Uitspraak
:
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid. Volgens vaste jurisprudentie rechtvaardigt het feit dat de betalingen ter zake van de Overeenkomst zijn verricht vanaf een betaalrekening die mede op naam stond van [X] het bewijsvermoeden dat zij met het bestaan van die Overeenkomst daadwerkelijk bekend was, met ingang van de (oudste) ontvangstdata van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld. Het is vervolgens aan [X] om overeenkomstig haar bewijsaanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal haar hiertoe in de gelegenheid stellen zoals hierna onder 4 is vermeld. Bij het voorgaande moet in aanmerking worden genomen dat de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure de verjaring heeft gestuit. Dat leidt ertoe dat voor een succesvol beroep van Dexia op verjaring moet komen vast te staan dat [X] voor 13 maart 2000 bekend was met het bestaan van de Overeenkomst.
4.Beslissing
uiterlijk op 16 april 2019 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de maanden mei, juli en augustus 2019 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;