Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
a. artikel 9 van Pro de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst zal vernietigen, althans in plaats van de vernietiging uit te spreken de overeenkomst zodanig aan te passen dat het (dwalings)nadeel voor [appellant] daardoor wordt opgeheven, althans voor recht te verklaren dat een beroep van [geïntimeerde] op voornoemd artikel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid;
b. [geïntimeerde] zal veroordelen tot vergoeding van de schade van [appellant] , op te maken bij staat;
d. [geïntimeerde] zal veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van beide instanties, althans in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest.
3.Feiten
With respect to the disability insurance, the Company will maintain the home country disability insurance. The existing coverage will be increased to include the host country. (…). The extent of the cover is determined by the insurance which is taken out. In no circumstances can the Company be held liable for claim, damages etc. which are not (fully) covered by this insurance”.
Het (parttime) jaarloon per verzekerde is het jaarloon dat werkgever aan de belastingdienst opgeeft voor de rubriek ‘Loon voor de werknemersverzekeringen’(…). Welk maximum van toepassing is, kunt u vinden op het polisblad.”
“(…) Op basis van de salarisstroken heeft ASR de casus beoordeeld. Ze gaan uit van de loonstrook 2018 met een 4 wekelijks salaris van € 12.422,88 als ze dat vermenigvuldigen met 13 periodes + 8 % vakantietoeslag dan komen ze uit op € 174.417. Dat salaris was destijds ook bij hen bekend. De loonstroken van 2019 zijn dus niet meegenomen. Hier worden de inhoudingen voor de excedent verzekering ook alleen gedaan over het Nederlandse loon. We hebben hier dus geen sterke casus. (…)”.
“(…) De VSO is akkoord. (…). Resteert de kwestie van ASR (opgave inkomen). Die staat los van de afspraken die we nu maken (…) maar het moet nog wel worden opgelost en – zonodig – rechtgezet. Het is op dit moment nog niet duidelijk of daar de juiste informatie terecht is gekomen die van belang is voor de hoogte van de uitkering.”
Dank voor uw brief maar bevat nog steeds de verkeerde bedragen (…). In onderstaande email staat het juiste verzekerde bedrag a 193.952,80.”
Nu mijn arbeidsongeschiktheid (uitkering) is ingetreden ben ik op zoek naar de (aangeleverde) onderbouwing van mijn uitkering. Deze heb ik nooit ontvangen (…)”. ASR heeft [appellant] in reactie daarop laten weten dat de uitkering is gebaseerd op het salaris van € 193.952,80 dat [geïntimeerde] in het ASR-portaal heeft ingevoerd.
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grief I en II) en met het oordeel van de kantonrechter dat zijn vordering onder het finale kwijtingsbeding valt (
grief III). Verder bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat hij niet heeft gedwaald (
grief IV) en komt hij op tegen de beslissing om de proceskosten te compenseren (
grief V).
, toevoeging hof] dat aan de Belastingdienst opgeeft voor de rubriek “Loon voor werknemersverzekeringen, tenzij wij schriftelijk met u een ander loonbegrip hebben afgesproken”. Van een dergelijke afwijkende afspraak is niet gebleken. Partijen zijn het erover eens dat het bij de bepaling van het jaarloon gaat om de referteperiode van 12 augustus 2018 tot 11 augustus 2019. Het is weliswaar zo dat het UWV vervolgens op basis van die gegevens het sv-loon voor de WIA-uitkering vaststelt, maar dat betekent niet dat (in de polisvoorwaarden is bepaald dat) het bij ASR verzekerd loon daarop is gebaseerd. Dat [appellant] in een e-mail van 6 mei 2021 zelf heeft bevestigd dat de berekening van het UWV leidend is, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, doet daaraan niets af. Gelet hierop kan in het midden blijven of het toekenningsbesluit van UWV formele rechtskracht heeft, zoals [geïntimeerde] heeft betoogd.