ECLI:NL:GHAMS:2025:3668

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24/3276
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake douanerechten en terugbetaling op basis van vergissing van de inspecteur

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de inspecteur van de Douane tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank had geoordeeld dat de inspecteur een verzoek om terugbetaling van douanerechten van belanghebbende, [X] B.V., moest honoreren. De inspecteur had een uitnodiging tot betaling uitgereikt voor een bedrag van € 95.152,77, waarvan € 90.696,80 aan douanerechten. Belanghebbende had om terugbetaling van € 2.697,89 verzocht, maar dit verzoek werd door de inspecteur afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de afwijzing van het verzoek om terugbetaling onterecht was en droeg de inspecteur op dit bedrag terug te betalen. De inspecteur ging in hoger beroep, waarbij hij betoogde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat belanghebbende niet had kunnen ontdekken dat de inspecteur een vergissing had gemaakt. Het Hof oordeelde dat belanghebbende de vergissing van de inspecteur redelijkerwijze had kunnen ontdekken, en dat er geen recht op terugbetaling bestond. Daarnaast werd de verlengde verjaringstermijn van toepassing verklaard, en het Hof bevestigde dat de rechtbank op goede gronden had geoordeeld dat het doeltreffendheidsbeginsel niet in de weg stond aan deze termijnverlenging. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking had op de terugbetaling van douanerechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3276
11 december 2025
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Douane, de inspecteur,
alsmede op het incidenteel hoger beroep van
[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. Andringa)
tegen de uitspraak van 17 april 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/804 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1. de inspecteur, en
2. de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: de utb) uitgereikt voor een bedrag van € 95.152,77. Dit bedrag bestaat voor € 90.696,80 uit douanerechten en voor het overige (€ 4.455,97) uit rente op achterstallen.
Het tegen de utb gemaakte bezwaar is door de inspecteur bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.2.
Belanghebbende heeft voor één in de utb begrepen aangifte verzocht om terugbetaling van douanerechten ten bedrage van € 2.697,89. De inspecteur heeft het verzoek om terugbetaling bij beschikking afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de utb en tegen de beschikking op het verzoek om terugbetaling. De rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ten aanzien van de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de utb ongegrond;
- verklaart het beroep met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om terugbetaling gegrond;
- vernietigt de afwijzing van het verzoek om terugbetaling;
- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een bedrag van € 2.697,89 aan eiseres terug te betalen dan wel kwijt te schelden en rente te vergoeden ter zake van een terug te betalen bedrag;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde afwijzing van het verzoek om terugbetaling;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 562;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 938;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750 en,
- draagt verweerder op het griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
De inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:
- een (pro forma) incidenteel hoger beroep door belanghebbende;
- een verweerschrift en motivering van het incidenteel hoger beroep door belanghebbende;
- een reactie op het incidenteel hoger beroep door de inspecteur;
- de bijlagen (15 tot en met 19) behorende bij het hogerberoepschrift door de inspecteur.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiseres drijft een groothandel in diverse goederen, waaronder consumentenartikelen. In de jaren 2017, 2018 en 2019 heeft zij als direct vertegenwoordigde in totaal 41 aangiften voor het vrije verkeer gedaan van kniebeschermers van het type [type A] . Zij heeft de kniebeschermers telkens aangegeven onder GN-onderverdeling 9021 1010.
2. Op 1 november 2018 heeft een fysieke controle plaatsgevonden van de aangifte met MRN-nummer eindigend op [***] met aangiftedatum 30 oktober 2018. In de aangifte staat in vak 31 (Container): “TTNU8012897”. Verder staat in vak 31 (Omschrijving van de goederen): “orthopedische artikelen en toestellen, knee sit comfort”. In vak 33 (Goederencode) staat: “90211010” Deze aangifte is door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) als direct vertegenwoordiger van eiseres ingediend. [bedrijf 1] is een AEO-vergunninghouder. Bij de fysieke controle was de directeur van eiseres, de heer [persoon 1] , aanwezig. De bevinding en waarneming van de fysieke controle is als volgt:
“Container aangekomen met verzegeling R7120 intact. Gasdokter aanwezig, gasmeting valt net boven de toegestane waarde. Container is eerst 15 min geventileerd, daarna gasvrij verklaard, daarna is men gaan lossen. Goederen worden op 2 plaatsen gelost. Items waar het om gaat zullen doorgaan naar het bedrijf [bedrijf 2] te [plaats] . Goederen wel gecontroleerd en het volgende aangetroffen: 4 colli geopend inhoudende Kniebeschermers voor personen met gewrichtsproblemen in de knieën deze protectors zorgen ervoor dat de druk verdeeld word(t) over de schenen en dat de knieën worden ontlast. verder geen bijzonderheden aangetroffen.”
In het verslag van de fysieke controle is verder onder “toelichting” opgenomen: “vak 31, 33 conform”.
De goederen zijn na de fysieke controle op 1 november 2018 vrijgegeven.
3. In 2020 heeft een administratieve controle plaatsgevonden door verweerder naar de aanvaardbaarheid van de in totaal 41 aangiften. In het controlerapport van 18 november 2020 staat onder meer het volgende:

