Nederland minder zwaar straft voor de in- en uitvoer van harddrugs dan een aantal andere EU-landen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, conform de LOVS-oriëntatiepunten (waarin voor de in- en uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 2.000 tot 3.000 gram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 24 tot 30 maanden als oriëntatiepunt is geformuleerd) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om de uitgangspunten van de rechtbank te volgen en de verdachte dezelfde straf op te leggen als de rechtbank heeft gedaan. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:
  • in de kolom ‘standaard’ in de LOVS-oriëntatiepunten wordt uitgegaan van personen die zich inlaten met drugssmokkel zonder dat zij daadwerkelijk een begrijpelijk financieel motief hadden en dit deden uit zelfverrijking, terwijl de verdachte een heel ander type is;
  • het is feitelijk lastig om vanwege persoonlijke omstandigheden van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken, rechters voelen zich daar in de praktijk behoorlijk aan gebonden;
  • er is sprake van scheefgroei tussen (ten eerste) de personen bedoeld in de ‘standaardcategorie’ en de personen die vanwege een schrijnende situatie dergelijke feiten plegen, (ten tweede) personen die verdacht worden van feiten als het onderhavige en uithalers van honderden kilo’s cocaïne en (ten derde) personen die verdacht worden van feiten als het onderhavige en verdachten die procesafspraken maken met het openbaar ministerie;
  • drugskoeriers die aangetroffen worden op Schiphol zijn niet te vergelijken met gevallen die elders in het land worden aangetroffen, nu op Schiphol koeriers komen met bepaalde kenmerken: zij nemen vaak kleinere hoeveelheden verdovende middelen mee en worden vaak vanwege financiële problemen gedwongen om dergelijke feiten te plegen.
De raadsman heeft het hof voorts verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte heeft gehandeld vanuit financiële problematiek en niet om een luxeleven te kunnen leiden.
3.4.
Overwegingen van het hof
3.4.1.
Algemeen
Het hof zal in deze overwegingen zaaksoverstijgend ook ingaan op aspecten die in andere zaken op deze themazitting door de verdediging van andere verdachten naar voren is gebracht.
Vooropgesteld dient te worden dat de rechter die over de feiten oordeelt over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Binnen de grenzen van de wet is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf met inbegrip van de strafsoort en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het (ten laste van de verdachte) bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen.
De grote mate van straftoemetingsvrijheid brengt evenwel ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee, dat hij met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging, en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging, inzicht geeft in de overwegingen die tot de opgelegde straf hebben geleid. [2] Tegen die achtergrond bevat het Wetboek van Strafvordering in artikel 359 leden Pro 5 en 6 enkele (algemene) motiveringsvoorschriften en in artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, het voorschrift dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. Uit deze wettelijke voorschriften vloeit voort dat het hof, gelet op de strafmotivering als geheel en in het licht van de uiteenlopende zienswijzen van de verdediging en het openbaar ministerie over het nieuwe beleid van de rechtbank Noord-Holland in koerierszaken, voldoende inzichtelijk dient te maken waarom het hof is gekomen tot zijn beslissing over de strafoplegging en welke de gronden zijn die daartoe hebben geleid,
Voorts dient te worden vooropgesteld dat de LOVS-oriëntatiepunten geen ‘recht’ zijn in de zin van het bepaalde in artikel 79 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Omdat zij geen (dwingend) recht vormen [3] , is de feitenrechter niet aan de LOVS-oriëntatiepunten gehouden en is de uitleg hiervan aan hem voorbehouden, zij het dat die uitleg en toepassing wel begrijpelijk dient te zijn. [4]
Bij dit laatste aanknopend, verdient hier verder opmerking dat blijkens de inleiding bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken het LOVS in 1998 een eerste aanzet heeft gegeven om consistentie in de straftoemeting te bevorderen. Besloten is om voor een aantal vaak voorkomende delicten een strafmaat (oriëntatiepunt) aan te geven waarop de rechter zich kan oriënteren bij de oplegging van de straf. Oriëntatiepunten komen tot stand na een inventarisatie van de praktijk van de straftoemeting en na consultatie van alle gerechten. De oriëntatiepunten worden op voorstel van de Commissie Rechtseenheid door het LOVS vastgesteld. Om te bevorderen dat de oriëntatiepunten en LOVS-afspraken voldoende blijven aansluiten bij de praktijk, worden zij periodiek geëvalueerd. [5]
Voor de in- en uitvoer van harddrugs, genoemd in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet, heeft de LOVS de volgende oriëntatiepunten (met toelichting) opgesteld en gepubliceerd [6] :
Trede
Gewicht (gram)*
Standaard
Organisatie
1.
0-10
1-3 weken GS ov
n.v.t.
2.
10-50
3-5 weken GS ov
n.v.t.
3.
50-100
5-7 weken GS ov
n.v.t.
4.
100-150
7-10 weken GS ov
n.v.t.
5.
150-200
10-12 weken GS ov
n.v.t.
6.
200-500
3-6 maanden GS ov
6-8 maanden GS ov
7.
500-1000
6-8 maanden GS ov
8-12 maanden GS ov
8.
1000-1500
8-12 maanden GS ov
12-24 maanden GS ov
9.
1500-2000
12-24 maanden GS ov
24-30 maanden GS ov
10.
2000-3000
24-30 maanden GS ov
30-36 maanden GS ov
11.
3000-4000
30-36 maanden GS ov
36-42 maanden GS ov
12.
4000-5000
36-38 maanden GS ov
42-45 maanden GS ov
13.
5000-6.000
38-40 maanden GS ov
45-48 maanden GS ov
14.
6.000-7.000
40-42 maanden GS ov
48-51 maanden GS ov
15.
7.000-8.000
42-44 maanden GS ov
51-54 maanden GS ov
16.
8.000-9.000
44-46 maanden GS ov
54-57 maanden GS ov
17.
9.000-10.000
46-48 maanden GS ov
57-60 maanden GS ov
18.
10.000-20.000
48-60 maanden GS ov
60-72 maanden GS ov
19.
> 20.000
> 60 maanden GS ov
> 72 maanden GS ov**
* 1 pil of 5 ml = 0,5 gram
** Het gewicht van de partij(en) verdovende middelen kan enorm oplopen. Gelet op deze diversiteit kan geen nader uitgewerkt oriëntatiepunt worden gegeven.
Categorie 1: standaard
Betreft alle daders (zowel in- als uitvoer) waarbij geen sprake is van de categorie 2 (organisatie).
Omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting:

zie de algemene oriëntatiepunten [7]

voor dit delict kan verder nog gedacht worden aan de volgende specifieke omstandigheden:
-
er is aantoonbaar sprake van bijzondere armoedige omstandigheden
-
er is sprake van een dader die duidelijk is misbruikt door de organisatie (te denken valt bijvoorbeeld aan daders met een beperkte intelligentie/grote naïviteit)
-
het betrekken van anderen bij de smokkel (vrienden, familie)
-
gebruikmaken van een dekmantel (bijvoorbeeld veinzen deel uit te maken van muziek-/dansgezelschap).
Categorie 2: organisatie
Betreft daders die enige rol in de organisatie spelen, als regelmatige koerier, controller of afhaler.
Omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting:

zie de algemene oriëntatiepunten

voor dit delict kan verder nog gedacht worden aan de volgende specifieke omstandigheden:
-
plaats in de smokkelorganisatie
-
omvang van de partij(en)
-
betrokkenheid bij de productie
-
het betrekken van anderen bij de smokkel (vrienden, familie)
-
hebzucht is de voornaamste beweegreden
Anders dan de rechtbank neemt het hof deze LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt in de straftoemeting. Het hof is namelijk van oordeel dat de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid (waaronder voorzienbaarheid) met het gebruik van deze oriëntatiepunten worden gediend.
Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de ‘koerierszaken’ en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen of voordoet tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in- of uitgevoerd en/of waarin de verdachte een andere (veelal grotere, organiserende) rol had. Indien deze door de rechtbank genoemde disbalans als meewegende factor in de straftoemeting zou moeten leiden tot aanpassing van de oriëntatiepunten, is het aan de Commissie Rechtseenheid om het LOVS daarover te adviseren; daarop zal het hof niet vooruitlopen door gebruik te maken van andere uitgangspunten dan de LOVS-oriëntatiepunten. Bij een (hernieuwde) doordenking van de oriëntatiepunten door de Commissie Rechtseenheid zou de gedachte kunnen worden betrokken van een oriënterend strafplafond (bijvoorbeeld van 40 maanden gevangenisstraf) voor de ‘koerierszaken’.
Daarbij komt dat het hof geen aanwijzingen heeft (verkregen) dat de Nederlandse samenleving in algemene zin milder over de straftoemeting in zaken betreffende harddrugs is gaan denken dan voorheen. Eerder lijkt het tegendeel het geval. Het hof wijst in dat verband op het op 7 maart 2025 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Opiumwet in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van het aanwezig hebben, de handel, de productie en de in- en uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst 1 bij de Opiumwet (‘verhoging strafmaxima grootschalige drugscriminaliteit)’ [8] , dat tot doel heeft om (ondermijnende) drugscriminaliteit strenger te normeren en de maximaal op te leggen straffen te verhogen. [9]
Het hof merkt in deze algemene beschouwingen tot slot op dat de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter expliciet wordt aanvaard in de LOVS-oriëntatiepunten, ook wat betreft de hierboven weergegeven oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Naast de hoeveelheid harddrugs kunnen immers onder meer de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de bepaling van de straf, evenals de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof benadrukt dat deze straftoemetingsfactoren er nu al toe kunnen leiden dat een (aanzienlijk) lagere straf wordt opgelegd dan de straf die in de LOVS-oriëntatiepunten voor de desbetreffende hoeveelheid gesmokkelde harddrugs wordt genoemd en dat (onder omstandigheden) ook andere strafmodaliteiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld kunnen komen, zodat maatwerk (nu al) in alle gevallen mogelijk is en blijft. Het hof plaatst daarbij wel de kanttekening dat de wijze waarop een straf mogelijk ten uitvoer zal worden gelegd, waaronder regelingen met betrekking tot strafonderbreking en voorwaardelijke invrijheidsstelling, in de regel geen rol speelt bij de straftoemeting.
3.4.2.
Toepassing op deze zaak
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 2,8 kilogram cocaïne, door deze (verstopt in voorwerpen) in een koffer en rugtas vanuit Brazilië naar Nederland te vervoeren. Cocaïne is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Gezien de hoeveelheid moet deze cocaïne bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en verhandeling. Met zijn handelen heeft de verdachte aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit.
Op de wijze zoals hiervoor uiteengezet, heeft het hof bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de straffen genoemd in de LOVS-oriëntatiepunten. Daarin wordt voor de invoer van 2.000 tot 3.000 gram harddrugs een gevangenisstraf voor de duur van 24 tot 30 maanden genoemd. Het hof neemt dit dan ook als uitgangspunt, hetgeen meebrengt dat het hof alleen een vrijheidsbenemende straf passend acht.
Het hof houdt in strafverminderende zin rekening met de omstandigheden dat bij de verdachte sprake is van schuldenproblematiek en dat hij door een auto-ongeluk financieel niet meer in het onderhoud van zijn gezin kon voorzien. Hierin ziet het hof aanleiding om aansluiting te vinden bij de ‘onderkant’ van de in de oriëntatiepunten genoemde bandbreedte.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

4.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen gevangenisstraf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

5.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 april 2026.

Voetnoten

1.Zie ook het persbericht van de Rechtbank Noord-Holland van 2 december 2025, https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/rechtbanken/rechtbank-noord-holland/nieuws/rechters-gaan-drugskoeriers-schiphol-lager-straffen.
2.Zie HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.
3.Vgl. onder meer HR 27 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236.
4.Zie HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114
6.Idem, pagina 36, deze oriëntatiepunten golden ook ten tijde van het plegen van het feit.
7.Idem, pagina’s 11-17, waarin onder meer strafverzwarende en strafmatigende omstandigheden zijn vermeld.
8.Voorstel van Wet,
9.Memorie van Toelichting,