Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
de onder 1.1.1 vermelde belastingaanslag];
Hof: de onder 1.1.2 vermelde belastingaanslag];
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van de inspecteur tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake naheffingsaanslagen loonheffingen en boetes over de jaren 2010 en 2011. De rechtbank had de aanslag over 2010 grotendeels verminderd en de boetebeschikkingen vernietigd. Het Gerechtshof Den Haag vernietigde vervolgens de uitspraak over 2010 en verklaarde het beroep van de inspecteur ongegrond, maar de Hoge Raad stelde het beroep in cassatie van belanghebbende alsnog gegrond en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam.
Na verwijzing stond enkel nog de vraag centraal of belanghebbende aanspraak kon maken op de afdrachtvermindering onderwijs over 2010. Partijen waren het eens dat dit het geval was en dat de uitspraak van de rechtbank bevestigd moest worden. Het Hof Amsterdam oordeelde dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak.
Belanghebbende verzocht na verwijzing om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het Hof wees dit af omdat dit verzoek niet betrekking kon hebben op de periode vóór het verwijzingsarrest en het Hof binnen een jaar uitspraak deed. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en griffierechten werden vastgesteld conform de wettelijke bepalingen.
Uitkomst: Het Gerechtshof Amsterdam bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.