Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
en
en
6.Beslissing
24 maart 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte, een rechtspersoon, terecht wegens overtredingen van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de Wet op het financieel toezicht (Wft) over verschillende perioden tussen 2003 en 2009. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200.000 voor de niet-verjaarde feiten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het recht tot strafvordering niet was verjaard voor de feiten die zich voordeden tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, en dat ook andere deelfeiten verjaard waren. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van deze feiten.
Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie gegrond verklaard, maar omdat de verdachte niet werd veroordeeld, had dit geen rechtsgevolg. De overige cassatiemiddelen van de verdachte werden verworpen, evenals het beroep van het openbaar ministerie.
De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van de verjaringstermijnen bij strafvorderingen en handhaafde de rechtszekerheid door het OM niet-ontvankelijk te verklaren voor de verjaarde feiten.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.