Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
6.2 Juistheid van de indeling in het Gebruikstarief
7.Recapitulatie van het onderzoek
3.Geschil in hoger beroep
4.Juridisch kader
a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken; en
5.Beoordeling van het geschil
vervolgbaar” en in de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU staat: “
was liable to give rise to criminal court proceedings”. Uit zowel de Nederlandse als de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU, volgt derhalve dat het een mogelijkheid tot strafvervolging betreft. Dat bij het feitelijk niet strafrechtelijk vervolgen de navorderingstermijn niet zou mogen worden verlengd, volgt niet uit de Nederlandse versie en ook niet uit de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU. Een indicatie dat in artikel 103, tweede lid, van het DWU een onderscheid tussen het opzettelijk en niet opzettelijk doen van onjuiste aangifte dient te worden gemaakt ontbreekt. Het Unierecht geeft niet meer rechten dan de rechten die voortvloeien uit het Nederlandse recht met betrekking tot de navorderingstermijn. Uit het Unierecht vloeit dan ook niet voort dat aanspraak kan worden gemaakt op een termijn van drie jaar indien een onjuiste aangifte het gevolg is van een vergissing. Het voorgaande betekent dat het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel niet is geschonden.”
“wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling dieop het tijdstip dat zij werd verrichtstrafrechtelijk vervolgbaar was”. Hieruit volgt dat de strafrechtelijke vervolgbaarheid ex tunc dient te worden beoordeeld.
6.Kosten
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep ongegrond, zowel ten aanzien van de uitspraak op bezwaar tegen de utb als ten aanzien van de beschikking op het verzoek om terugbetaling;
- veroordeelt de inspecteur voor het beroep in eerste aanleg tot een vergoeding van immateriële schade van € 562, een vergoeding van de proceskosten van € 113,50 en een vergoeding van het griffierecht van € 182,50;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) voor het beroep in eerste aanleg tot een vergoeding van immateriële schade van € 938, een vergoeding van de proceskosten van € 113,50 en een vergoeding van het griffierecht van € 182,50.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.