Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
evidentvan redelijke grond ontbloot is (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, nr. 37452/02, Stummer tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003745202, paragraaf 89, met verdere verwijzingen). Ook het niet met – verdergaande – terugwerkende kracht invoeren van een gunstiger belastingregeling leidt in beginsel nog niet tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Dit uitgangspunt is in jurisprudentie van de Hoge Raad uitgedragen (vgl. onder meer HR 14 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AV6797, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7857, BNB 2013/216 en HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:1, r.o. 2.3.3.). Zo is in BNB 2013/216 in het kader van een door de wetgever ingevoerde verlaging van het tarief overdrachtsbelasting, door de Hoge Raad overwogen:
5.5. Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.542;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.685;
- draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 (rechtbank) en € 126 (Hof), totaal € 172, aan belanghebbende te vergoeden.