ECLI:NL:GHAMS:2025:3203

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
23-002870-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep wegens intrekking

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 6 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van 3 december 2024, maar op 20 mei 2025 heeft de raadsman van de verdachte een e-mail gestuurd naar de griffie van de rechtbank met een volmacht tot intrekking van het hoger beroep. Tijdens de rolzitting op 21 mei 2025 waren de verdachte en zijn raadsman niet aanwezig, maar de advocaat van de benadeelde partij was wel aanwezig. Het hof heeft besloten de zaak inhoudelijk te behandelen, ondanks het ontbreken van de akte van intrekking.

Het hof heeft vastgesteld dat het hoger beroep tijdig is ingetrokken, maar dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep al was begonnen. Hierdoor kon het hof het hoger beroep niet als ingetrokken beschouwen. Gezien de omstandigheden en de e-mailcorrespondentie met de raadsman, de advocaat van de benadeelde partij en de advocaat-generaal, heeft het hof besloten de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, in lijn met de vordering van de advocaat-generaal.

De beslissing van het hof is dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, wat betekent dat de zaak niet verder in behandeling wordt genomen. Dit arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 november 2025.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002870-24
datum uitspraak: 6 november 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-187583-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
adres: [adres] .

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hof stelt vast dat op 21 mei 2025 in de onderhavige zaak een rolzitting heeft plaatsgevonden. De avond voor de rolzitting, op 20 mei 2025 om 22.40 uur, heeft de raadsman van de verdachte een e-mailbericht toegezonden aan de griffie van de rechtbank, inhoudende een volmacht tot het intrekken van het hoger beroep met het verzoek ter zake een akte op te maken.
Op de rolzitting, waar de verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen, maar de advocaat van de benadeelde partij wel, beschikte het hof niet over de akte intrekking en heeft het hof – gehoord de advocaat-generaal en de advocaat van de benadeelde partij – beslist dat de zaak inhoudelijk diende te worden behandeld, gelet op het door de advocaat van de benadeelde partij ter zitting aangevoerde belang.
Gelet evenwel op voornoemd, daags voor de rolzitting verzonden e-mailbericht van de raadsman, bevattende een volmacht intrekking hoger beroep, en de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt [1] , moet worden vastgesteld dat – achteraf gezien – met dit e-mailbericht het hoger beroep tijdig is ingetrokken.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft echter reeds een aanvang genomen met de rolzitting op 21 mei 2025 en kan door het hof niet ongedaan worden gemaakt. Het hof heeft derhalve geen mogelijkheid het hoger beroep als ingetrokken te beschouwen, zoals primair door de raadsman van de verdachte is verzocht. Gelet op het voorgaande en gezien de e-mailcorrespondentie met de raadsman van de verdachte, de advocaat van de benadeelde partij en de advocaat-generaal voorafgaand aan de zitting in hoger beroep van 6 november 2025, waaruit volgt dat er geen belangen meer zijn, zal het hof de verdachte evenwel met toepassing van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het subsidiaire verzoek van de raadsman van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. M. Iedema en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2025.

Voetnoten

1.HR 16 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:369) en HR 15 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1618).