6.2 Juistheid van de indeling in het Gebruikstarief
De ingevoerde producten zijn ergonomische kniebeschermers die de knie en het onderbeen tijdens het knielen ondersteunen en beschermen. Zij voorkomen pijnlijke knieën, voeten en rug. De kniebeschermers worden voornamelijk gebruikt door personen die regelmatig op hun knieën werken, waaronder tegelzetters, bouwvakkers, stratenmakers, hoveniers, stukadoors, loodgieters, parketleggers, verwarmings- en servicemonteurs. De kniebeschermers zijn zeer slijtvast doordat de buitenzijde is gemaakt van polyethyleen. Ook zijn zij waterdicht. De kniebeschermers zijn voorzien van elastieken banden met klittenband. Voor de kniebeschermers zijn losse elastieken met klittenband en beschermkappen, die ervoor zorgen dat er geen zand of ander vuil in de kniebeschermer zal komen, verkrijgbaar. De kniebeschermers van het type [type A] zijn geschikt voor gebruik in een werkbroek. Daarnaast zijn deze voorzien van een waterdichte en ademende stof voor optimale vochtregulering.
(…)
De ingevoerde kniebeschermers kunnen niet aan een specifieke handicap van een patiënt worden aangepast, maar zijn multifunctioneel. In dat verband vertoont de kniebeschermer geen kenmerken die het, door de wijze waarop het wordt gebruikt of waarop het kan worden aangepast aan specifieke handicaps van een patiënt, onderscheiden van gewone ondersteunende artikelen voor algemeen gebruik. Daarbij is hier geen sprake van patiënten, maar van onder andere personen werkzaam in de bouw die de kniebeschermers gebruiken ter ondersteuning van hun werkzaamheden. Indeling onder post 90.21 als orthopedische artikelen en toestellen is daarom uitgesloten.
(…)
6.3
Conclusie
De goederen zijn onjuist ingedeeld en het douanetarief is onjuist aangegeven. De goederen moeten Taric-code 3926 9097 90 als “andere artikelen van kunststof, zijnde kniebeschermers” met een douanetarief van 6,5% ingedeeld worden. Ik corrigeer de invoeraangiften.
(…)

7.Recapitulatie van het onderzoek

7.1
Correctie
De controle geeft aanleiding tot onderstaande financiële correctie.
Na te vorderen:
Middel
2017
2018
2019
Totaal
A00 DOUANERECHTEN OP INDUSTRIELE PRODUCTEN
€ 29.337,96
€ 37.905,12
€ 23.453,72
€ 90.696,80
De douaneschuld bij invoer is ontstaan op grond van artikel 77 lid 1, Verordening (EU) nr. 952/2013 (hierna: DWU). Voor een berekening van de correctie op aangifteniveau verwijs ik naar bijlage 2 bij dit controlerapport.
(…)”
4. In bijlage 2 bij het controlerapport staat onder meer de volgende informatie:
Volgnummer
Aanvaardingsdatum
Correctie
1
5 januari 2017
€ 2.553,59
2
7 februari 2017
€ 2.151,70
3
27 februari 2017
€ 3.338,27
4
21 april 2017
€ 3.994,77
5
20 juni 2017
€ 2.791,95
6
17 juli 2017
€ 2.741,64
7
8 september 2017
€ 1.936,54
8
22 september 2017
€ 1.546,69
9
11 oktober 2017
€ 983,64
10
6 november 2017
€ 970,10
11
22 november 2017
€ 2.212,62
(…)
Volgnummer
Aanvaardingsdatum
Correctie
26
30 oktober 2018
€ 2.697,89
5. De totale correctie van de aangiften met volgnummers 1 tot en met 11 is € 25.221,51. De aangifte met volgnummer 26 ziet op de hiervoor onder 2 genoemde aangifte van 30 oktober 2018.
6. Naar aanleiding van de controle heeft verweerder de utb uitgereikt.”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3.Geschil in hoger beroep

3.1.
Het principaal hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen de beslissing van de rechtbank dat het verzoek om terugbetaling op grond van artikel 119 DWU moet worden toegewezen voor een bedrag van € 2.697,89.
3.2.
Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de verlengde verjaringstermijn kan worden toegepast op de aangiften die zijn gedaan vóór 30 november 2017 (ten bedrage van in totaal € 25.221,51, zie feiten rechtbank, punten 4 en 5).

