Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 35.174
€ 45.174
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende werd door de inspecteur aangeslagen voor de inkomstenbelasting over 2013, waarbij een aanslag werd opgelegd op basis van een redelijke schatting vanwege het niet tijdig indienen van de aangifte. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende in 2013 als binnenlands belastingplichtige kon worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn woonplaats niet in Nederland lag. Dit oordeel was gebaseerd op diverse feiten, zoals eigendom van meerdere onroerende zaken in Nederland, inschrijving van een kind en diens moeder op een door belanghebbende eigendom adres, lidmaatschap van Nederlandse verenigingen, en het bezit van Nederlandse kentekens op auto's.
Daarnaast werd de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting van het resultaat uit overige werkzaamheden, mede gefundeerd op de aanschaf van dure auto's en het afgenomen banksaldo. Belanghebbende kon deze schatting niet overtuigend weerleggen. Ook de opgelegde verzuimboete wegens het te laat indienen van de aangifte werd door het hof als passend en geboden beoordeeld.
Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.