ECLI:NL:GHAMS:2019:4303

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
4 december 2019
Zaaknummer
200.222.369/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing exhibitievordering na inhoudelijke beslissing op hoofdvordering in civiele procedure

In deze civiele procedure bij het Gerechtshof Amsterdam vorderen appellanten afgifte van bescheiden op grond van art. 843a Rv, die zij nodig achten voor hun vorderingen tegen Sovereign Trust (Netherlands) B.V. in liquidatie en andere partijen.

Het hof verwijst naar eerdere tussenarresten waarin reeds inhoudelijk op de hoofdvorderingen tegen Sovereign is beslist en waarin het verzoek om terug te komen van een bindende eindbeslissing is afgewezen. De exhibitievordering is ingesteld nadat deze beslissingen waren genomen.

Het hof oordeelt dat de exhibitievordering niet kan worden toegewezen omdat zij niet dient tot voortgang of instructie van de zaak tegen Sovereign. Bovendien betreft de vordering informatievergaring ten behoeve van procedures tegen derden, wat niet toelaatbaar is onder art. 843a Rv.

De vorderingen in het incident worden afgewezen en appellanten worden veroordeeld in de kosten van het incident, begroot op € 3.222 aan salaris advocaatkosten.

Uitkomst: De exhibitievordering wordt afgewezen en appellanten worden veroordeeld in de kosten van het incident.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.222.369/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/584194 / HA ZA 15-331
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 december 2019

1.[X] ,

2.
[Y],
beiden wonend te [woonplaats] , [land] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in incident,
advocaat: mr. P.D. Olden te Amsterdam,
tegen
SOVEREIGN TRUST (NETHERLANDS) B.V., in liquidatie,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in incident,
advocaat: mr. D.C. Buijs te Den Haag.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom
[X] c.s.en
Sovereigngenoemd.
Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 27 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4331; hierna: het
tussenarrest). Daarna hebben partijen, voor zover thans van belang, de volgende stukken ingediend:
- akte na tussenarrest houdende (i) uitlating producties; (ii) een incidentele vordering jegens Sovereign; en (iii) een verzoek tot terugkomen van een bindende eindbeslissing namens [X] c.s., met producties
- memorie van antwoord in het art. 843a Rv incident tevens akte uitlating verzoek om terug te komen van bindende eindbeslissing namens Sovereign.
Op 21 maart 2019 heeft de rolraadsheer het verzoek om pleidooi in incident gehonoreerd en de hoofdzaak verwezen naar de rol voor dagbepaling arrest. Op 16 juli 2019 heeft het hof een deelarrest gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2019:2580, hierna: het
deelarrest). In het dictum daarvan is beslist over de vorderingen in de hoofdzaak en is iedere beslissing aangehouden in het incident.
Op 27 september 2019 heeft een pleidooi in incident plaatsgevonden alwaar partijen hun zaak hebben doen bepleiten, [X] c.s. door mr. B.F.L.M. Schim, advocaat te Amsterdam en door mr. Olden voornoemd, en Sovereign door mr. Buijs voornoemd en mr. M.H.J. van Rest, advocaat te Den Haag, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
[X] c.s. hebben in incident gevorderd afgifte van afschriften van de bescheiden, vermeld in rov. 2.15, 2.17, 2.19 2.23 en 2.26 van een beschikking van de Ondernemingskamer van 17 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4377, gewezen in een enquêteprocedure tegen Sovereign (hierna: de
OK-beschikking).
Sovereign heeft geconcludeerd dat [X] c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard in hun exhibitievordering, althans dat deze wordt afgewezen, met veroordeling van [X] c.s. in de kosten in incident.

2.Beoordeling in incident

2.1.
Aan hun incidentele exhibitievordering leggen [X] c.s. ten grondslag dat de gevorderde bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarbij zij partij zijn. Wat die rechtsbetrekking betreft, doelen zij op hun vorderingen op Sovereign, [C] en OTIV Prime Holding B.V. (hierna:
[C], respectievelijk
OPH). [X] c.s. stellen rechtmatig belang bij afgifte te hebben, nu uit de OK-beschikking blijkt dat de bescheiden (nader) bewijs kunnen leveren van hun stellingen.
2.2.
Voor zover de exhibitievordering is ingesteld ten behoeve van de vorderingen tegen Sovereign, kan zij niet worden toegewezen. In het tussenarrest heeft het hof samengevat geoordeeld dat de vorderingen tegen Sovereign niet voor toewijzing in aanmerking komen. In het deelarrest heeft het hof het verzoek van [X] c.s. om terug te komen van een bindende eindbeslissing niet gehonoreerd en heeft het hof de vorderingen op Sovereign in het dictum afgewezen. Bij deze stand van zaken, en in aanmerking nemend dat de exhibitievordering is ingesteld na het tussenarrest waarin inhoudelijk reeds was beslist op de vorderingen jegens Sovereign, kan de exhibitievordering niet dienen tot voortgang of instructie van de zaak. Het vorenstaande brengt bovendien mee dat geen sprake is van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv.
2.3.
Voor zover de exhibitievordering strekt tot het vergaren van informatie ten behoeve van de procedures tegen [C] en OPH, moet zij eveneens worden afgewezen. De exhibitievordering is in zoverre ingesteld ten behoeve van een geschil met derden. Het feit dat Sovereign, OPH en [C] in eerste aanleg medegedaagden waren en dat Sovereign en OPH in hoger beroep medegeïntimeerden zijn, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat de exhibitievordering aldus geen betrekking heeft op de voortgang of instructie van de zaak tegen Sovereign, staat aan toewijzing in de weg van de bij incident in de procedure tegen Sovereign ingestelde exhibitievordering.
2.4.
De vorderingen in incident zullen worden afgewezen. [X] c.s. zullen in de kosten in het incident worden veroordeeld.

3.Beslissing in incident

Het hof:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding in incident, tot op heden aan de zijde van Sovereign begroot op € 3.222 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door J.M. de Jongh, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en A.P. Schoonbrood-Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 december 2019.