Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
[Hof: het betreft enkel een naamswijziging].Eiseres houdt zich onder meer bezig met de groothandel in vlees en vleeswaren en in wild en gevogelte (niet levend).
3.Geschil in hoger beroep
4.Wettelijk kader
[Hof: thans Vo 376/2008], (EG) nr. 1301/2006 en (EG) nr. 382/2008 zijn van toepassing, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.
Hof: thans Vo 376/2008]is van toepassing voor de invoercertificaten tenzij in de onderhavige verordening iets anders is bepaald.
5.Beoordeling van het geschil
tijdensde geldigheidsduur van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product in te voeren en derhalve niet reeds vóór de geldigheidsduur van het certificaat. De stelling van belanghebbende dat niet is vereist dat het certificaat ten tijde van het doen van aangiften in haar bezit is en, aldus begrijpt het Hof, dat het certificaat geldig is voor de gehele periode waarvoor het contingent van toepassing is, vindt gelet op het vorenoverwogene geen steun in het recht. De omstandigheid dat het invoercertificaat wel een einddatum van de geldigheidsduur vermeldt, maar geen aanvangsdatum, voert niet tot een ander oordeel, omdat de aanvangsdatum rechtstreeks uit de wet voortvloeit (Verordening 376/2008, artikel 22).
ten gevolgevan een vergissing van de bevoegde autoriteiten. Ook als de stelling van belanghebbende wordt aanvaard dat een vergissing is gelegen in het in het verleden meewerken van de inspecteur aan een ‘oplossing’, kan van deze vergissing niet worden gezegd dat zij heeft geleid tot het achterwege blijven van de inning van de verschuldigde douanerechten. In het onderwerpelijke geval bestaat immers geen causaal verband tussen de te lage vaststelling van de douaneschuld (door het bij de behandeling van de aangiften ten onrechte toekennen van het tariefcontinent) en de twee onder 5.7 beschreven handelwijzen van de inspecteur, zodat deze handelwijzen reeds daarom geen grond kunnen vormen om af te zien van navordering op de voet van artikel 220, lid 2, letter b van het CDW.