4.Juridisch kader

4.1.
Artikel 103, leden 1 en 2 van het DWU luiden als volgt:
“1. De mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar vindt plaats binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.
2. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, wordt de in lid 1 vastgestelde termijn van drie jaar in overeenstemming met het nationaal recht verlengd tot minimaal vijf en maximaal 10 jaar.”
4.2.
Artikel 116, lid 1, aanhef en onder c van het DWU luidt:
“1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:
(…)
c) vergissing van de bevoegde autoriteiten;
(…)”
4.3.
Artikel 119, lid 1, van het DWU luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en in de artikelen 117, 118 en 120 genoemde gevallen, wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten terugbetaald of kwijtgescholden wanneer, als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, het met de oorspronkelijk meegedeelde douaneschuld overeenkomende bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a.
a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken; en
b) de schuldenaar heeft te goeder trouw gehandeld.”
4.4.
Artikel 7:7 van de Algemene douanewet (hierna: Adw) luidt als volgt:
“Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die, indien deze in Nederland zou zijn verricht, strafrechtelijk vervolgbaar was, kan de toezending van het aanslagbiljet geschieden binnen vijf jaren nadat de douaneschuld is ontstaan.”
4.5.
Artikel 10:5, lid 1, onderdeel a, van de Adw luidde tot 1 juli 2024, voor zover van belang, als volgt:
“1. Degene die:a. een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte onjuist of onvolledig doet;(…)wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.(…)3. Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in het eerste lid, onderdeel a of b, onder 3°, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten.”
4.6.
Artikel 10:5, lid 4, luidt met ingang van 1 juli 2024 als volgt:
“4. Degene die een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig doet wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten.”
4.7.
Post 9021 van de GN luidt, voor zover hier van belang:
4.8.
Post 3926 van de GN luidt:

