ECLI:NL:GHAMS:2020:641
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bewijsvermoeden effectenleaseovereenkomst ontzenuwd, beroep op verjaring afgewezen
In deze civiele zaak tussen Dexia Nederland B.V. en eiseres [X] stond de effectenleaseovereenkomst centraal. Het hof bouwde voort op een eerder tussenarrest en hoorde drie getuigen, waaronder de echtgenoot en dochter van [X]. Uit hun verklaringen bleek dat de echtgenoot de financiën beheerste en de betalingen aan Dexia verrichtte via een gezamenlijke bankrekening, terwijl [X] zelf geen kennis nam van de bankafschriften.
Het hof concludeerde dat het bewijsvermoeden dat [X] met het bestaan van de overeenkomst bekend was, voldoende was ontzenuwd. De enkele wetenschap dat haar echtgenoot geld van hun dochter belegde, was onvoldoende om aan te nemen dat [X] op de hoogte was van de overeenkomst. Ook het gedragingen zoals het drukken op de bel om winst aan te geven, waren niet doorslaggevend.
Dexia voerde aan dat zij de betalingen te kwader trouw had aangenomen, maar dit werd door het hof verworpen omdat Dexia onvoldoende had onderbouwd dat zij wist of vermoedde dat vernietiging van de overeenkomst door [X] zou worden ingeroepen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde Dexia in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep op verjaring af; Dexia heeft de betalingen niet te kwader trouw aangenomen.