ECLI:NL:HR:2020:509

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
23 maart 2020
Zaaknummer
17/02392
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 Wte 1995Art. 2:55 lid 1 WftArt. 70 lid 1 SrArt. 72 lid 2 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens verjaring overtredingen financieel toezicht

In deze zaak stond de verdachte, een rechtspersoon, terecht wegens overtredingen van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de Wet op het financieel toezicht (Wft) over verschillende perioden tussen 2003 en 2009. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200.000 voor de niet-verjaarde feiten.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het recht tot strafvordering niet was verjaard voor de feiten die zich voordeden tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, en dat ook andere deelfeiten verjaard waren. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van deze feiten.

Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie gegrond verklaard, maar omdat de verdachte niet werd veroordeeld, had dit geen rechtsgevolg. De overige cassatiemiddelen van de verdachte werden verworpen, evenals het beroep van het openbaar ministerie.

De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van de verjaringstermijnen bij strafvorderingen en handhaafde de rechtszekerheid door het OM niet-ontvankelijk te verklaren voor de verjaarde feiten.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/02392
Datum24 maart 2020
ARREST
op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017, nummer 23/000195-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Beide schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De raadslieden van de verdachte hebben het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep van de advocaat-generaal en tot vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde alsmede de strafoplegging, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft miskend dat wat betreft feit 2, ten aanzien van de overtredingen van artikel 2:55 lid 1 van Pro de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) voor zover begaan tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, het recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen ten tijde van zijn uitspraak. Het cassatiemiddel voert voorts aan dat inmiddels meer deelfeiten zijn verjaard.
2.2
Aan de verdachte is onder 2 - kort weergegeven - tenlastegelegd:
- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 van Pro de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 19 maart 2003 tot 1 juli 2005,
en
- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 Wte Pro 1995 (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2007,
en
- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:55 lid 1 Wft Pro, begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot 12 mei 2009.
2.3
Het hof heeft overwogen dat het openbaar ministerie ten aanzien van het hiervoor vermelde eerste deelfeit, voor zover het tenlastegelegde ziet op de periode van 19 maart 2003 tot 26 april 2005, wegens verjaring van het recht tot strafvordering niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het hof heeft het tenlastegelegde voor het overige bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 200.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
2.4
Gelet op de in dit geval toepasselijke straf- en verbodsbepalingen, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.5 zijn weergegeven, in samenhang met artikel 70 lid 1 en Pro artikel 72 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn ten aanzien van het eerste en tweede deelfeit ten hoogste twee maal zes jaren en ten aanzien van het derde deelfeit ten hoogste tien jaren. Wat betreft al deze feiten is dus het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.
2.5
Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de uitspraak van het hof op dat punt, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging wat betreft het onder 2 tenlastegelegde.
3. Beoordeling van het zesde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de hierna volgende beslissing, die tot gevolg heeft dat de verdachte voor geen van de tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.
4. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van deze cassatiemiddelen niet nodig.
5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie;
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 2 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep van de verdachte voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.