5.Beoordeling van het geschil

Recht op terugbetaling - artikel 119 DWU
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een vergissing van de inspecteur als bedoeld in artikel 116, lid 1, onder c, en artikel 119 van het DWU (zie 4.2 en 4.3): de inspecteur had de aangifte met MRN-nummer eindigend op [***] , na de door hem op 1 november 2018 uitgevoerde fysieke controle, moeten corrigeren, omdat de aangegeven goederencode 9021 1010 (zie 4.7) onjuist is. Evenmin is tussen partijen in geschil dat indeling van de kniebeschermers dient plaats te vinden in post 3926, meer in het bijzonder in onderverdeling 3926 9097 (zie 4.8). Partijen houdt enkel verdeeld of de vergissing van de inspecteur van dien aard is dat belanghebbende deze redelijkerwijze niet kon ontdekken.
5.2.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten redelijkerwijze kon worden ontdekt, moet worden gelet op (1) de aard van de vergissing, (2) de beroepservaring van de betrokken ondernemers en (3) de mate van de door hen betrachte zorgvuldigheid (HvJ 18 oktober 2007, Agrover, C‑173/06, ECLI:EU:C:2007:612, punt 32). In voornoemd arrest heeft het Hof van Justitie bovendien gepreciseerd dat de “aard van de vergissing” afhankelijk is van (a) de complexiteit van de betrokken regeling en (b) hoelang de douaneautoriteiten aan hun onjuiste zienswijze zijn blijven vasthouden. In zijn arrest van 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods, C-38/07, ECLI:EU:C:2008:641, heeft het Hof van Justitie hier nog aan toegevoegd dat bij toetsing van de voormelde criteria de beroepservaring van de direct vertegenwoordiger (in casu [bedrijf 1] , hierna: [bedrijf 1] ) aan de importeur dient te worden toegerekend.
5.3.
Ten aanzien van de aard van de vergissing overweegt het Hof dat belanghebbende de goederen telkenmale heeft aangegeven onder post 9021, in onderverdeling 9021 1010, als “orthopedische artikelen en toestellen”. In aantekening 6 op hoofdstuk 90 van de GN is gedefinieerd wat in post 9021 wordt verstaan onder “orthopedische artikelen en toestellen”:
“Voor de toepassing van post 9021 worden als „orthopedische artikelen en toestellen” aangemerkt, artikelen en toestellen die dienen voor:
- hetzij het voorkomen of verhelpen van lichamelijke misvormingen;
- hetzij het ondersteunen of op hun plaats houden van delen van het lichaam na ziekte, een operatie of een blessure.”
Reeds op grond van deze niet voor tweeërlei uitleg vatbare definitie van het begrip “orthopedische artikelen en toestellen” had het voor [bedrijf 1] , als professionele marktdeelnemer, duidelijk moeten zijn dat de kniebeschermers, die zijn bedoeld voor algemeen gebruik, daaronder niet kunnen worden begrepen. Kniebeschermers beschermen de knieën en voorkomen daarmee mogelijk pijnlijke knieën of knieblessures, maar geen “lichamelijke misvormingen”.
5.4.
Zo aantekening 6 nog onvoldoende duidelijk mocht zijn, is voor een professionele marktdeelnemer in elk geval door raadpleging van de GN-toelichting op onderverdeling 9021 1010 eenvoudig kenbaar dat kniebeschermers niet onder deze post thuis horen. In genoemde toelichting, die reeds op 8 april 2017 in het publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd (Pb 8.4.2017, 2017/C 111/05), is immers bepaald dat enkel van “orthopedische artikelen en toestellen” sprake is indien het product een specifieke beweging van het gebrekkige of gehandicapte lichaamsdeel (bijvoorbeeld gewrichten, ligamenten of pezen) volledig onmogelijk maken. De onderwerpelijke kniebeschermers maken geen beweging van een lichaamsdeel onmogelijk, zij zorgen er enkel voor dat op comfortabele wijze op de knieën kan worden gewerkt. Dit heeft (de direct vertegenwoordiger van) belanghebbende ook in haar aangifte tot uitdrukking gebracht: zij heeft, naast de bewoordingen van de post (“orthopedische artikelen en toestellen”), als goederenomschrijving vermeld: “KNEE SIT COMFORT”.
5.5.
Tot slot stelt het Hof vast dat de op 1 november 2018 gecontroleerde aangifte de eerste aangifte voor kniebeschermers was die aan een controle werd onderworpen. Van een langdurig vasthouden aan een onjuiste zienswijze door de inspecteur is derhalve geen sprake.
5.6.
Gelet op het vorenoverwogene had belanghebbende de vergissing van de inspecteur redelijkerwijze kunnen ontdekken, zodat geen aanspraak bestaat op een terugbetaling van de geheven douanerechten op de voet van artikel 116, lid 1, aanhef en onder c, en artikel 119 van het DWU. Het principaal hoger beroep van de inspecteur slaagt derhalve.
Verlengde verjaringstermijn - doeltreffendheidsbeginsel
5.7.
De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 17, 18 en 19 van de bestreden uitspraak geoordeeld dat in het onderwerpelijke geval de verlengde verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is, gelet op het bepaalde in de artikelen 103, lid 2, van het DWU en de artikelen 7:7 en 10:5 van de Algemene douanewet (Adw). Dit wordt door belanghebbende als zodanig niet betwist in hoger beroep. Wel bestrijdt zij het oordeel van de rechtbank (in r.o. 21 van de bestreden uitspraak) dat het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel niet aan deze termijnverlenging in de weg staat. De rechtbank heeft in deze overweging het volgende geoordeeld:
“21. Onder het doeltreffendheidsbeginsel moet worden verstaan dat de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt [zie onder meer r.o. 23 van het arrest van het HvJ EU van 18 oktober 2012, ECLI:EU:C:2012:639, nr. C-603/10 (Pelati) en r.o. 33 van het arrest van het HvJ EU van 13 maart 2014, ECLI:EU:C:2014:140, nrs. C-29/13 en C-30/13 (Global Trans Lodzhistik OOD)]. In artikel 103, eerste lid, van het DWU staat dat de mededeling van een douaneschuld plaatsvindt binnen een termijn van drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Op deze termijn geldt de in artikel 103, tweede lid, van het DWU vermelde uitzondering. Als het gaat om een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, wordt in overeenstemming met het nationale recht, de termijn verlengd tot minimaal vijf en maximaal 10 jaar. In de Nederlandse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU, staat: “
vervolgbaar” en in de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU staat: “
was liable to give rise to criminal court proceedings”. Uit zowel de Nederlandse als de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU, volgt derhalve dat het een mogelijkheid tot strafvervolging betreft. Dat bij het feitelijk niet strafrechtelijk vervolgen de navorderingstermijn niet zou mogen worden verlengd, volgt niet uit de Nederlandse versie en ook niet uit de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU. Een indicatie dat in artikel 103, tweede lid, van het DWU een onderscheid tussen het opzettelijk en niet opzettelijk doen van onjuiste aangifte dient te worden gemaakt ontbreekt. Het Unierecht geeft niet meer rechten dan de rechten die voortvloeien uit het Nederlandse recht met betrekking tot de navorderingstermijn. Uit het Unierecht vloeit dan ook niet voort dat aanspraak kan worden gemaakt op een termijn van drie jaar indien een onjuiste aangifte het gevolg is van een vergissing. Het voorgaande betekent dat het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel niet is geschonden.”
5.8.
De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel in haar rechtsoverweging 21 op goede gronden, die het Hof tot de zijne maakt, een juiste beslissing genomen. Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Verlengde verjaringstermijn – lex mitior-beginsel
5.9.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat in het onderwerpelijke geval ook het lex mitior-beginsel, zoals neergelegd in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en 7 EVRM, aan toepassing van de verlengde verjaringstermijn in de weg staat. Omdat inmiddels, door een wetswijziging per 1 juli 2024, het niet-opzettelijk doen van een onjuiste aangifte niet (meer) strafbaar is, geldt dit ook voor de in 2017 door belanghebbende ingediende onjuiste aangiften en kan de verjaringstermijn daarom niet (meer) worden verlengd, aldus belanghebbende.
5.10.
Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. In artikel 103, lid 2, van het DWU is bepaald dat de verlengde verjaringstermijn van toepassing is (onderstreping Hof):
“wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling dieop het tijdstip dat zij werd verrichtstrafrechtelijk vervolgbaar was”. Hieruit volgt dat de strafrechtelijke vervolgbaarheid ex tunc dient te worden beoordeeld.
Daar komt bij dat de nationale wetgever, om op dit punt elk misverstand te voorkomen, in artikel VIII van de wet ‘Overige fiscale maatregelen 2024’ (Staatsblad 2023, 501), naar het Hof voorkomt ten overvloede, het volgende heeft bepaald:
“De Algemene douanewet zoals die wet luidde op 30 juni 2024 blijft voor douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 juli 2021 van toepassing voor wat betreft de toepassing van artikel 103 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) wanneer uit een douanecontrole in verband met een douaneschuld blijkt dat de betreffende boeking moet worden herzien.”
Voor de toepassing van de verlengde verjaringstermijn geldt dus ook thans nog de tekst zoals die luidde vóór 1 juli 2024.
5.11.
Gelet op het overwogene onder 5.7 tot en met 5.10, alsmede gelet op de omstandigheid dat de verlengde navorderingstermijn niet een aangelegenheid is die valt binnen de reikwijdte van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of artikel 7 van het EVRM, faalt het incidenteel hoger beroep van belanghebbende.
Slotsom
5.12.
De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is en dat het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de beschikking op het verzoek om terugbetaling betreft.

6.Kosten

6.1.
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Enkel dient de door de rechtbank toegekende kostenvergoeding te worden herrekend, omdat deze vergoeding alleen nog haar grond vindt in de toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Het Hof stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van het beroep nader vast op 1 punt x 0,25 x € 907 = € 227. Om redenen van eenvoud dienen de inspecteur en de Staat ieder de helft van dit bedrag (€ 113,50) te vergoeden. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergoeding van het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 365 : 2 = € 182,50; vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567).

7.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep ongegrond, zowel ten aanzien van de uitspraak op bezwaar tegen de utb als ten aanzien van de beschikking op het verzoek om terugbetaling;
  • veroordeelt de inspecteur voor het beroep in eerste aanleg tot een vergoeding van immateriële schade van € 562, een vergoeding van de proceskosten van € 113,50 en een vergoeding van het griffierecht van € 182,50;
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) voor het beroep in eerste aanleg tot een vergoeding van immateriële schade van € 938, een vergoeding van de proceskosten van € 113,50 en een vergoeding van het griffierecht van € 182,50.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 11 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.