Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
(…)
€ 1.214,00(tarief II, 1 punt)
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak ging het om de effectenleaseovereenkomsten die door de afnemer met een rechtsvoorgangster van Dexia waren gesloten. De effectenleaseovereenkomsten waren beëindigd waarna Dexia eindafrekeningen had opgesteld. De geïntimeerde, echtgenoot van de afnemer ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten, had deze vernietigd op grond van artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro.
Dexia stelde zich op het standpunt dat de vordering van de geïntimeerde uit onverschuldigde betaling was verjaard. De geïntimeerde stelde dat de verjaring tijdig was gestuit door brieven van Leaseproces, gemachtigd namens haar op te treden. Het hof oordeelde dat de brieven van Leaseproces, waaronder die van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016, voldoen aan de vereisten van artikel 3:317 BW Pro en dat Dexia niet tijdig om bewijs van volmacht heeft gevraagd, zodat artikel 3:71 BW Pro niet van toepassing is.
Het hof concludeerde dat de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig was gestuit en verwierp het verjaringsverweer van Dexia. Hiermee werd het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, waarbij Dexia werd veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten had ontvangen en tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten en verwerpt het verjaringsverweer van Dexia.