ECLI:NL:GHAMS:2017:2536

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
30 juni 2017
Zaaknummer
200.210.141/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 798 lid 2 RvArt. 358 lid 2 RvArt. 1:432 BWArt. 1:438 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake ontslag mentor in mentorschapszaak

In deze zaak stond het hoger beroep centraal van [X], vader van [M], tegen de beschikking waarbij [C] werd ontslagen als mentor van [M] en [Y] Mentorschap als nieuwe mentor werd benoemd. De procedure betrof een mentorschapszaak, waarbij het mentorschap zelf niet ter discussie stond, maar enkel het ontslag van de mentor.

Het hof heeft onderzocht of [X] als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 en Pro 2 Rv kon worden aangemerkt, wat noodzakelijk is voor ontvankelijkheid in hoger beroep. Uit jurisprudentie en parlementaire geschiedenis blijkt dat de uitbreiding van het begrip belanghebbende in art. 798 lid 2 Rv Pro alleen geldt voor het instellen of opheffen van een mentorschap, niet voor procedures over het ontslag van een mentor.

Omdat het ontslag van de mentor niet rechtstreeks de rechten of verplichtingen van [X] raakt, en hij niet valt onder de in art. 798 lid 2 Rv Pro genoemde kring van belanghebbenden, werd hij niet als belanghebbende aangemerkt. Zijn persoonlijke relatie met [M] en het contact tussen hen waren onvoldoende om dit te veranderen.

Het hof verklaarde daarom het hoger beroep van [X] niet-ontvankelijk. Wel werd opgemerkt dat [X] bevoegd blijft om bij de kantonrechter de invulling van het mentorschap aan de orde te stellen.

De beschikking werd uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam op 27 juni 2017.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk omdat hij niet als belanghebbende wordt aangemerkt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.210.141/01
zaaknummer rechtbank: 5519295 MB VERZ 16-395 NVDM
beschikking van de meervoudige kamer van 27 juni 2017 inzake
[X],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [X] ,
advocaat: mr. A.M. Koopman te Alkmaar.
Als belanghebbende zijn aangemerkt:
- [Y] , h.o.d.n. [Y] Mentorschap (hierna: [Y] Mentorschap);
- [M] (hierna: [M] ).

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 21 november 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[X] is op 20 februari 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 november 2016.
2.2
Bij brief van 9 mei 2017 heeft het hof [X] verzocht zich schriftelijk uit te laten over de ontvankelijkheid van diens hoger beroep en voorts medegedeeld dat, na ontvangst van de toelichting van [X] , zal worden beslist over de verdere gang van de procedure.
2.3
[X] heeft bij brief van 22 mei 2017 gereageerd.

3.De feiten

3.1
[M] is geboren [in] 1991. Op 6 mei 2015 is na te noemen [C] als mentor van [M] benoemd.
3.2.
[X] is de vader van [M] .

