ECLI:NL:GHAMS:2019:663
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks verzoek vrijstelling griffierecht
Belanghebbende was houder van twee voertuigen en kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat op 14 juni 2016 het voertuig met kenteken [kenteken 1] zonder geldig parkeerrecht geparkeerd stond. De rechtbank wees het beroep en het verzoek om vrijstelling van griffierecht af. In hoger beroep werd opnieuw betwist of de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en werd opnieuw een verzoek om vrijstelling van griffierecht gedaan op grond van betalingsonmacht.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat zij tijdens de beoordelingsperiode niet in staat was het griffierecht te betalen, waardoor vrijstelling van griffierecht werd toegekend. De inhoudelijke bezwaren tegen de naheffingsaanslag faalden echter. Uit het klantoverzicht bleek dat de bewonersvergunning pas op 15 juni 2016 op het kenteken [kenteken 1] was geregistreerd, terwijl de constatering van het ontbreken van een geldig parkeerrecht op 14 juni 2016 was. Het vertrouwen van belanghebbende op een geldige vergunning voor dat kenteken werd verworpen omdat zij zich bewust moest zijn van de koppeling van vergunning aan één kenteken.
De conclusie was dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en het hoger beroep ongegrond moest worden verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen veroordeling in kosten uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting bevestigd, met vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht.