ECLI:NL:GHAMS:2020:2799
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand na verjaring strafvervolging afgewezen
Het gerechtshof Amsterdam behandelde een verzoek op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in een strafzaak die was geëindigd door verjaring van het recht tot strafvervolging. De strafzaak betrof een rechtspersoon die was veroordeeld voor overtreding van voorschriften uit de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de Wet op het financieel toezicht. De Hoge Raad had het hoger beroep deels vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring.
Verzoeker vorderde vergoeding van kosten rechtsbijstand ter hoogte van € 125.632,23 voor de strafzaak en € 550,00 voor de verzoekschriftprocedure. Het hof oordeelde dat ondanks de lange duur van de procedure en het feit dat de strafvervolging was verjaard, er geen gronden van billijkheid waren om de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak te vergoeden. Dit mede vanwege het onherroepelijke oordeel van bestuursrechters dat de bedrijfsvoering van verzoeker niet voldeed aan de vereisten, wat ten grondslag lag aan de bewezenverklaring.
Wel werd een vergoeding van € 550,00 toegekend voor de kosten van de verzoekschriftprocedure zelf. Het verzoek tot vergoeding van de overige kosten werd afgewezen. De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 oktober 2020.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand in strafzaak afgewezen wegens verjaring, wel vergoeding procedurekosten toegekend.