ECLI:NL:GHAMS:2025:3203
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep wegens intrekking
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 6 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van 3 december 2024, maar op 20 mei 2025 heeft de raadsman van de verdachte een e-mail gestuurd naar de griffie van de rechtbank met een volmacht tot intrekking van het hoger beroep. Tijdens de rolzitting op 21 mei 2025 waren de verdachte en zijn raadsman niet aanwezig, maar de advocaat van de benadeelde partij was wel aanwezig. Het hof heeft besloten de zaak inhoudelijk te behandelen, ondanks het ontbreken van de akte van intrekking.
Het hof heeft vastgesteld dat het hoger beroep tijdig is ingetrokken, maar dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep al was begonnen. Hierdoor kon het hof het hoger beroep niet als ingetrokken beschouwen. Gezien de omstandigheden en de e-mailcorrespondentie met de raadsman, de advocaat van de benadeelde partij en de advocaat-generaal, heeft het hof besloten de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, in lijn met de vordering van de advocaat-generaal.
De beslissing van het hof is dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, wat betekent dat de zaak niet verder in behandeling wordt genomen. Dit arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 november 2025.