4.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, [C] , h.o.d.n. […] Coaching (hierna: [C] ) op haar verzoek ontslagen als mentor van [M] , met benoeming van [Y] Mentorschap als mentor.
4.2
[X] is in de procedure in eerste aanleg niet als belanghebbende aangemerkt.
4.3
Art. 358 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kent in verzoekschriftprocedures het recht op hoger beroep toe aan de oorspronkelijke verzoeker en de in de procedure eerste aanleg verschenen belanghebbenden, alsmede aan de andere belanghebbenden die in eerste aanleg niet zijn verschenen.
Ingevolge het bepaalde in art. 798 lid 1 Rv Pro wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Ingevolge het tweede lid van laatstgenoemd artikel worden
in zaken vancuratele, onderbewindstelling of mentorschap onder belanghebbenden bovendien verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene, wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft.
In ECLI:NL:PHR:2002:AD4932 heeft de Advocaat-Generaal omtrent het begrip belanghebbende in voornoemde bepalingen het navolgende geconcludeerd.
2.11 (…)
Tot 1 april 1995 was het procesrecht in zaken van onderbewindstelling geregeld in Titel 6B van Boek III Rv. (art. 894-899). In die artikelen werden alleen voorschriften gegeven met betrekking tot verzoeken tot het instellen of opheffen van het bewind. De kring van belanghebbenden die in dat verband in art. 894 (oud) Rv. werden genoemd, correspondeert met de kring van personen die een dergelijk verzoek kunnen indienen.
2.12
Met de invoering van de art. 798 e.v. Rv. per 1 april 1995 is Titel 6B komen te vervallen. Met deze nieuwe regeling heeft de wetgever beoogd de grote verscheidenheid aan bijzondere voorschriften die in personen- en familiezaken naast de art. 429a e.v. Rv. van toepassing waren, terug te brengen tot één regeling. Daarbij is gepoogd voor al dit soort zaken het begrip belanghebbende nader te begrenzen door in art. 798 lid 1 Rv Pro. te bepalen dat als belanghebbende slechts wordt aangemerkt degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Aangezien dit criterium voor de kring van personen die ingevolge art. 1:432 BW Pro gerechtigd zijn een verzoek tot curatele of onder bewindstelling in te dienen, te streng bleek en de wetgever deze kring van personen niet nader heeft willen beperken, is in art. 798 lid 2 Rv Pro. de hier aan de orde zijnde uitbreiding van het begrip belanghebbende opgenomen. Uit de MvT kan worden afgeleid dat de personen genoemd in art. 798 lid 2 Rv Pro. in ieder geval geen rechtstreeks belanghebbende zijn in de zin van het eerste lid.
2.13
Waar in de parlementaire geschiedenis in dit verband slechts wordt verwezen naar art. 1:432 BW Pro dient het n.m.m, mede gezien de voordien geldende regeling in de art. 894-899 (oud) Rv., ervoor te worden gehouden dat de wetgever hierbij uitsluitend heeft gedacht aan verzoeken tot het instellen of opheffen van het bewind en dat hij zich niet ervan bewust is geweest dat deze nieuwe bepaling zich bij een letterlijke interpretatie (onbedoeld) ook zou kunnen uitstrekken tot machtigingsverzoeken op grond van art. 1:438 lid 2 en Pro 1:441 lid 2 BW.
4.4
Het hof onderschrijft bovengenoemde conclusie, die is gevolgd door de Hoge Raad in zijn beslissing van 11 januari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD4932), betreffende een bewind. In het verlengde daarvan is het hof met betrekking tot de onderhavige procedure betreffende “
zaken van mentorschap” van oordeel dat de uitbreiding van het begrip belanghebbende van art. 798 lid 2 Rv Pro slechts van toepassing is op de instelling of opheffing van het mentorschap.
In de onderhavige procedure is het ontslag van [C] als mentor van [M] aan de orde gesteld. Het (instellen of opheffen van het) mentorschap zelf staat niet ter discussie. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor is vermeld, kan de onderhavige procedure niet worden aangemerkt als
“zaken van mentorschap” als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv Pro. Dit brengt mee dat [X] niet als belanghebbende geldt in de zin van art. 798 lid 2 Rv Pro.
Evenmin kan [X] worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. Met het ontslag van [C] wordt [X] immers niet rechtstreeks in zijn belangen geraakt. De door [X] aangevoerde omstandigheden dat hij de vader is van [M] , dat [M] veelvuldig contact met hem en zijn partner heeft en ook regelmatig een (financieel) beroep op hen doet, leiden niet tot een ander oordeel.
Dit alles brengt mee dat [X] niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
4.5
Ten overvloede overweegt het hof dat het voorgaande niet wegneemt dat [X] wel bevoegd is om de invulling van het mentorschap bij de kantonrechter aan de orde te stellen.
4.6
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

Het hof:
verklaart [X] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Leijdekker, C.E. Buitendijk, W.K. van Duren, bijgestaan door B.J. Voerman als griffier, en is op 27 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.