2.1.In de uitspraak van de rechtbank zijn de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende is in deze uitspraak aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.
“1. Eiseres vaart in de jaren 2014 en 2015 het gehele jaar een veerdienst tussen [plaats 1] en [plaats 2] . Personen die naar [plaats 2] varen hebben voor de boottocht ofwel rechtstreeks bij eiseres een kaartje gekocht, ofwel een kaartje gekocht bij het in [plaats 3] gevestigde bedrijf [Y BV] .
2. Bij [Y BV] kan een kaartje worden gekocht voor de […] Tour. De website vermeldt over deze excursie de volgende informatie:
“Tijdens deze […] Tour bezoekt u [naam locatie] , het pittoreske windmolendorp met zijn typische groene houten huizen en pakhuizen. Hier zullen we een bezoek brengen aan een werkende windmolen. Andere hoogtepunten van deze tour zijn onder andere het beroemde en levendige vissersdorp [plaats 1] (waar we een kaasfabriek bezoeken en u tijd heeft voor de lunch in een traditioneel visrestaurant). We maken een boottocht van of naar het voormalige eiland [plaats 2] waar we een bezoek zullen brengen aan een traditionele klompenmaker.”
3. Personen die een kaartje hebben gekocht voor deze excursie en per boot naar [plaats 2] gaan, worden door eiseres naar [plaats 2] gevaren.
4. Verweerder heeft op 21 januari 2015 aan eiseres een brief verzonden met de volgende inhoud:
“Binnenkort worden de aanslagen dagtoeristenbelasting 2014 opgelegd. Om deze aanslagen op te kunnen leggen heb ik uw aangifte nodig.
Aangiftebiljet
U kunt aangifte doen door het bijgaande aangifteformulier in te vullen en terug te sturen. Ik verzoek u om het aangiftebiljet duidelijk in te vullen en te ondertekenen.
Uw aangifteformulier verwacht ik voor 28 februari 2015 van u te ontvangen.
(…)”
5. Ter zake van het jaar 2015 heeft verweerder op 18 januari 2016 aan eiseres een soortgelijke brief verzonden, waarbij als datum waarop het aangifteformulier moet zijn ontvangen, 29 februari 2016 is aangegeven.
6. Vanwege het in beide gevallen uitblijven van de aangifte heeft verweerder bij brieven van 5 maart 2015 en 7 maart 2016 eiseres wederom verzocht aangifte te doen vóór de jaren 2014 onderscheidenlijk 2015, en deze voor 19 maart 2015 onderscheidenlijk
21 maart 2016 in te dienen.
7. Vanwege het in beide gevallen uitblijven van de aangifte heeft verweerder bij brieven van 14 april 2015 en 23 maart 2016 eiseres opnieuw verzocht aangifte te doen voor de jaren 2014 onderscheidenlijk 2015, en verzocht deze aangiften vóór 23 april 2015 onderscheidenlijk 20 april 2016 in te dienen. In beide brieven merkt verweerder op dat indien aan dit laatste verzoek tot het doen van aangifte geen gevolg wordt gegeven, ambtshalve de grondslag zal worden geschat en op basis daarvan een aanslag zal worden opgelegd.
8. Verweerder heeft met dagtekening 30 april 2015 aan eiseres ambtshalve een aanslag toeristenbelasting voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastinggrondslag van 150.000 (personen). Ter zake van het jaar 2015 heeft verweerder met dagtekening 30 april 2016 aan eiseres ambtshalve een aanslag toeristenbelasting opgelegd naar een belastinggrondslag van 150.000 (personen).”
Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd. Het Hof zal dan ook van die feiten uitgaan.